U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2024.

Wet · BWBR0014168

Mijnbouwwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)MijnbouwwetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage31 oktober 2002BeatrixDe Staatssecretaris van Economische Zaken,J. G. Wijnde veertiende november 2002De Minister van Justitie,J. P. H. Donner

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem, die een gedoogplicht heeft als bedoeld in artikel 10.9 van de Omgevingswet, heeft recht op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding voor het gebruik van de oppervlakte van de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade, bedoeld in afdeling 15.2 van de Omgevingswet. De hoogte van de vergoeding voor het gebruik is afhankelijk van de impact van het mijnbouwwerk op de gebruiksrechten en waarde van de oppervlakte voor de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte.

Vervallen

Onze Minister draagt zorg voor de instelling van een onafhankelijk wetenschappelijk kennisprogramma, waarin de inbreng van nationale en internationale wetenschappers en deskundigen is geborgd.

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, voor het opsporen van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee.

Vervallen

Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.

Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de artikelen 12 en 98 worden verbonden uitsluitend in verband met:

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 6, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voorzover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

In aanvulling op artikel 17.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, draagt ook de houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee, de kosten voor de maatregelen genoemd in dat lid.

Het is verboden zonder een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, aardwarmte op te sporen of te winnen.

Onze Minister verleent op aanvraag een toewijzing zoekgebied aardwarmte.

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een toewijzing zoekgebied aardwarmte houdt, worden zij gezamenlijk als houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte beschouwd.

Onze Minister verleent op aanvraag een startvergunning aardwarmte aan de houder van de toewijzing zoekgebied aardwarmte of aan de houder van de toewijzing zoekgebied aardwarmte en de uitvoerder aardwarmte.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een startvergunning aardwarmte.

Indien bij het opsporen of winnen van aardwarmte wordt geconstateerd dat de situatie van de ondergrond afwijkt van de aanvraag voor de startvergunning aardwarmte, meldt een houder van een startvergunning aardwarmte dit zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een startvergunning aardwarmte houdt, worden zij gezamenlijk als houder van een startvergunning aardwarmte beschouwd.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

Onze Minister verleent op aanvraag een vervolgvergunning aardwarmte aan de houder van een startvergunning aardwarmte voor het gebied of een gedeelte daarvan waarop de startvergunning aardwarmte ziet.

In een vervolgvergunning aardwarmte wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt en voor welke aardlaag en begrenzing daarvan zij geldt.

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een vervolgvergunning aardwarmte houden, worden zij gezamenlijk als houder van een vervolgvergunning aardwarmte beschouwd.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

In een opslagvergunning anders dan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wordt bepaald voor welke stoffen, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt. Daarbij wordt bepaald dat:

De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De artikelen 20, tweede en derde lid, artikel 26, tweede en zevende lid, en 27 zijn van overeenkomstige toepassing.

Een aanvraag om een vergunning voor permanent opslaan van CO2 omvat ten minste de volgende onderwerpen:

Onze Minister houdt een register bij van de verleende vergunningen voor permanent opslaan van CO2 en het afgesloten opslagvoorkomen en omliggende opslagcomplexen inclusief informatie aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten is.

Onze Minister draagt er zorg voor dat de milieu-informatie over permanent opslaan van CO2 voor een ieder toegankelijk is. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.

Indien artikel 42, derde lid, van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 niet aan met het permanent opslaan van CO2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.

Vervallen

Vervallen

Binnen een termijn van twaalf maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk is geworden, dient de houder van de opslagvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon een opslagplan als bedoeld in artikel 39 in bij Onze Minister.

Vervallen

Vervallen

Deze paragraaf is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen.

Onze Minister kan, in gevallen waarin ernstige aantasting van de in artikel 49, tweede of derde lid, genoemde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in artikel 49, eerste en vijfde lid, bedoelde activiteiten.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De artikelen 21, derde lid, tweede volzin, 33, 34, 35 en 36 zijn niet van toepassing op de houder van de winningsvergunning Groningenveld voor zover het betreft de winning van gas uit het Groningenveld.

De houder van de winningsvergunning Groningenveld is verplicht de winning van het Groningenveld uit te voeren overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde operationele strategie en indien die is opgelegd, een tijdelijke maatregel als bedoeld in artikel 52e, tweede lid.

Deze afdeling is van toepassing op de heffing en invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel van de houder of medehouder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Cijns wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.

Indien in het vergunningsgebied zowel aardgas als aardolie zijn gewonnen, wordt over aardgas en aardolie afzonderlijk cijns geheven.

Winstaandeel wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van artikel 68a.

De afdrachten, bedoeld in deze afdeling, worden geheven door de inspecteur en ingevorderd door de ontvanger.

Onverminderd het overigens bij of krachtens deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de op die wetten berustende bepalingen.

Op deze afdeling zijn de onderdelen a tot en met e van artikel 54 van toepassing.

Gedeputeerde staten stellen de afdracht vast en maken het verschuldigde bedrag aan de houder of de aangewezen medehouder bekend.

Onverminderd het bij of krachtens deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van de afdracht aan de provincie met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 28, eerste en tweede lid, en 29 van de Invorderingswet 1990 met dien verstande dat gedeputeerde staten in de plaats treden van de ontvanger.

Indien een afdracht aan de provincie op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de provincie uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht, waarvan het percentage gelijk is aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

De statuten van de vennootschap en elke wijziging van die statuten behoeven goedkeuring van Onze Minister. Hij onthoudt zijn goedkeuring slechts als door de statuten naar zijn oordeel een behoorlijke vervulling van de taken, genoemd in artikel 82, eerste, tweede en derde lid, onvoldoende is gewaarborgd.

Onze Minister kan de vennootschap aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in artikel 82, eerste, tweede en derde lid, bedoelde taken.

In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:

In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:

In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:

De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot:

Artikel 92 is van overeenkomstige toepassing.

Deze paragraaf heeft betrekking op personen die een vergunning houden voor het opsporen, winnen of opslaan van koolwaterstoffen.

Vervallen

Onverminderd het bij of krachtens deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van de afdracht aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 25, eerste en tweede lid, 28 en 29 van de Invorderingswet 1990 en de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de ontvanger.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing ten aanzien van vergunningen als bedoeld in de artikelen 24 en 24c.

Leden van de Mijnraad onthouden zich van stemming over een advies, indien dit een zaak betreft waarbij zij persoonlijk belang hebben.

De Mijnraad stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden. Onze Minister zendt het verslag alsmede een schriftelijke reactie daarop aan de Staten-Generaal.

De Mijnraad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Mijnraad geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de raad opgeborgen in het archief van dat ministerie.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De artikelen 107 tot en met 112 zijn van overeenkomstige toepassing op de Technische commissie bodembeweging.

Bij ministeriële regeling worden in elk geval nadere regels gesteld omtrent de bij de adviesaanvraag te verstrekken gegevens en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de adviesprocedure, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel d.

Onze Minister vraagt TNO, genoemd in artikel 1, onderdeel c, van de TNO-wet, te adviseren of de voorgestelde operationele strategie of strategieën, bedoeld in artikel 52c, tweede lid, gelet op de winning van de hoeveelheid gas die ten hoogste uit het Groningenveld benodigd is om eindafnemers van de hoeveelheid laagcalorisch gas te voorzien, de gevolgen van de winning uit het Groningenveld voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan zoveel mogelijk beperkt.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en op welke wijze de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, wordt verplicht de in de artikelen 129 en 131 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden:

De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens de artikelen 47, eerste lid, 48, eerste lid, en 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9, zijn gesteld met uitzondering van artikel 111, artikel 120, tweede lid, en artikel 111 in samenhang met artikel 121, en is bevoegd tot uitoefening van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 18.5a van de Omgevingswet.

Onze Minister kent een natuurlijke persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds, indien:

Vervallen

Vervallen

Als winningsplan als bedoeld in artikel 34 geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van opsporingsvergunningen, winningsvergunningen, milieuvergunningen of mijnbouwmilieuvergunningen als bedoeld in artikel 143 en ten aanzien van activiteiten die met gebruikmaking van die vergunningen worden verricht. De regels zijn gericht op een goede invoering van de wet ten aanzien van die vergunningen. De regels kunnen afwijken van de bij of krachtens de hoofdstukken 1 tot en met 5, 7 en 11 gestelde bepalingen, indien dit voor een goede invoering van de wet noodzakelijk is, gelet op de door die bepalingen beschermde belangen. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld omtrent het wijzigen of intrekken van beperkingen of voorschriften die op grond van artikel 143, derde of zevende lid, aan de vergunning zijn verbonden, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.

Een veiligheidszone ingesteld krachtens artikel 27 van de Mijnwet continentaal plat, en een toestemming verleend krachtens artikel 28 van die wet, worden beschouwd als een veiligheidszone en een ontheffing als bedoeld in artikel 43.

Voor de toepassing van artikel 66, eerste lid, wordt tot het resultaat niet gerekend afschrijving op de koopsom ter zake van een voor de inwerkingtreding van deze wet overgenomen winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat.

Voorzover als gevolg van afschrijving op niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet en voordat de winningsvergunning is verleend, het resultaat van een geconsolideerde winst- en verliesrekening aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde negatief is, wordt voor de toepassing van artikel 66, tweede en derde lid, het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.

In afwijking van artikel 69, derde lid, wordt het op het eerste boekjaar na inwerkingtreding van deze wet betrekking hebbende verrekenbare bedrag verkregen door het voor het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te passen op het saldo van:

Overeenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de door Onze Minister aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de houder van een opsporingsvergunning voor het voor hun gezamenlijke rekening verrichten van opsporingswerkzaamheden zijn overeenkomsten als bedoeld in artikel 81, onderdeel d.

Bepalingen in een voor de inwerkingtreding van deze wet gesloten overeenkomst, waarbij een partij zich jegens de staat verbindt om borg te staan voor de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst door de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of diens rechtsvoorganger, blijven buiten toepassing voorzover zij betrekking hebben op verplichtingen die zijn ontstaan op grond van deze wet.

De Mijnraad, ingesteld bij de wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196), wordt beschouwd als de Mijnraad, bedoeld in artikel 105. De besluiten die zijn genomen op grond van die wet gaan gelden als de overeenkomstige besluiten op grond van paragraaf 6.1.

De bijdrage, bedoeld in artikel 135, vierde lid, onderdeel a, is voor het eerst verschuldigd in het jaar dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van deze wet.

De wijziging van de bijlage bij deze wet bij wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een vergunning, die voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging is verleend.

Bij de instemming met het winningsplan voor het Groningenveld in 2018 op grond van artikel 34, neemt Onze Minister, in aanvulling op artikel 36, de bijzondere functie van het Groningenveld voor het kunnen voorzien van eindafnemers van de benodigde hoeveelheid laagcalorisch gas in acht.

Betalingen gedaan op grond van de tussen de Staat en de houder van de winningsvergunning Groningen op 28 september 2018 gesloten overeenkomst, die gelijk zijn aan de heffingen die de houder van de winningsvergunning Groningen verschuldigd is op grond van paragrafen 5.1.1.2 tot en met 5.1.1.4 van deze wet worden gezien als betalingen gedaan op grond van deze paragrafen. Afdeling 5.1.1. van deze wet is van overeenkomstige toepassing op deze betalingen.

Een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a beschouwd als een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte. Indien over een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen.

Een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a beschouwd als een toewijzing zoekgebied aardwarmte. De resterende looptijd van de opsporingsvergunning aardwarmte wordt geacht de looptijd van de toewijzing zoekgebied aardwarmte te zijn.

Een winningsvergunning aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020 waarvoor een instemming met een winningsplan aardwarmte is verleend, wordt met inbegrip van de instemming met het winningsplan en de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a beschouwd als een vervolgvergunning aardwarmte. De resterende looptijd van de winningsvergunning aardwarmte, of, indien dat korter is, de resterende looptijd van de instemming met het winningsplan, wordt geacht de looptijd van de vervolgvergunning aardwarmte te zijn.

Een winningsvergunning aardwarmte afgegeven na 1 januari 2020 waarvoor een instemming met een winningsplan aardwarmte is verleend, wordt met inbegrip van de instemming met het winningsplan en de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a beschouwd als een startvergunning aardwarmte. De resterende looptijd van de winningsvergunning aardwarmte of, indien dat korter is, de resterende looptijd van de instemming met het winningsplan, wordt geacht de looptijd van de startvergunning aardwarmte te zijn.

Een aanvraag voor het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor het opsporen of winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid als bedoeld in artikel 24, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a beschouwd als een aanvraag voor het nemen van een besluit omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 24c.

De Mijnbouwwet zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk 2a, blijft van toepassing op besluiten die zijn genomen voor inwerkingtreding van hoofdstuk 2a en die nog niet onherroepelijk zijn.

Artikel 86a geldt uitsluitend voor een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, die is verleend op basis van artikel 24d.

Wijzigt de Gaswet.

Wijzigt de Wet aardgasprijzen.

Wijzigt de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst.

Wijzigt de Grondwaterwet.

Wijzigt de Ontgrondingenwet.

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Wijzigt de Wet luchtvaart.

Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Wijzigt de Wet bodembescherming.

Wijzigt de Kernenergiewet.

Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik.

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

Wijzigt de Arbeidstijdenwet.

Wijzigt de Stoomwet.

Wijzigt de Wet arbeid mijnbouw Noordzee.

Wijzigt de Wet op de Gevaarlijke werktuigen.

Vervallen

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld omtrent mijnbouw en met mijnbouw verwante activiteiten.

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Mijnbouwwet.

De lijn, bedoeld in de artikelen 31d, tweede lid, 41, derde lid, 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, eerste lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):