U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2008.

Wet · BWBR0014168

Mijnbouwwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)MijnbouwwetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage31 oktober 2002BeatrixDe Staatssecretaris van Economische Zaken,J. G. Wijnde veertiende november 2002De Minister van Justitie,J. P. H. Donner

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem is verplicht te gedogen dat de houder van een vergunning voor het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, in de ondergrond delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint of stoffen opslaat overeenkomstig de op deze activiteiten betrekking hebbende regels, voorzover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte en onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade.

Voor de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht worden werken die worden of zijn uitgevoerd ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of ten behoeve van het opslaan van stoffen, aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.

Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.

In een opsporingsvergunning wordt bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven opsporingsactiviteiten dienen te worden verricht. In de vergunning kan tevens worden bepaald binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven verkenningsonderzoeken dienen te worden verricht.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.

Gedeputeerde staten van de provincie waarop de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft worden in de gelegenheid gesteld binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn advies uit te brengen over de ingediende aanvraag.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 6, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voorzover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

In een opslagvergunning wordt bepaald voor welke stoffen, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt. Daarbij wordt bepaald dat:

Onze Minister kan een opslagvergunning wijzigen of intrekken, indien dit wordt gerechtvaardigd op grond van de in artikel 29, tweede lid, bedoelde belangen.

De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De artikelen 20, tweede en derde lid, 26, tweede lid, en 27 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ten aanzien van een opslagvergunning zijn de artikelen 14, 17, 19, 21, met uitzondering van het vierde lid, en 22 van overeenkomstige toepassing.

De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25, dan wel, ingeval de vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning verrichte activiteiten:

Vervallen

Onze Minister houdt de beslissing op een aanvraag om een milieuvergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen uit een voorkomen dat is gelegen aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn aan totdat hij heeft ingestemd met het winningsplan, bedoeld in artikel 34.

De artikelen 34 tot en met 38 zijn van overeenkomstige toepassing op:

Onze Minister kan, in gevallen waarin ernstige aantasting van de in artikel 49, tweede of derde lid, genoemde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in artikel 49, eerste en vijfde lid, bedoelde activiteiten.

Deze afdeling is van toepassing op de heffing en invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel van de houder of medehouder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Cijns wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.

Indien in het vergunningsgebied zowel aardgas als aardolie zijn gewonnen, wordt over aardgas en aardolie afzonderlijk cijns geheven.

Winstaandeel wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.

De afdrachten, bedoeld in deze afdeling, worden geheven door de inspecteur en ingevorderd door de ontvanger.

Onverminderd het overigens bij of krachtens deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de op die wetten berustende bepalingen.

Op deze afdeling zijn de onderdelen a tot en met e van artikel 54 van toepassing.

Gedeputeerde staten stellen de afdracht vast en maken het verschuldigde bedrag aan de houder of de aangewezen medehouder bekend.

Indien een afdracht aan de provincie op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de provincie uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht, waarvan het percentage gelijk is aan het percentage van de heffingsrente, bedoeld in artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

De in een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen aangewezen vennootschap verleent de door de houder van die opsporingsvergunning verlangde medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst, krachtens welke de vergunningshouder en de aangewezen vennootschap voor hun gezamenlijke rekening de opsporingswerkzaamheden zullen verrichten.

In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:

In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:

In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:

De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot:

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Artikel 88 is van overeenkomstige toepassing.

Indien na de toepassing van artikel 90, tweede lid, in een ander voorkomen in het vergunningsgebied koolwaterstoffen worden aangetoond, kan Onze Minister besluiten dat alsnog een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid van dat artikel moet worden afgesloten. Deze afdeling is op die overeenkomst van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

Afdeling 5.2.2, met uitzondering van artikel 92, tweede lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing, indien een opslagvergunning is verleend aan de houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen, waar artikel 90, eerste lid, op van toepassing is en indien de opslagvergunning en de winningsvergunning gelden voor hetzelfde voorkomen.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing ten aanzien van vergunningen als bedoeld in artikel 24.

Leden van de Mijnraad onthouden zich van stemming over een advies, indien dit een zaak betreft waarbij zij persoonlijk belang hebben.

De Mijnraad stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden.

De Mijnraad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Mijnraad geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de raad opgeborgen in het archief van dat ministerie.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De artikelen 107 tot en met 112 zijn van overeenkomstige toepassing op de Technische commissie bodembeweging.

Bij ministeriële regeling worden in elk geval nadere regels gesteld omtrent de bij de adviesaanvraag te verstrekken gegevens en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de adviesprocedure, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel d.

Het Staatstoezicht op de mijnen heeft tot taak het toezien op het verrichten van verkenningsonderzoeken, op het opsporen en het winnen van delfstoffen en aardwarmte en op het opslaan van stoffen.

In respectievelijk op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en wijze kan de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, worden verplicht de in de artikelen 129 en 131 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar met gebruikmaking van de vergunning activiteiten worden of zullen worden uitgevoerd dan wel waar een verkenningsonderzoek wordt of zal worden uitgevoerd.

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Onze Minister kent een natuurlijke persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds, indien:

Als winningsplan als bedoeld in artikel 34 geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van opsporingsvergunningen, winningsvergunningen, milieuvergunningen of mijnbouwmilieuvergunningen als bedoeld in artikel 143 en ten aanzien van activiteiten die met gebruikmaking van die vergunningen worden verricht. De regels zijn gericht op een goede invoering van de wet ten aanzien van die vergunningen. De regels kunnen afwijken van de bij of krachtens de hoofdstukken 1 tot en met 5, 7 en 11 gestelde bepalingen, indien dit voor een goede invoering van de wet noodzakelijk is, gelet op de door die bepalingen beschermde belangen. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld omtrent het wijzigen of intrekken van beperkingen of voorschriften die op grond van artikel 143, derde of zevende lid, aan de vergunning zijn verbonden, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.

Een veiligheidszone ingesteld krachtens artikel 27 van de Mijnwet continentaal plat, en een toestemming verleend krachtens artikel 28 van die wet, worden beschouwd als een veiligheidszone en een ontheffing als bedoeld in artikel 43.

Voor de toepassing van artikel 66, eerste lid, wordt tot het resultaat niet gerekend afschrijving op de koopsom ter zake van een voor de inwerkingtreding van deze wet overgenomen winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat.

Voorzover als gevolg van afschrijving op niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet en voordat de winningsvergunning is verleend, het resultaat van een geconsolideerde winst- en verliesrekening aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde negatief is, wordt voor de toepassing van artikel 66, tweede en derde lid, het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.

In afwijking van artikel 69, derde lid, wordt het op het eerste boekjaar na inwerkingtreding van deze wet betrekking hebbende verrekenbare bedrag verkregen door het voor het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te passen op het saldo van:

Overeenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de door Onze Minister aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de houder van een opsporingsvergunning voor het voor hun gezamenlijke rekening verrichten van opsporingswerkzaamheden zijn overeenkomsten als bedoeld in artikel 81.

Bepalingen in een voor de inwerkingtreding van deze wet gesloten overeenkomst, waarbij een partij zich jegens de staat verbindt om borg te staan voor de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst door de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of diens rechtsvoorganger, blijven buiten toepassing voorzover zij betrekking hebben op verplichtingen die zijn ontstaan op grond van deze wet.

De Mijnraad, ingesteld bij de wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196), wordt beschouwd als de Mijnraad, bedoeld in artikel 105. De besluiten die zijn genomen op grond van die wet gaan gelden als de overeenkomstige besluiten op grond van paragraaf 6.1.

De bijdrage, bedoeld in artikel 135, vierde lid, onderdeel a, is voor het eerst verschuldigd in het jaar dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van deze wet.

Wijzigt de Gaswet.

Wijzigt de Wet aardgasprijzen.

Wijzigt de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst.

Wijzigt de Grondwaterwet.

Wijzigt de Ontgrondingenwet.

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Wijzigt de Wet luchtvaart.

Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Wijzigt de Wet bodembescherming.

Wijzigt de Kernenergiewet.

Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

Wijzigt de Arbeidstijdenwet.

Wijzigt de Stoomwet.

Wijzigt de Wet arbeid mijnbouw Noordzee.

Wijzigt de Wet op de Gevaarlijke werktuigen.

Voor de toepassing van het bij of krachtens de In- en uitvoerwet bepaalde worden delfstoffen die zich bevinden in de mijnbouwinstallatie, waarmee zij in of op het continentaal plat zijn gewonnen, geacht in het vrije verkeer in Nederland te zijn en gedurende het rechtstreekse vervoer naar Nederland in Nederland te blijven.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld omtrent mijnbouw en met mijnbouw verwante activiteiten.

Onze Minister van Economische Zaken zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Mijnbouwwet.

De lijn, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:

1. genoemd punt L';

2. 53° 33' 36" N.B., 6° 16' 02" O.L.;

3. 53° 30' 12" N.B., 6° 03' 00" O.L.;

4. 53° 31' 22" N.B., 5° 56' 27" O.L.;

5. 53° 30' 00" N.B., 5° 31' 30" O.L.;

6. 53° 25' 12" N.B., 5° 08' 06" O.L.;

7. 53° 21' 21" N.B., 5° 04' 30" O.L.;

8. 53° 19' 19" N.B., 4° 56' 12" O.L.;

9. 53° 15' 00" N.B., 4° 49' 00" O.L.;

10. 53° 06' 30" N.B., 4° 40' 00" O.L.;

11. 53° 01' 30" N.B., 4° 37' 30" O.L.;

12. 52° 54' 00" N.B., 4° 38' 00" O.L.;

13. 52° 44' 12" N.B., 4° 33' 42" O.L.;

14. 52° 37' 00" N.B., 4° 32' 24" O.L.;

15. 52° 28' 30" N.B., 4° 30' 00" O.L.;

16. 52° 23' 00" N.B., 4° 26' 36" O.L.;

17. 52° 21' 02" N.B., 4° 24' 57" O.L.;

18. 52° 17' 55" N.B., 4° 22' 45" O.L.;

19. 52° 16' 25" N.B., 4° 21' 34" O.L.;

20. 52° 15' 35" N.B., 4° 20' 47" O.L.;

21. 52° 14' 54" N.B., 4° 20' 20" O.L.;

22. 52° 13' 21" N.B., 4° 18' 54" O.L.;

23. 52° 12' 03" N.B., 4° 17' 30" O.L.;

24. 52° 10' 56" N.B., 4° 16' 07" O.L.;

25. 52° 09' 47" N.B., 4° 14' 37" O.L.;

26. 52° 09' 26" N.B., 4° 13' 46" O.L.;

27. 52° 09' 05" N.B., 4° 13' 12" O.L.;

28. 52° 08' 30" N.B., 4° 12' 31" O.L.;

29. 52° 08' 03" N.B., 4° 11' 50" O.L.;

30. 52° 07' 33" N.B., 4° 11' 15" O.L.;

31. 52° 06' 51" N.B., 4° 10' 19" O.L.;

32. 52° 04' 13" N.B., 4° 06' 39" O.L.;

33. 52° 03' 54" N.B., 4° 06' 05" O.L.;

34. 52° 02' 09" N.B., 4° 04' 03" O.L.;

35. 52° 00' 00" N.B., 4° 01' 00" O.L.;

36. 51° 53' 00" N.B., 3° 55' 30" O.L.;

37. 51° 51' 00" N.B., 3° 48' 48" O.L.;

38. 51° 47' 30" N.B., 3° 45' 18" O.L.;

39. 51° 44' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;

40. 51° 39' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;

41. 51° 37' 18" N.B., 3° 29' 30" O.L.;

42. 51° 34' 00" N.B., 3° 22' 10" O.L.;

43. 51° 24' 40" N.B., 3° 17' 52" O.L.

De ligging van de bovenbedoelde punten 2 tot en met 43 is uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening.