Wijzigingen Officiële bron
Vaststellingsregeling Programma Transportbesparing (4e aanvraagperiode)Vaststellingsregeling Programma Transportbesparing (4e aanvraagperiode)De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2 van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002;

Besluit:

Vast te stellen het volgende Programma Transportbesparing (4e aanvraagperiode):

Dit programma zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,Roelf H. deBoer

Het Programma Transportbesparing is een programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer (SMEG). De bepalingen van de SMEG zijn van toepassing op de indiening en behandeling van de in het kader van dit programma in te dienen aanvragen, welke bepalingen op enige specifieke onderdelen in dit programma nader uitgewerkt zijn. Het Programma Transportbesparing is gericht op de in het NVVP, het Nationaal Milieubeleidsplan 4 en de Nota Milieu en Economie geformuleerde doelstelling van de regering om de milieubelasting door het goederenvervoer in de periode tot het jaar 2010 aanzienlijk te beperken. Het Programma Transportbesparing kent een looptijd van acht jaar (van 2000 tot en met 2007) en wordt opgedeeld in afzonderlijke aanvraagperioden. Dit betreft de vierde aanvraagperiode.

De afgelopen jaren is het goederenvervoer fors gestegen. Naar verwachting zal het ook de komende jaren toenemen. Dit leidt tot een vermindering van de bereikbaarheid en heeft negatieve effecten voor het milieu en de veiligheid. Op diverse manieren is geprobeerd om deze negatieve effecten te beperken of te verminderen. Transportbesparing onderscheidt zich van de andere beleidslijnen doordat het zich richt op het verminderen van de vraag naar goederenvervoer, zonder de economische ontwikkeling te beperken. Het betreft geen projecten op het gebied van logistieke efficiency.

De doelstellingen van het programma zijn:

De belangrijkste doelgroepen van dit programma zijn producenten, verladers en brancheorganisaties.

Ten behoeve van transportbesparing kunnen twee clusters van mogelijke maatregelen worden onderscheiden:

In de Staatscourant kan gedurende de looptijd van het programma melding worden gemaakt van uitsluiting van een van bovengenoemde clusters.

In dit programma wordt verstaan onder:

De Minister:

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Een samenwerkingsverband:

een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee natuurlijke personen of rechtspersonen, waarvan ten minste één een onderneming in stand houdt, niet zijnde een samenwerkingsverband waarvan de deelnemers te beschouwen zijn als behorend tot eenzelfde onderneming.

Een brancheorganisatie:

een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die blijkens zijn statuten als doel heeft het behartigen van de belangen van ondernemers die behoren tot eenzelfde bedrijfstak, of een samenhangend deel daarvan en die niet bedrijfsmatig werkzaam is.

Een groep:

een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden:

Voor subsidiëring op grond van dit programma komen in aanmerking:

De projecten worden voor eigen rekening en risico uitgevoerd. In het geval van een samenwerkingsverband worden de projecten voor eigen rekening en risico van elke deelnemer aan dit verband uitgevoerd.

Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking transportbesparingsprojecten in de zin van:

Het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken `Senter' is aangewezen als programmabeheerder als bedoeld in artikel 1 onder b van de SMEG en is door de Minister gemandateerd om dit programma uit te voeren.

Subsidieaanvragen voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten in het kader van de vierde tender van het Programma Transportbesparing moeten zijn ontvangen in de periode vanaf het moment van inwerkingtreding tot uiterlijk 1 mei 2003. Aanvragen kunnen worden ingediend bij: Senter, Postbus 30732, 2500 GS Den Haag.

Subsidieaanvragen voor kennisoverdrachtprojecten in het kader van de vierde tender van het Programma Transportbesparing dienen uiterlijk 1 oktober 2003 te zijn ontvangen. Aanvragen die niet tijdig ontvangen zijn, worden niet in behandeling genomen. De subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier dat bij Senter verkrijgbaar is. Ook nadere informatie over dit subsidieprogramma is verkrijgbaar bij Senter. Naast een plan van aanpak, hierna toegelicht, dienen ook alle overige bescheiden genoemd in het aanvraagformulier mede te worden opgestuurd.

Het plan van aanpak ten aanzien van elk van de drie soorten projecten bevat in ieder geval de hieronder bedoelde informatie.

De Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na afloop van de in artikel 4 genoemde indieningstermijn. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

De Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

Daarnaast wordt afwijzend beslist in de gevallen, bedoeld in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht.

Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Commissie Transportpreventie (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder 5 bedoelde gronden zijn afgewezen. De Minister kan de Commissie desgewenst vragen ook op overige zaken betreffende dit programma te adviseren.

De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. Overigens stelt de Commissie haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.

In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEG worden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem.

De Commissie rangschikt de aanvragen die voldoen aan de criteria van de SMEG en van dit programma zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:

De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen.

Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEG of dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.

Aanvragen voor kennisoverdrachtprojecten worden door de Minister beoordeeld. Conform artikel 8 eerste en tweede lid van de SMEG geldt hierbij het zogenaamde `wie het eerst komt, het eerst maalt'-principe. Als datum van ontvangst geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften voor indiening.

Ten einde voor honorering in aanmerking te komen, dient een kennisoverdrachtproject te passen binnen de doelstellingen van dit programma en in ieder geval ook te voldoen aan de volgende criteria:

Per deelproject gelden de volgende percentages:

Het subsidieplafond voor de vierde aanvraagperiode van het Programma Transportbesparing bedraagt € 1.000.000,- voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten gezamenlijk en € 400.000,- voor kennisoverdrachtprojecten.

Ten opzichte van de SMEG gelden de volgende afwijkende regels met betrekking tot rapportages, voorschotten en declaraties:

De subsidieontvanger geeft bij het uitvoeren van het transportbesparingsproject op de in de subsidiebeschikking aangegeven manier bekendheid aan het feit dat het project wordt uitgevoerd in het kader van het Programma Transportbesparing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De subsidieontvanger zal daarbij ingaan op de achtergronden en doelstellingen van het Programma Transportbesparing. Daarnaast zal de subsidieontvanger in het kader van de uitvoering van het Programma Transportbesparing medewerking aan de volgende zaken:

Voor de overige verplichtingen wordt verwezen naar de verplichtingen voortvloeiend uit de SMEG.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 10 februari 2003.