Wijzigingen Officiële bron
Verordening van het Productschap Diervoeder van 11 april 2003 inzake een nieuwe erkenningsregeling GMP diervoedersectorVerordening PDV certificatie GMP diervoedersector 2003Het bestuur van het Productschap Diervoeder:

Het bestuur van het Productschap Diervoeder:

Gelet op de artikelen 93 en 95 van de Wet op de bedrijfsorganisatie en de artikelen 2, 4 en 9 van de Instellingsverordening Akkerbouwproductschappen 1997;

Gelet op de noodzaak dat de diervoederketen de veiligheid van producten als voeding voor het dier en daarmee het dier en producten van het dier als voeding voor de mens zeker stelt

Gelet op de noodzaak om in dit kader een geloofwaardig en effectief kwaliteitscertificeringsysteem op te zetten voor de bedrijven in de diervoederketen, waarvan de normen en beheersmaatregelen mede adequate beoordeling en sanctionering kunnen worden gehandhaafd,

Besluit:

Den Haag11 april 2003J.H.M.KienhuisvoorzitterJ. denHartogsecretaris

Deze verordening neemt over de terminologie van de Richtlijnen 701524lEEG. 79/373EEG, 82/471/EEG, 90/167/EG, 92/117/EEG, 93/113/EG, 95/69/EG, 96/251/EEG, 2002/32/EG, enig nadere wettelijke regeling van de Europese Gemeenschap van toepassing voor de diervoedersector, en de Verordening PDV bevoegdheden en werkwijze organen en inrichting secretariaat 1999 en verstaat voorts onder:

Onverminderd de normen als bedoeld in artikel 1, onderdeel j., worden toevoegings- en diergeneesmiddelen, voormengsels, voedermiddelen en diervoeders waarin stoffen aanwezig zijn die kennelijk dienen om de aanwezigheid van andere stoffen te maskeren in het kader van de GMP-regeling als ondeugdelijk aangemerkt.

De ondernemer die de basiskwaliteit jegens zijn afnemers wil borgen overeenkomstig de GMP-regeling kan een erkenningscertificaat aanvragen.

Iedere deelnemer is gerechtigd de collectieve beeldmerken in een vertaalde versie in het Duits, Engels, Frans, Grieks, Italiaans of Spaans te gebruiken. De vertaalde beeldmerken moeten overeenkomen met de beeldmerken, afgebeeld in bijlage GMP15 bij deze verordening.

In aanvulling op de eigen geschillenregeling van de certificatie-instelling is op geschillen tussen deelnemers en certificatie-instellingen inzake het gebruik door de certificatieinstelling van zijn bevoegdheden ingevolge artikel 5, eerste lid en artikel 13, eerste lid, van toepassing het als bijlage GMP16 bij deze verordening opgenomen geschillenreglement.

De op de dag van inwerkingtreding van deze verordening bestaande erkenningen op grond van de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2000 blijven van kracht en erkenningen die vanaf 1 december 2002 tot de dag van inwerkingtreding zijn verlopen worden geacht te zijn verlengd met één jaar, onder voorwaarde dat de deelnemer vóór 1 augustus 2003 een overeenkomst met een geaccepteerde certificatie-instelling sluit voor uitvoering van een beoordeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid.

Deze verordening wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en treedt in werking met ingang van 1 juli 2003. Bij publicatie op of na 30 juni 2003 treedt deze verordening in werking op de tweede dag na publicatie en werkt terug tot en met 1 juli 2003.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening PDV certificatie GMP diervoedersector 2003.

De GMP-regeling diervoedersector is opgezet voor de handel in, productie van, op- en overslag van en transport van mengvoeders, voedermiddelen, voormengsels en toevoegingsmiddelen.

Het doel van de GMP-regeling is producten en diensten voort te brengen, op een wijze die in hoge mate waarborgt dat leveranciers van deze producten en diensten voldoen aan de eisen in wet- en regelgeving, verband houdende met de veiligheid voor mens, dier en milieu (basiskwaliteit) en aan de additionele eisen die overeengekomen zijn met de ketenpartijen in de dierlijke productieketen in het kader van IKB-regelingen van de vee-, vlees-, eieren- en KKM-regeling in de zuivelsector of aanvullende kwaliteitsregelingen.

Het zelf door de ondernemer, via een kwaliteitsborgingsysteem, aantoonbaar maken dat basiskwaliteit wordt gewaarborgd is de basis voor de integrale ketenbeheersing (IKB) in de veehouderijsectoren. Diervoeders, geleverd door GMP- gecertificeerde ondernemers, zijn een voorwaarde in IKB programma's voor de verschillende diersectoren.

De aandachtsvelden van basiskwaliteit in het kader van de GMP-regeling diervoedersector zijn het beheersen van:

Deze GMP-standaard is geformuleerd volgens de systematiek van de EN-ISO-9001:1994. De teksten van de ISO-9001 zijn aangepast door aanvullingen en beperkingen in de tekst te verwerken.

Specifieke voorschriften (op kritische punten) voor onderscheidenlijke activiteiten zijn opgenomen in aanvullende GMP-standaarden die complementair aan deze algemene code zijn. Producenten van en handelaren in mengvoeders, voormengsels en voedermiddelen en toevoegingsmiddelen dienen voor de op- en overslag- en transportactiviteiten die zij zélf uitoefenen bovendien te voldoen aan de bepalingen in de aanvullende GMP- standaarden voor op- en overslag respectievelijk transport.

De ondernemer dient aantoonbaar te maken dat alle verrichtingen die worden uitgevoerd en waarvoor een aanvullende GMP-standaard bestaat, aan de GMP-regeling voldoen. Indien een onderneming meerdere bedrijfseenheden heeft, dienen deze alle over een GMP-certificatie te beschikken, tenzij vanuit deze bedrijfseenheid geen producten of diensten aan veehouders in Nederland worden aangeboden dan wel afgeleverd.

Ook ingeval een ondernemer vanuit verschillende rechtspersonen op een zelfde locatie producten of diensten aanbiedt, dienen de verrichtingen van alle betreffende rechtspersonen onder de GMP-regeling gebracht te worden.

Deze GMP-standaard sluit aan bij de HACCP (Hazard Analyses of Critical Control Points) benadering. Bij HACCP worden alle schakels in het voortbrengingsproces geanalyseerd en worden de potentiële gevaren (hazards) voor productkwaliteit en -veiligheid geïdentificeerd en beschreven. Alle mogelijke risico's voor productkwaliteit en -veiligheid moeten adequaat via opgestelde procedures en instructies worden beheerst.

Alle elementen met betrekking tot de voortbrenging van diervoeder(middelen) die de veiligheid van mens, dier en milieu beïnvloeden, zijn geïnventariseerd en worden beheerst volgens de voorwaarden in deze code, middels kritieke beheersingspunten (CCP's) en punten van aandacht (PVA's).

Conform de HACCP-handleiding diervoedersector van het Productschap Diervoeder zijn alle schakels van het voortbrengingsproces geanalyseerd en zijn de potentiële gevaren (hazards) voor productkwaliteit en -veiligheid geïdentificeerd en beschreven. Alle mogelijke risico's voor productkwaliteit en -veiligheid moeten adequaat via opgestelde procedures en instructies worden beheerst. Deze verplichting geldt voor alle activiteiten waarop de GMP-regeling betrekking heeft, met uitzondering van transport.

Deze GMP-standaard is een onderdeel van de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2003, waarin de GMP-regeling diervoedersector is opgenomen. Het doel is te voldoen aan de eisen omtrent basiskwaliteit. Dit behelst de normen en voorschriften zoals vastgelegd in de diervoederwetgeving, aangevuld sectoraal afgesproken normen, vastgelegd in de GMP-regeling.

De normen en voorschriften die in het kader van deze GMP-standaard geborgd dienen te worden, zijn door het bestuur van het productschap bij of krachtens de GMP-regeling vastgesteld. Ondernemers buiten Nederland dienen aantoonbaar te voldoen aan de in dat land vigerende wetgeving en de aanvullende eisen in het kader van de GMP-regeling.

Voor het uitvoeren van de HACCP-risicobeoordeling dient het bedrijf de HACCP-Handleiding Diervoedersector (GMP20) als richtlijn te hanteren.

Voor de definitie van onderstaande termen wordt verwezen naar de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2003 en de EG-richtlijnen met betrekking tot diervoeders.

Er wordt tevens aangesloten bij de termen en definities van ISO 8402:1994.

Aanvullend zijn de volgende termen van toepassing:

De doelgroepen van deze GMP-standaard zijn: Ondernemers die mengvoeders, voormengsels, voedermiddelen toevoegingsmiddelen been verwerken, leveren aan derden, in de handel brengen, produceren, op- en overslaan, transporten of producten deze bestemming geven

De doelstelling van GMP-regeling is dat de productie, aflevering, op- en overslag en transport van mengvoeders, voedermiddelen, voormengsels en toevoegingsmiddelen aantoonbaar is geborgd, op een wijze dat de af te leveren producten voldoen aan de van toepassing zijnde wetgeving en normen.

De directie stelt haar kwaliteitsbeleid, inclusief HACCP, en haar betrokkenheid bij kwaliteit vast en legt het schriftelijk vast.

De directie levert het bewijs van haar betrokkenheid bij het realiseren van de kwaliteitsdoelstellingen. Zij doet dit in ieder geval

door:

De ondernemer is verplicht de onder c. bedoelde verklaring aan de certificatie-instelling te sturen.

Het kwaliteitsbeleid is gericht op productveiligheid en hygiëne van diervoeders en is afgestemd op de verwachtingen en behoeften van de afnemer. Er moet uit blijken dat de organisatie zich realiseert deel uit te maken van een voedselketen en passende maatregelen heeft genomen. De directie ziet toe op een correcte ontwikkeling, implementatie en onderhoud van het HACCP-systeem.

De reikwijdte en omvang van het HACCP- systeem moet worden aangegeven:

Het is in principe niet toegestaan een gedeelte van de voortbrenging van diervoeders op eenzelfde locatie van het HACCP-systeem uit te zonderen.

Verder sluit het kwaliteitsbeleid aan bij de afspraken die in het kader van ketenprogramma's zijn gemaakt. De directie bewerkstelligt dat dit beleid op alle niveaus van de organisatie wordt begrepen, geïmplementeerd en onderhouden.

De verantwoordelijkheden, de bevoegdheden en de onderlinge betrekkingen van personeel dat leiding geeft aan werk, het uitvoert of het verifieert, dat van invloed is op de basiskwaliteit moeten schriftelijk worden vastgelegd.

Dit geldt in het bijzonder voor personeel dat de organisatorische vrijheid en bevoegdheid nodig heeft om:

De vaststelling en vastlegging van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden dient in het kader van HACCP mede betrekking te hebben op het beheersen en borgen van de veiligheid van diervoeders.

De ondernemer legt de verantwoordelijkheidsstructuur vast in een organisatieschema.

Teneinde besmetting, kruisbesmetting en aantasting van kwaliteit van voortgebrachte producten te voorkomen draagt de ondernemer zorg voor bedrijfsruimten, installaties en gereedschappen: waarmee het risico van fouten wordt verlaagd; en die doeltreffend gereinigd en onderhouden kunnen worden

De ondernemer draagt zorg voor voldoende en gekwalificeerd personeel voor het leidinggeven, het uitvoeren van werkzaamheden en inspectieactiviteiten, waaronder interne kwaliteitsaudits.

De directie moet een lid van het eigen management aanwijzen die, ongeacht andere verantwoordelijkheden, duidelijk omschreven bevoegdheid moet hebben om:

De directie stelt een HACCP-team in voor het instandhouden van het HACCP-systeem.

Aantoonbaar moet zijn dat het HACCP-team over voldoende expertise van uiteenlopende disciplines beschikt of kan beschikken als dit nodig is voor het opstellen en onderhoud van het HACCP- systeem. Van de samenstelling van de HACCP- teams moet de organisatie de minimale criteria voor teamleden vastleggen.

Bovendien moeten de functie (inclusief taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden) en de vereiste expertise van de teamleden zijn vastgelegd. Bij meerdere HACCP-teams moet er een coördinator zijn die de verantwoordelijkheid heeft over de voortgang, een correcte totstandkoming en onderhoud van het HACCP-systeem.

De directie moet het kwaliteitssysteem minimaal één keer per jaar beoordelen op doeltreffendheid en of voldaan kan worden aan de eisen van deze norm. Registraties van dergelijke beoordelingen worden bijgehouden (zie 4.16).

De ondernemer moet een kwaliteitssysteem opzetten, schriftelijk vastleggen en onderhouden als middel om te bewerkstelligen dat producten of diensten aan de normen voor basiskwaliteit voldoen. De ondernemer stelt een kwaliteitshandboek op dat de eisen van deze norm dekt.

In dit kwaliteitshandboek wordt in het kader van HACCP de wijze aangegeven waarop de organisatie de veiligheid van diervoeders waarborgt, inclusief de procesbeheersingsplannen.

Het kwaliteitshandboek moet de procedures van het kwaliteitssysteem omvatten of ernaar verwijzen en de structuur van de documentatie, die in het kwaliteitssysteem is gebruikt, uiteen zetten.

De punten waarop wordt afgeweken van de voorschriften van de GMP-standaard zijn genoemd.

De procedures, die deel uitmaken van het kwaliteitssysteem, zijn afgestemd op de ingewikkeldheid van het werk en het niveau van het betrokken personeel.

Indien is afgeweken van de GMP-standaard, wordt aantoonbaar gemaakt dat door andere maatregelen de basiskwaliteit op minimaal gelijkwaardige wijze wordt gewaarborgd. In ieder geval kan niet worden afgeweken van de wettelijke voorschriften en de in het kader van de GMP- regeling vastgelegde normen.

In het bedrijf is een persoon aangewezen, die verantwoordelijk is voor de actualiteit, het beheer en de verspreiding het handboek.

Het bedrijf legt een kwaliteitsbeheersingsplan vast. In dit plan is schriftelijk vastgelegd hoe de kritische punten, in volgorde van het voortbrengingsproces, worden beheerst. Alle relevante controles en inspecties zijn hierin vastgelegd.

Bij het opstellen van het kwaliteitsbeheersingsplan is aandacht besteed aan:

Minimaal dient voldaan te worden aan de door het productschap gesteld eisen omtrent te controleren parameters en frequentie.

Het kwaliteitssysteem bevat minimaal de specificaties van af te leveren diervoeders, toevoegingen diergeneesmiddelen, voormengsels en/of voedermiddelen.

Per product of productgroep moet er een productbeschrijving zijn waaruit de gevoeligheid voor veiligheidsrisico's blijkt. De beschrijving met betrekking tot de veiligheid van het product, moet een reikwijdte hebben vanaf onder andere de toegepaste componenten waaruit het product wordt samengesteld (bijvoorbeeld voedermiddelen, toevoegingsmiddelen en voormengsels) waaruit het product wordt samengesteld tot en met de distributie.

In de productspecificaties dienen minimaal te zijn opgenomen:

De kenmerken van het product omvatten minimaal een beschrijving van:

De kenmerken voor het gebruik omvatten minimaal een beschrijving van :

Uit overwegingen van doelmatigheid mag worden gekozen voor het formeren van productgroepen. Belangrijk hierbij is dat:

Bij levering van eindproducten aan een veehouder wordt aangegeven op welke wijze hij de geleverde producten dient op te slaan, zodat bederf, microbiologische besmetting e.d. wordt voorkomen. Tevens wordt hierbij aangegeven wat de houdbaarheidstermijn is onder de te onderscheiden opslagcondities bij de veehouder.

De ondernemer draagt er zorg voor dat zijn producten en/of diensten aantoonbaar voldoen aan de normen ingevolge de GMP-regeling (GMP14).

De ondernemer dient te beschikken over alle relevante, wettelijk vereiste vergunningen, registraties en certificaties ingevolge de nationale en communautaire diervoederwetgeving.

Indien het transport van producten over de weg wordt verzorgd door een extern ingeschakeld transportbedrijf, dient dit bedrijf aantoonbaar aan de voorwaarden van de aanvullende GMP- standaard transport te voldoen. Vereist is dat deze transporteur beschikt over een certificaat. Uitgezonderd van de (certificatie-)voorwaarden ingevolge de GMP-regeling zijn extern ingeschakelde bedrijven die uitsluitend voor verpakte producten worden ingezet.

Indien de ondernemer opdracht verstrekt tot transport per binnenvaart, zeevaart of railvervoer zijn hiervoor de voorwaarden van GMP08a (binnenvaart), GMP08b (zeevaart) en GMP08c (railvervoer) van kracht.

In afwijking van het voorgaande is de opdrachtgever van transport van oliën en vetten en afgeleide producten voor rechtstreekse verwerking in diervoeder, dat aantoonbaar plaats vindt onder FOSFA-contract en waarbij de EU-1 lijst van aanvaardbare voorgaande ladingen bindend wordt gehanteerd, uitgesloten van verplichte certificatie voor GMP08B.

Voor het aanvaarden van een opdracht / bestelling wordt beoordeeld of deze aan de voorwaarden, bedoeld in par. 4.3.1 kan voldoen.

De ondernemer treft maatregelen en legt deze vast, opdat de bestelde producten worden (af)geleverd op de afgesproken plaats / silo.

Ten behoeve van tracering worden registraties van opdrachten en bestellingen van afnemers bewaard (zie 4.16).

Niet van toepassing

De ondernemer stelt een schriftelijk kwaliteitssysteem (GMP-handboek) op en legt dit vast om alle documenten en gegevens te beheren, die betrekking hebben op de van toepassing zijnde GMP-standaard.

Wijzigingen in de voor GMP relevante diervoederwetgeving' en/of GMP-regeling worden volgens een adequate werkwijze opgenomen in het kwaliteitssysteem.

Er is een procedure waarin de bevoegdheden zijn geregeld betreffende het goedkeuren en uitgeven van documenten en gegevens.

Voordat documenten en gegevens worden uitgegeven moeten deze door daartoe bevoegd personeel op geschiktheid zijn goedgekeurd.

Er is een procedure voor documentbeheer, die de geldende revisiestatus van documenten identificeert. Het doel hiervan is het gebruik van ongeldige en/of verouderde documenten te verhinderen. Dit kan een referentielijst zijn of een gelijkwaardig document.

Er is vastgelegd op welke wijze de actualisatie/beheersing van documenten voor dienstverleners, die van belang zijn voor de basiskwaliteit, is geregeld.

Elke pagina is voorzien van de datum van laatste wijziging.

Het beheer van het GMP-handboek moet bewerkstelligen dat:

Er is een procedure voor het wijzigen, aanpassen, aanvullen of herzien van de inhoud van het GMP- handboek. Deze procedure sluit aan op het gestelde in paragraaf 4.5.2.

Waar uitvoerbaar wordt de aard van de wijziging in het document geïdentificeerd.

De ondernemer heeft schriftelijk vastgelegde procedures om te bewerkstelligen dat met ingekochte producten aan de gespecificeerde eisen bedoeld in paragraaf 4.3 (basiskwaliteit) kan worden voldaan.

De ondernemer heeft aantoonbare afspraken met leveranciers en dienstverleners betreffende waarborging van de basiskwaliteit.

Minimaal dient voldaan te worden aan de specifieke aanvullende beheersmaatregelen in de andere GMP-standaarden, indien en voor zover van toepassing.

De ondernemer beschikt over geactualiseerde lijsten van toeleveranciers van producten en diensten die voor de realisatie van basiskwaliteit van belang zijn.

De ondernemer evalueert minimaal jaarlijks de toeleveranciers van producten en diensten. De evaluatie heeft betrekking op hun vermogen om te voldoen aan de gemaakte afspraken en de geschiktheid van de geleverde producten voor het realiseren van basiskwaliteit in de af te leveren producten of diensten.

Er zijn minimaal lijsten van toeleveranciers van producten (bijvoorbeeld voedermiddelen, hulpstoffen, voormengsels, toevoegingmiddelen, diergeneesmiddelen, diervoeders) en diensten (graanfactor, op- en overslag, transport, etc.)

Van bovenstaande evaluaties van toeleveranciers zijn registraties aanwezig (zie paragraaf 4.16).

Het GMP-handboek bevat minimaal specificaties van de te ontvangen diervoeders, voedermiddelen, voormengsels, toevoeging- en diergeneesmiddelen, en overige hulpstoffen indien van toepassing. Voordat nieuwe voedermiddelen, hulpstoffen of producten worden aangekocht, worden specificaties opgesteld en vrijgegeven door bevoegde personen. Deze specificaties zijn opgesteld op basis van een uitgevoerde risicobeoordeling van de producten.

De ondernemer heeft een deugdelijke administratie waarin is opgenomen:

Indien diervoeders, voedermiddelen en andere grond- en hulpstoffen door derden (transporteurs en graanfactors) worden ontvangen, zijn de afspraken om de basiskwaliteit van de aangekochte producten overeenkomstig de GMP-regeling te borgen schriftelijk vastgelegd.

Voedermiddelen, halffabrikaten, hulpstoffen en toevoegingmiddelen die door de afnemer worden aangeleverd voor verwerking in zijn producten, dienen aan een gelijke ontvangstcontrole onderworpen te zijn als de door de ondernemer aangekochte producten.

Diergeneesmiddelen worden verwerkt op attest van dierenartsen. De ondernemer ziet erop toe dat alleen wettelijk geregistreerde diergeneesmiddelen worden verwerkt volgens de aanwijzingen op verpakking.

De administratie van de ondernemer is zodanig dat afgeleverde producten traceerbaar zijn tot ontvangst van voedermiddelen, hulpstoffen, toevoegingmiddelen en diergeneesmiddelen. De mate van naspeurbaarheid ten behoeve van het kunnen traceren en terugroepen van producten wordt vastgelegd.

Het bestuur kan bij besluit nadere voorwaarden aan de naspeurbaarheid (tracking & tracing) stellen. De ondernemer is gehouden deze voorwaarden ten minste na te leven (GMP 27).

Registraties in dit kader worden bewaard (zie 4.16).

Het productie- en voortbrengingsproces is beschreven conform de reikwijdte van het systeem. Voor het beheersen van kritieke beheersingspunten zijn procedures en instructies opgesteld, voor het beheersen van de basiskwaliteit van de producten.

Er wordt minimaal voldaan aan de onder dit hoofdstuk beschreven punten, alsmede de aanvullende beheersmaatregelen in de andere bijlagen bij deze GMP-regeling indien van toepassing.

De beschrijving van het productie- en voortbrengingsproces is tenminste ook neergelegd in de vorm van processchema's en/of flowdiagrammen, waar van toepassing vanaf inkoop tot en met aflevering. Deze beschrijving is opgesteld en geverifieerd door het HACCP-team. In deze schema's wordt de wijze van beheersing van het proces uit oogpunt van veiligheid aangegeven. De schema's moeten alle relevante processtappen omvatten.

De verificatie van de processchema's moet bij elke wijziging in de processen herhaald worden, opdat wijzigingen en/of vernieuwingen in het voortbrengingsproces tijdig kunnen worden vastgelegd en beoordeeld m.b.t. de risico's over de productveiligheid. De uitvoering van de verificatie moet in een plan zijn vastgelegd.

De bedrijfsinrichting is zodanig dat verschillende producten niet onbedoeld met elkaar in contact kunnen komen, zodat kruisbesmetting of onbedoelde vermenging wordt voorkomen. De ruimtelijke indeling van opslag is zodanig dat aantoonbaar geen verwarring van verschillende producten kan plaatsvinden bij gebruik of aflevering. De productie-een heden, opslagruimtes en personele voorzieningen worden aangegeven in een plattegrond. Waar van toepassing wordt in de plattegrond aangegeven waar kruisbesmettingen mogelijk zijn.

De plattegrond moet bij wijzigingen aangepast worden. Dit moet geverifieerd worden. De uitvoering van de verificatie moet in een plan zijn vastgelegd.

Diervoeders, voedermiddelen, voormengsels, toevoegingmiddelen en diergeneesmiddelen dienen op hygiënische wijze opgeslagen te worden, zo-

danig dat geen microbiologische besmetting optreedt. Voorts dient de toename van het aantal micro-organismen tijdens opslag voorkomen te worden.

Bedrijfsruimten waarin voedermiddelen, mengvoeders, voormengsels, toevoegingmiddelen of diergeneesmiddelen zijn opgeslagen, zijn alleen toegankelijk voor de door de directie daartoe geautoriseerd personeel.

Er is een zodanige fysieke en organisatorische scheiding tussen producten, die enerzijds bestemd zijn voor de bereiding of aanwending in de diervoedersector én anderzijds afvalstoffen dat onderlinge vermenging is uitgesloten.

In bedrijfsruimten dienen maatregelen ter wering van vogels, huisdieren en ongedierte genomen te worden. Bij het aanwezig zijn van vogels en ongedierte worden maatregelen getroffen. Ook huisdieren dienen niet in bedrijfsruimten aanwezig te zijn.

Bij het toepassen van bestrijdingsprogramma's ter wering van vogels en ongedierte dienen, zowel uit oogpunt van veiligheid van werknemers, als uit oogpunt van kwaliteit van diervoeder acceptabele bestrijdingsmethoden en -middelen te worden gebruikt. De toegepaste bestrijdingsprogramma's dienen vastgelegd te zijn.

De organisatie (HACCP-team) moet de potentiële gevaren identificeren en analyseren van alle voortbrengingsprocessen.

Deze identificatie en gevaren analyse moet bij de juridische eigenaar van het product alle aspecten van het productieproces omvatten die de productveiligheid negatief kunnen beïnvloeden door (micro-) biologische, (bio-) chemische en fysische gevaren.

Bij dienstverlenende organisaties (niet-juridische eigenaar, maar houder/bezitter van het product) beperkt de gevaren analyse zich echter tot de uitgevoerde diensten.

In de analyse moeten alle aspecten betreffende het hele toepassingsgebied van het HACCP-plan worden beschreven.

Door de organisatie (HACCP-team) moet een risico beoordeling per geïdentificeerd gevaar worden uitgevoerd.

De resultaten van de risicobeoordelingen moeten vastgelegd worden, waarbij de basis/uitgangspunten waarop de risico's zijn gewogen/ingeschat aangegeven moet(en) zijn. Het bedrijf moet daarvoor acceptabele niveaus van de gevaren vaststellen en de normen moeten minimaal voldoen aan de wettelijke veiligheidseisen/normen. Bij de uitvoering van de risicobeoordeling moet, voor zover van toepassing, gebruik gemaakt worden van (praktische) ervaringen, experimentele gegevens, literatuur, etc.

Van elke soort aan te kopen dan wel te ontvangen product diervoeder, voedermiddel, voormengsels, toevoegingen diergeneesmiddel, en overige grond- en hulpstoffen die in de producten worden verwerkt dient een risicobeoordeling aantoonbaar beschikbaar te zijn.

Indien het een product betreft, waarvan geen risicobeoordeling in de Databank Risicobeoordeling Voedermiddelen van het productschap aanwezig is, dient de ondernemer eerst een risicobeoordeling aan het productschap aan te bieden voor opname in de bedoelde databank. Pas na opname door het productschap in de databank kan het product worden aangekocht dan wel worden ontvangen. Tevens dient het bij de certificerende instelling als hiervoor bedoeld te worden gemeld.

Er dienen beheersmaatregelen vastgesteld en vastgelegd te worden die naar aanleiding van de gevaren- en risico-beoordeling zijn of worden ingevoerd voor de eliminatie of reducering van risico's tot een aanvaardbaar/acceptabel niveau. Deze beheersmaatregelen moeten, voor zover van toepassing, zijn vastgelegd.

Door het HACCP-team moet een beoordeling zijn uitgevoerd van iedere processtap. De beoordeling van het team moet daarbij gebaseerd zijn op onder andere de expertise van de verschillende disciplines in het team en het gebruik van externe en interne informatie.

Per processtap moeten de aspecten aangegeven zijn waarop men beoordeeld heeft en er dient een motivering te worden weergegeven waaruit blijkt of er wel of niet sprake is van een CCP.

Aangegeven moet worden of een preventieve maatregel als kritiek beheersingspunt (CCP) moet worden beschouwd of als punt van aandacht (PVA) en of het in de verificatie-procedure moet worden opgenomen.

De ondernemer dient zodanige maatregelen vast te stellen en uit te voeren, dat een adequate bedrijfshygiëne wordt verzekerd. Bedrijfsreinigingsprogramma's dienen schriftelijk vastgelegd te zijn, waarbij methoden, frequentie) en tijdstippen zijn vermeld.

Productie- en opslagvoorschriften, die betrekking hebben op de kritische punten die van belang zijn om de vereiste microbiologische kwaliteit te realiseren, worden vastgesteld. Deze worden ter beschikking gesteld van het voor opslag van voedermiddelen en de productie van diervoeders verantwoordelijke personeel.

Alle protocollen, documenten, procedures en instructies in verband met de hygiënische productie van diervoeders dienen in het GMP-handboek te zijn opgenomen.

Per processtap moeten de van toepassing zijnde normen (streefwaarden) en toleranties (grenswaarden) worden vastgesteld en vastgelegd. Voor elk kritiek beheersingspunt (CCP) moeten de te meten en de te observeren parameters worden vastgesteld. Hieraan dienen de normen en toleranties te worden toegekend. Verder moet aangegeven zijn waaraan de waarden zijn ontleend en hoe de waarden zijn bepaald (gevalideerd).

Bij het vaststellen van deze streef- en grenswaarden moet worden voldaan aan relevante wet- of regelgeving. Deze waarden en/of uitkomsten van interne risico-beoordeling moeten worden beschouwd als (contractuele) verplichtingen. Er wordt daarvoor een passende werkwijze vastgesteld en bijgehouden met betrekking tot het beheer en de toepassing van de relevante normen en toleranties.

Alle benodigde inspecties en controles op de kritische punten in het voortbrengingsproces (vanaf grondstof tot eindproduct) en de vast te stellen registraties zijn in detail beschreven. Deze punten moeten worden gecontroleerd en geïnspecteerd, volgens de vastgelegde instructies.

Keuringen, controles en metingen worden uitgevoerd met behulp van geëigende methoden en apparatuur.

De wijze en frequentie van monstername en de uit te voeren analyses zijn gebaseerd op de risicobeoordelingen en worden vastgelegd, en zijn minimaal overeenkomstig de ingevolge de GMP- regeling vastgestelde voorwaarden en voorschriften m.b.t. monitoring.

Bij de in ontvangstname van producten vindt een ingangskeuring plaats.

Er vindt een verificatie plaats dat de te ontvangen producten voldoen aan de gestelde eisen, alsmede dat is voldaan aan de transporteisen.

Indien een te ontvangen partij van een product na keuring wordt geweigerd omdat niet voldaan wordt aan de normen ingevolge de GMP-regeling, stelt het bedrijf het productschap daarvan ingevolge de procedure als bedoeld in par. 4.14 onverwijld op de hoogte, zodat het productschap in staat is andere bedrijven en certificerende instellingen daarvan in kennis te stellen.

De ondernemer draagt er zorg voor dat:

De ondernemer draagt er zorg voor dat periodiek inspecties worden uitgevoerd op:

Producten mogen niet worden vrijgegeven voor aflevering tot alle activiteiten, die in het kwaliteitsbeheersingsplan zijn vastgelegd, naar tevredenheid zijn afgerond.

De resultaten van controles, metingen en inspecties worden vastgelegd in daarvoor ontwikkelde controle- en inspectieformulieren. Uit de registraties blijkt duidelijk wie de keuringen en beproevingen heeft uitgevoerd.

Indien monsters worden genomen, draagt de ondernemer zorg voor een adequate identificatie en bewaring van de monsters gedurende de passende periode.

Desgevraagd is hij gehouden om deze gegevens aan het productschap ter beschikking te stellen.

De ondernemer heeft schriftelijke procedures voor de beheersing, de kalibratie en het onderhoud van keurings-, meet- en beproevingsmiddelen die worden gebruikt om basiskwaliteit aantoonbaar te maken. Keurings-, meet- en beproevingsmiddelen worden gebruikt op een wijze die bewerkstelligt dat de vereiste meetcapaciteit is afgestemd op de meetonzekerheid.

De analyses met betrekking tot basiskwaliteit worden uitgevoerd door een ingevolge de GMP- regeling gecertificeerd laboratorium.

De ondernemer heeft vastgelegd welke laboratoria de voor de GMP-regeling relevante bepalingen uitvoeren.

De ondernemer draagt er zorg voor dat:

De keurings- en beproevingsstatus (vrijgave of blokkering) van producten is geïdentificeerd met behulp van passende middelen.

Producten die niet geschikt zijn voor aflevering, zijn voor iedereen duidelijk herkenbaar gemaakt.

De ondernemer heeft een schriftelijke procedure vastgelegd hoe omgegaan dient te worden met producten en/of diensten die niet voldoen aan de eisen in relatie met de basiskwaliteit, of door welke niet voldaan wordt aan de gestelde normen en eisen. Deze beheersing moet voorzien in identificatie, documentatie, evaluatie, scheiding (indien praktisch uitvoerbaar), afhandeling van producten met afwijkingen en in het op de hoogte stellen van de betrokkenen, zowel intern als extern.

De verantwoordelijkheid voor de beoordeling en de bevoegdheid voor de afhandeling van producten met afwijkingen moeten worden gedefinieerd.

Producten met afwijkingen moeten volgens (schriftelijk) vastgelegde procedures worden beoordeeld. Ze mogen:

Indien producten niet meer geschikt zijn als diervoeder(middel) dienen zij afgevoerd te worden naar een bestemming die in overeenstemming is met de bepalingen in de van toepassing zijnde wetgeving.

De ondernemer is verplicht om onverwijld, indien een product is afgeleverd, dat niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden m.b.t. veiligheid, deugdelijke handelskwaliteit (als bedoeld in artikel 2 van de Verordening PDV certificatie GMP diervoedersector 2003; GMP00) of de essentiële voorwaarden van de GMP-regeling, de volgende acties te ondernemen:

tenzij de ondernemer ten genoegen van de certificatie-instelling kan aantonen dat de tekortkoming zonder nadelige gevolgen is voor de gezondheid van dier en mens en waarbij de wettelijke normen niet worden overschreden.

De ondernemer stelt daartoe een protocol en een procedure vast.

Tenminste dient voldaan te worden aan de door het bestuur van het productschap gestelde eisen aan het protocol en de procedure voor het terughalen van producten.

De ondernemer heeft schriftelijk procedures vastgesteld en houdt deze bij voor corrigerende en preventieve maatregelen. De corrigerende en preventieve maatregelen zijn erop gericht te voldoen aan basiskwaliteit en de genoemde normen in paragraaf 4.3.

De ondernemer moet elke wijziging in de (schriftelijk) vastgelegde procedures die voortkomt uit corrigerende en preventieve maatregelen, implementeren en registreren.

De procedures voor corrigerende maatregelen houden in:

De procedures voor preventieve maatregelen houden in:

De ondernemer heeft een procedure voor het (vroeg)tijdig signaleren en behandelen van signalen, die er op duiden dat de veiligheid van een product niet in overeenstemming is met de wettelijke dan wel in de GMP-regeling vastgelegde normen, en die tot schade kan leiden voor afnemers in de keten. Op grond hiervan worden signalen beoordeeld, en desgewenst worden beheersmaatregelen genomen ter voorkoming of beheersing van het gesignaleerde gevaar. Dit laat onverlet dat er een meldingsplicht geldt voor overschrijding van wettelijk vastgestelde normen.

Indien het een potentieel gevaar is, dat niet door de betreffende onderneming beheerst kan worden en anderen (ook) kan schaden, is de ondernemer verplicht het productschap te informeren. Daarbij dient het door het bestuur van het productschap vastgestelde early warning protocol in acht te worden genomen.

De ondernemer heeft schriftelijk vastgelegde procedures en houdt deze bij voor behandeling, opslag, verpakking, conservering en aflevering van producten.

De wettelijke vermeldingen zijn duidelijk aangegeven op de verpakking of de begeleidende documenten.

De ondernemer moet in methoden van behandeling van het product voorzien die beschadiging of achteruitgang voorkomen.

Vermengen van verschillende producten (dus niet van partijen van hetzelfde product of producten die uit éénzelfde productieprocesgang1 komen) mag uitsluitend indien de betreffende ondernemer over een certificatie ingevolge de GMP-regeling voor de productie en handel van mengvoeders beschikt en de productspecificatie is opgenomen.

In afwachting van aflevering worden eindproducten opgeslagen in aangewezen opslagsilo's of opslagruimtes. Beschadiging of achteruitgang dient voorkomen te worden. Ter voorkoming van kruisbesmetting of onbedoelde vermenging in silo's en opslagruimtes, is de vrijgave van silo's eenduidig vastgelegd.

Om achteruitgang te ontdekken moet de toestand van producten die in voorraad zijn met geschikte tussenpozen worden beoordeeld.

De aflevering van buikproducten vindt plaats in droge schone transportmiddelen, zodat af te leveren partijen niet besmet raken. Als producten in zakgoed of anderszins verpakt worden afgeleverd, is de verpakking afgestemd op het beheersen van de normen voor basiskwaliteit.

De ondernemer heeft geschikte methoden voor conservering en scheiding van producten. Zie ook 4.15.3

Indien producten worden afgeleverd zijn de volgende maatregelen getroffen voor bescherming van de basiskwaliteit:

Wanneer de afnemer opdrachtgever is van het transport en de laadruimte voldoet niet aan bovengenoemde reinheidseis, legt de ondernemer dit ter beoordeling voor aan de afnemer, alvorens hij de belading laat starten. Van het oordeel van de afnemer wordt een registratie bijgehouden.

Bij franco leveringen treft de ondernemer maatregelen en legt deze vast die de zekerheid bieden dat de bestelde producten bij de betrokken afnemer worden afgeleverd, op de juiste opslagplaats/in de juiste silo.

Vochtrijke producten (m.u.v. technologische hulpstoffen) afkomstig van levensmiddelenbedrijven, fermentatiebedrijven en farmaceutische bedrijven die ingevolge de GMP-regeling gecertificeerd zijn, mogen slechts worden afgeleverd, indien deze producten rechtstreeks van een productiebedrijf naar een veehouderijbedrijf of naar een GMP - gecertificeerde mengvoederfabrikant worden getransporteerd. Onder rechtstreeks transport wordt ook verstaan collecterende tussenopslag van leveranties van hetzelfde oorspronkelijke productiebedrijf van hetzelfde product in silo's, tanks e.d. die door de ondernemer zelf worden beheerd. Vermenging tijdens tussenopslag of transport van verschillende (soorten) vochtrijke producten onderling of van hetzelfde vochtrijke product, afkomstig van verschillende productiebedrijven, is niet toegestaan, tenzij voldaan wordt aan het gestelde in 4.15.2.

De ondernemer heeft schriftelijk vastgelegd op welke wijze (kwaliteits) registraties worden geïdentificeerd, verzameld, geïndexeerd, gearchiveerd en opgeslagen.

Kwaliteitsregistraties worden bijgehouden om aan te tonen dat voldaan is/wordt aan de normen voor basiskwaliteit. Kwaliteitsregistraties worden zodanig opgeslagen en bewaard dat ze gemakkelijk terug te vinden zijn.

De resultaten van de inspecties en controles, alsmede de administratie en registratie met betrekking tot kritische punten worden minimaal drie jaren bewaard, tenzij in het kader van wettelijke of andere regelingen een langere bewaartermijn is vereist.

De ondernemer maakt ieder kwartaal een overzicht van de uitgevoerde analyses in het kader

van de controle op basiskwaliteit. Dit overzicht is beschikbaar voor het productschap.

De ondernemer heeft schriftelijke procedures vastgesteld voor het plannen en uitvoeren van interne audits. Het doel van deze audits is vast te stellen of het kwaliteitsysteem functioneert en aan de normen voor basiskwaliteit wordt voldaan.

Interne kwaliteitsaudits worden minimaal jaarlijks gepland en uitgevoerd door personeel dat onafhankelijk is van degenen die direct verantwoordelijk zijn voor de activiteit waarop de audit wordt uitgevoerd.

De resultaten van de audits worden geregistreerd en onder de aandacht gebracht van het personeel dat de verantwoordelijkheid draagt in het gebied waarop de audit wordt uitgevoerd. Ten aanzien van onvolkomenheden die gedurende de audit worden geconstateerd, moeten tijdig corrigerende maatregelen worden genomen. De implementatie en de doeltreffendheid van de genomen corrigerende maatregelen worden geverifieerd en geregistreerd.

Het personeel moet voldoende kennis en vaardigheden hebben voor de aan hen opgedragen taken in het kader van de realisering van basiskwaliteit. Er is een passende registratie van ervaring, vaardigheden en (benodigde) opleidingen van betrokken medewerkers.

Met betrekking tot HACCP geldt in het bijzonder dat concrete aandacht besteed wordt in het opleidingsplan aan het vergroten van kennis van en bewustzijn met betrekking tot veiligheid van diervoeders. Dit geldt minimaal voor alle leden van het HACCP-team, maar mogelijk ook voor ander uitvoerend personeel.

In ieder geval heeft het ter zake betrokken personeel voldoende kennis en vaardigheid om op hygiënische wijze producten te produceren, die bestemd worden tot diervoeder. De taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot hygiënische productie en microbiologische kwaliteit van diervoeder dienen schriftelijk en duidelijk kenbaar gemaakt te zijn.

Indien een ondernemer (voormengsels met) toevoegmiddelen en/of diergeneesmiddelen produceert, verhandelt, ontvangt, be- of verwerkt dient de vakbekwaamheid ter zake van het betrokken personeel op peil te worden gehouden. Voor de

verwerking van (voormengsels met) toevoeging- en/of diergeneesmiddelen zijn instructies beschikbaar gesteld. Het veilig werken (met voormengsels) met toevoeging- en diergeneesmiddelen dient zodanig te zijn vastgelegd dat het personeel hier goed kennis van kan nemen.

De ondernemer moet de behoefte aan statistische technieken identificeren die voor het vaststellen, beheersen en verifiëren van basiskwaliteit vereist zijn, voor zover deze niet in deze standaard genoemd zijn.

De ondernemer moet (schriftelijk) vastgelegde procedures vaststellen en bijhouden voor het implementeren en beheersen van de toepassing van de in 4.20.1 geïdentificeerde statistische technieken.

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling voor de producenten van en handelaren in mengvoeders op de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) De Algemene GMP- standaard diervoedersector (GMP01) is integraal van toepassing.

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een andere aanvullende GMP- standaard bestaat (b.v. voor op- en overslag, transport, of handel in voedermiddelen), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

-

-

-

Het kwaliteitsysteem voldoet aan de voorwaarden als vermeld in de algemene GMP- standaard voor de diervoedersector.

Het maximaal aanvaardbare verschil tussen gedeclareerd en geanalyseerd gehalte van toevoegings- en diergeneesmiddelen is vastgelegd. Deze dient minimaal aan de wettelijk vastgestelde tolerantie te voldoen.

Doel is dat een zodanig systeem wordt gehanteerd, dat aantoonbaar wordt voldaan aan de wettelijke eisen en de normen in de GMP-regeling en dat de handeling van mengvoeders op hygiënische wijze plaatsvindt, waardoor de microbiologische kwaliteit wordt beheerst.

-

-

Indien de ondernemer de mengvoeders niet zelf produceert, dienen deze betrokken te worden bij GMP-gecertificeerde bedrijven.

De ondernemer koopt uitsluitend voedermiddelen van leveranciers die gecertificeerd zijn, waarbij aantoonbaar op het moment van levering minimaal aan het volgende wordt voldaan:

Voedermiddelen2 die niet in eigen locatie worden op- en overgeslagen, zijn op- en overgeslagen bij GMP-gecertificeerde op- en overslagbedrijven.

Voormengsels met toevoegingmiddelen worden betrokken van een GMP-gecertificeerde voormengselleverancier.

Toevoegingsmiddelen, die rechtstreeks kunnen worden verwerkt in mengvoeders dienen door een GMP-gecertificeerde leverancier van toevoegingsmiddelen te worden geleverd3.

Diergeneesmiddelen die rechtstreeks kunnen worden verwerkt in mengvoeders in een dosering van minimaal 0,5 dan wel 2 kg per 1000 kg of meer, en rechtstreeks worden geleverd door de leverancier van diergeneesmiddelen behoeven niet door een GMP-gecertificeerde leverancier te worden geleverd4.

Indien voedermiddelen worden aangekocht die maximumnormen voor ongewenste stoffen en producten voor enkelvoudige vervoedering als bedoeld in Richtlijn 1999/29/EG inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding overschrijden, dan dient in aanvulling op de wettelijke voorschriften inzicht bij de mengvoederbereider aanwezig te zijn in het betreffende gehalte d.m.v. een controleprogramma, waarbij met betrekking tot de fysieke controle rekening kan worden gehouden met de informatie van de PDV-databank ongewenste stoffen en producten of een eigen databank.

Er dienen microbiologische criteria voor voedermiddelen vastgelegd te zijn, afhankelijk van het al dan niet ondergaan van een behandeling van voedermiddelen en/of diervoeder.

Wanneer mengvoeders worden geproduceerd waarbij geen behandeling om salmonella te reduceren wordt toegepast, dient de onder- nemer;

-

-

Bij de verwerking van voormengsels in meng- voeders dient zodanig te worden gewerkt dat de juiste toevoeging- en diergeneesmiddelen, in de juiste dosering, uniform, met een acceptabel niveau van versleping, in het juiste mengvoeder worden verwerkt.

Installaties voor de bereiding van mengvoeders dienen zo te zijn ontworpen en te functioneren dat:

Indien in een installatie toevoegingmiddelen en diergeneesmiddelen worden verwerkt, dient bekend te zijn welke mate van versleping optreedt. Dit dient getoetst te zijn met behulp van een door het productschap vastgestelde toetsingsprocedure.

Voormengsels dienen zodanig opgeslagen te zijn dat zij gemakkelijk geïdentificeerd kunnen worden en verwarring met andere voormengsels, toevoegingmiddelen, diergeneesmiddelen, en/of diervoeders uitgesloten wordt, en de uiterste verwerkingsdatum goed nageleefd kan worden.

In de opslagruimte dient een apart deel aanwezig te zijn voor de opslag van voormengsels.

Ingeval gebruik wordt gemaakt van doseersilo's voor voormengsels, dient bij het vullen van deze silo's:

Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd.

Afhankelijk van de mate van de versleping van de installatie, dient het verwerken van bepaalde toevoeging- en diergeneesmiddelen te worden aangepast (evt. niet gebruiken), zodanig dat nog wordt voldaan aan hetgeen voor de individuele middelen in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen (GMP21) is aangegeven.

In de productspecificaties dient de dosering van de te onderscheiden voormengsels met toevoeging- dan wel diergeneesmiddelen te zijn vastgelegd.

Voormengsels dienen aan de hoofdstroom van het mengvoeder te worden toegevoegd, zo dicht mogelijk bij of in de menger, maar na de hamermolen/het maalproces.

Bij toevoeging van het voormengsel aan het diervoeder dient een zodanig systeem van vergrendeling of signalering toegepast te worden, dat gewaarborgd is dat het bedoelde voormengsel in het bestemde mengvoeder terechtkomt, alsmede in de juiste hoeveelheid. Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd.

Het transport van voormengsels van oorspronkelijke verpakking dan wel opslagsilo

naar de weeg- en doseerapparatuur moet zodanig zijn dat de transportweg per voormengsel zoveel mogelijk is afgestemd op de te transporteren hoeveelheid.

De productievolgorde van mengvoeders met voor-mengsels dient zodanig te zijn, dat wordt voldaan aan de normen zoals aangegeven in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen (GMP21).

De productievolgorde dient vastgelegd te zijn in voorschriften zodanig dat bij het aanbieden van de mengvoederreceptuur aan de productie de productievolgorde in acht wordt genomen.

De gerealiseerde productievolgorde dient geadministreerd en gearchiveerd te worden.

De voormengsels dienen met daartoe geëigende weegapparatuur te worden gewogen. In alle gevallen moet de weegapparatuur makkelijk schoon te maken zijn.

De weegapparatuur dient wat betreft het weeg- vermogen afgestemd te zijn op de hoeveel- heden af te wegen product.

Van de weegapparatuur dient duidelijk te zijn aangegeven en vastgelegd:

Transport vanaf weegapparatuur naar menger: Er dient een zodanige beveiliging aangebracht te zijn, dat men er zeker van is dat al het afgewogen voormengsel inderdaad in het daar- voor bestemde diervoeder terecht is gekomen.

Het mengen van voormengsel in mengvoeder dient zo te geschieden, dat een uniforme ver- deling van de betreffende toevoeging- dan wel diergeneesmiddelen wordt verkregen binnen de door het productschap vastgestelde criteria.

Zowel de vullingsgraad van de menger, als de mengtijd dienen tussen vastgelegde minimum en maximum (volume)waarden te liggen, die afhankelijk zijn van het type menger. De mengtijd gaat pas in nadat alle voedermiddelen inclusief voormengsels in de menger zijn gestort.

Voor het mengen van voormengsels in mengvoeders dient gebruik gemaakt te worden van mengapparaten die zo zijn geconstrueerd, dat versleping lager is dan het maximum acceptabel niveau.

Voor mengers dient er een onderhouds-, controle- of inspectieschema vastgelegd te zijn, waarin frequentie en aard van de controles zijn opgenomen, bijvoorbeeld controle op slijtage, aankoeken, hoeveelheid achtergebleven materiaal, enz.

Transportsystemen voor meel dienen deugdelijk geaard te zijn om elektrostatische oplading van deeltjes te voorkomen.

Het gehele transportsysteem dient in verband met afzetting van product goed toegankelijk te zijn om te kunnen worden gereinigd. Er dient een protocol voor reiniging van het gehele transportsysteem vastgelegd en uitgevoerd te worden.

Voor transportsystemen dient er een inspectie- en onderhoudsschema vastgelegd te zijn, waar- in frequentie en aard van de inspectie- en onderhoudsbeurten vermeld en de bevindingen c.q. het verrichte onderhoud en de reparaties vastgelegd zijn.

Bij het pelleteren van mengvoeders dienen de condities afgestemd te worden op de stabiliteit van de verwerkte toevoeging- en diergeneesmiddelen, conform de verwerkingsadviezen zoals die door de leverancier van voormengsels zijn verstrekt. Deze condities dienen echter niet in strijd te zijn met de voorwaarden betreffende hygiënisch produceren.

Het omgaan met klopmeel afkomstig uit filters van pneumatische systemen van de installatie dient punt van aandacht te zijn voor de mengvoederbereider. Indien relevant dient een procedure te zijn vastgelegd op welke wijze hiermee omgegaan wordt om versleping van

toevoeging- en diergeneesmiddelen tegen te gaan.

De productie van mengvoeder dient zo te zijn ingericht dat retourstromen zoveel mogelijk worden beperkt. Het betreft hier zowel interne retourstromen (in de fabriek ontstaan), als externe retourstromen (retour geleverde mengvoeders).

(Interne) retourstromen dienen te worden terug- gevoerd in de charge of run waaruit ze afkomstig zijn. Als dit niet mogelijk is, dient vastgelegd te zijn in welke silo(cellen) (interne als ook externe) retourstromen van gekenmerkte diervoeders opgeslagen dienen te worden.

In een procedurevoorschrift dient vastgelegd te zijn welke retourproducten in welke voedersamenstellingen mogen worden opgenomen, alsmede in welk percentage zulks ten hoogste mag geschieden. Dit dient in ieder geval niet strijdig te zijn met de voorwaarden in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen (GMP21).

Van externe retourstromen dient de kwaliteit bekend te zijn. Men dient zich er van te vergewissen of dat dan niet vermenging of kruiscontaminatie op het externe bedrijf heeft plaatsgevonden. Voor het terughalen van mengvoeders dient een procedure te zijn vastgelegd.

Uit de dagelijks bij te houden administratie dient afgeleid te kunnen worden welke hoeveelheden retourproduct is verwerkt en in welke partijen (per voedersoort) dat is geschiedt.

Indien voedermiddelen worden verwerkt, die het gehalte aan ongewenste stoffen en producten zoals vermeld in Richtlijn 1999/29/EG inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding overschrijden, moet aantoonbaar zijn op welke wijze wordt geborgd dat de norm voor diervoeders in het te produceren mengvoeder niet wordt overschreden.

De mengvoederbereider dient van de ontvangen partij voormengsel/toevoegingmiddel vastgelegd te hebben:

De ondernemer dient periodiek controles door middel van microbiologisch onderzoek dan wel onderzoek naar parameters omtrent de microbiologische kwaliteit uit te voeren in de voedermiddelen (bij ontvangst of aankoop) en mengvoeders volgens een door hem zelf vastgestelde frequentie, die tenminste in overeenstemming zijn met de in de GMP- regeling vastgestelde minimum frequentie.

Indien het diervoeder geen salmonella reducerende behandeling in het productieproces ondergaat, dient het controleprogramma zodanig te zijn, dat de ondernemer inzicht heeft in de microbiologische kwaliteit van de voedermiddelen, en dat aantoonbaar de bedrijfshygiëne beheerst en de hygiënedoelstelling gerealiseerd wordt.

De ondernemer draagt zorg dat van iedere partij of, in geval van continu-productie, van elk bepaald productiegedeelte voldoende monsters worden genomen, die, met het oog op traceerbaarheid moeten worden bewaard.

-

-

Als een partij voedermiddelen niet voldoet aan de door de ondernemer gestelde microbiologische criteria, dan wordt deze partij uitsluitend in het bedrijf tot diervoeder verwerkt indien het realiseren van de doelstelling van de GMP-regeling door zonodig aangepaste behandeling haalbaar blijft. Hiervoor dient een bedrijfsinterne procedure opgesteld te zijn.

Wanneer adequate behandeling niet mogelijk is dient de betreffende partij voedermiddelen in een door het productschap gecertificeerd decontaminatiebedrijf gedecontamineerd te worden.

Opslagruimten waarin zich besmette partijen hebben bevonden dienen zodanig gereinigd te worden dat geen herbesmetting van volgende partijen kan plaatsvinden. Hiervoor dient een procedure vastgelegd te zijn, alsmede dienen het aanwezig zijn van besmette ruimten en de reiniging daarvan te worden geregistreerd.

Indien een thermische behandeling wordt ingezet om de hygiëne te beheersen dient bij een overschrijding van de actiegrens door het bedrijf actie te worden ondernomen om de oorzaak op te sporen en te werken aan bijstelling van het productieproces.

Bij een andere behandeling dan een thermische, dient bij het constateren van salmonella in eindproduct dient door het bedrijf actie te worden ondernomen om de oorzaak op te sporen en te werken aan bijstelling van het productieproces.

Bij het constateren van salmonella in voedermiddelen of eindproduct dient door het bedrijf actie te worden ondernomen om de oorzaak op te sporen. Op grond hiervan dienen voorts maatregelen te worden genomen. De genomen actie dient t.b.v. verificatie te worden vastgelegd.

Als de microbiologische kwaliteit van een voedermiddel niet voldoet aan de door het bedrijf dan wel in deze standaard hieraan gestelde beoordelingscriteria, dient de oorzaak te worden opgespoord en dient actie te worden ondernomen om de oorzaak weg te nemen. Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd. Van de actie dient zodanig aantekening en archivering plaats te vinden dat verificatie achteraf mogelijk is.

Indien een thermische behandeling wordt toegepast en het aantal Enterobacteriaceae van diervoeder per 1 gram meer is dan 1000 dient duidelijk te zijn welke actie door de ondernemer is genomen om de oorzaak hiervan op te sporen en welke actie is genomen om bedrijfsinrichting dan wel bedrijfsvoering aan te passen.

De productinformatie en -begeleiding dient hierbij zodanig te zijn dat het volgende in acht genomen kan worden door de veehouder:

Mengvoeders waarvan de houdbaarheidstermijn reeds voor een belangrijk deel is verstreken, dienen slechts afgeleverd te worden indien, al dan niet na overleg met de betreffende afnemer, de zekerheid bestaat dat het mengvoeder voor het verstrijken van de houdbaarheidstermijn wordt vervoederd.

Na de thermische behandeling tot het moment van aflevering van diervoeder dient geen herbesmetting (met salmonella) op te treden. In het bijzonder dient koeling, transport en opslag van gereed product en aflevering te worden beheerst.

Na deze behandeling tot het moment van aflevering van diervoeder dient geen herbesmetting (met salmonella) op te treden. In het bijzonder dient koeling, opslag en transport van gereed product en aflevering te worden beheerst.

-

-

-

De veehouder is zelf verantwoordelijk op welke wijze opslag en vervoedering op het veehouderijbedrijf plaatsvindt.

De veehouder is zelf verantwoordelijk voor het handhaven van de hygiënische kwaliteit van het voer op het veehouderijbedrijf na aflevering van het voer. Ten behoeve hiervan wordt aan de veehouder een zodanige productinformatie en begeleiding gegeven dat de veehouder de hygiënische kwaliteit van het diervoeder kan handhaven. In het bijzonder wordt aandacht gegeven aan de opslagvoorzieningen en -condities.

-

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling voor producenten van en handelaren in voormengsels op de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01). De algemene GMP- standaard diervoedersector (GMP01) is integraal ook van toepassing.

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een andere aanvullende GMP- standaard bestaat (b.v. voor op- en overslag, transport, of handel in voedermiddelen), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

Voor de definities van o.a. voormengsels en toevoegingsmiddelen wordt verwezen naar de diervoederwetgeving, met name EU-richtlijn 70/524 en EU-richtlijn 82/471

-

-

-

De ondernemer heeft het maximaal aanvaardbare verschil tussen gedeclareerd en geanalyseerd gehalte van toevoeging- en diergeneesmiddelen vastgelegd. Deze dienen minimaal aan de wettelijk vastgestelde toleranties te voldoen.

-

-

Indien voormengsels niet zelf worden geproduceerd, dienen deze betrokken te worden bij GMP03-gecertificeerde bedrijven.

Onder staande bepalingen gelden voor de aankoop van

De ondernemer koopt de hiervoor genoemde producten uitsluitend van leveranciers die gecertificeerd zijn, waarbij aantoonbaar op het moment van levering minimaal aan het volgende wordt voldaan:

Onder staande bepalingen gelden voor de aankoop van

Voorafgaand aan de aankoop voert de ondernemer zelf een op HACCP-principes gebaseerde risicobeoordeling van de bedoelde producten uit. Op basis van deze risicobeoordeling én de kwaliteitsborging, die de leverancier van het product toepast, maakt de ondernemer een leveranciersselectie en stemt hij zijn ingangscontrole daarop af.

Indien de normen voor grond- en hulpstoffen ingevolge de GMP-regeling wijzigen, gelden deze voor alle nieuwe aankopen op het moment van de inwerkingtreding ervan. Voor lopende contracten geldt (met uitzondering van de wettelijke eisen) een uitzondering, onder voorwaarde dat deze ten genoegen van het productschap en onverwijld en ten allen tijde kunnen worden getoond en waarbij de maximale looptijd van 8 maanden niet wordt overschreden.

-

-

Bij de verwerking van toevoeging- en diergeneesmiddelen in voormengsels dient zodanig te worden gewerkt dat de juiste toevoeging- en diergeneesmiddelen, in de juiste dosering, uniform, met een acceptabel niveau van versleping, in het juiste voormengsel worden verwerkt.

Installaties voor de bereiding van voormengsels dienen zo te zijn ontworpen en te functioneren dat:

Indien in een installatie toevoegingmiddelen en diergeneesmiddelen worden verwerkt dient bekend te zijn welke mate van versleping optreedt. Dit dient getoetst te zijn met behulp van een door het productschap vastgestelde toetsingsprocedure.

Voormengsels dienen zodanig opgeslagen te zijn dat zij gemakkelijk geïdentificeerd kunnen worden en verwarring met andere voormengsels, toevoegingsmiddelen, diergeneesmiddelen, en/of diervoeders uitgesloten wordt en de tijdige aflevering i.v.m. de uiterste verwerkingsdatum gerealiseerd kan worden.

In de opslagruimte dient een apart deel aanwezig te zijn voor de opslag van toevoeging- en diergeneesmiddelen.

Producten die niet in eigen locatie worden op- en overgeslagen, zijn op- en overgeslagen bij GMP-gecertificeerde op- en overslagbedrijven.

Indien op- en overslag niet in een GMP- gecertificeerde bedrijfseenheid plaatsvindt, dient de ondernemer zelf maatregelen vast te leggen en uit te voeren, die gelijkwaardige waarborgen omtrent de kwaliteit van voedermiddelen jegens zijn afnemers bieden.

Afhankelijk van de mate van de versleping van de installatie dient het verwerken van toevoeging- en diergeneesmiddelen te worden aangepast (evt. niet gebruiken), zodanig dat nog wordt voldaan aan hetgeen voor de individuele middelen in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen is aangegeven.

In de productspecificaties dient de dosering van de te onderscheiden toevoeging- dan wel dier- geneesmiddelen te zijn vastgelegd.

Het transport van toevoeging- en diergeneesmiddelen van oorspronkelijke verpakking of op- slagsilo naar de weeg- en doseerapparatuur moet plaatsvinden met geëigende transportmiddelen. Ingeval gebruik wordt gemaakt van doseersilo's voor toe-voegingmiddelen, dient bij het vullen van deze silo's;

Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd.

Bij toevoeging van het toevoeging- en diergeneesmiddelen aan het voormengsel dient een zodanig systeem van vergrendeling of signalering toegepast te worden, dat gewaarborgd is dat het bedoelde toevoeging- of diergeneesmiddel in het bestemde voormengsel terechtkomt, alsmede in de juiste hoeveelheid. Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd.

De productievolgorde van voormengsels dient zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de nor- men zoals aangegeven in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen.

De productievolgorde dient vastgelegd te zijn in voorschriften zodanig dat bij het aanbieden van de receptuur aan de productie de productievolgorde in acht wordt genomen.

De gerealiseerde productievolgorde dient geadministreerd en gearchiveerd te worden.

De toevoeging- en diergeneesmiddelen dienen met daartoe geëigende weegapparatuur te worden gewogen. In alle gevallen moet de weegapparatuur makkelijk schoon te maken zijn.

De weegapparatuur dient wat betreft het weegvermogen afgestemd te zijn op de hoeveelheden af te wegen product.

Van de weegapparatuur dient duidelijk te zijn aangegeven en vastgelegd:

Transport vanaf weegapparatuur naar menger: Er dient een zodanige beveiliging aangebracht te zijn, dat men er zeker van is dat al de afgewogen toevoeging- en/of diergeneesmiddelen inderdaad in het daarvoor bestemde voormengsel terecht is gekomen.

Het mengen van toevoeging- en diergeneesmiddelen in een voormengsel dient zo te geschieden, dat een uniforme verdeling van de betreffende toevoeging- dan wel diergeneesmiddelen wordt verkregen binnen de door het productschap vastgestelde criteria.

Zowel de vullingsgraad van de menger, als de mengtijd dienen tussen vastgelegde minimum en maximum (volume)waarden te liggen, die afhankelijk zijn van het type menger. De mengtijd gaat pas in nadat alle voedermiddelen inclusief de toevoeging- en/of diergeneesmiddelen in de menger zijn gestort.

Voor het bereiden van voormengsels dient gebruik gemaakt te worden van mengapparaten die zo zijn geconstrueerd dat versleping lager is dan het maximum acceptabel niveau.

Voor mengers dient er een onderhoud-, controle- of inspectieschema vastgelegd te zijn, waarin frequentie en aard van de controles zijn vastgelegd, bijvoorbeeld controle op slijtage, aankoeken, hoeveelheid achtergebleven materiaal, enz.

Transportsystemen voor meel dienen deugdelijk te zijn geaard om elektrostatische oplading van deeltjes te voorkomen.

Het gehele transportsysteem dient in verband met afzetting van product goed toegankelijk te zijn om te kunnen worden gereinigd. Er dient een protocol voor reiniging van het gehele transportsysteem te worden vastgelegd en uitgevoerd.

Voor transportsystemen dient er een vastgelegd inspectie- en onderhoudsschema te zijn waarin frequentie en aard van de inspectie- en onderhoudsbeurten zijn vermeld en de bevindingen c.q. het verrichte onderhoud en de reparaties zijn vastgelegd.

Het omgaan met klopmeel afkomstig uit filters van pneumatische systemen van de installatie dient punt van aandacht te zijn. Indien mogelijk dient een procedure te zijn vastgelegd op welke wijze hiermee omgegaan wordt om versleping van toevoeging- en diergeneesmiddelen tegen te gaan.

De productie van voormengsel dient zo te zijn ingericht dat retourstromen zoveel mogelijk worden beperkt. Het betreft hier zowel interne retourstromen (binnen de installatie ontstaan), als externe retourstromen (retour geleverde voormengsels).

(Interne) retourstromen dienen te worden teruggevoerd in de charge of run waaruit ze afkomstig zijn. Als hetgeen genoemd dit niet mogelijk is, dient vastgelegd te zijn in welke silo(cellen) (interne als ook externe) retourstromen van gekenmerkte voormengsels opgeslagen dienen te worden.

In een procedurevoorschrift dient vastgelegd te zijn welke retourproducten in welke voormengselsamenstellingen mogen worden opgenomen, alsmede in welk percentage zulks ten hoogste mag geschieden. Dit dient in ieder geval niet strijdig te zijn met de voorwaarden in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen.

Retourstromen mogen alleen in voormengsels voor doeldieren worden toegevoegd.

Van externe retourstromen dient de kwaliteit bekend te zijn. Men dient zich er van te vergewissen of al dan niet vermenging of kruiscontaminatie op het externe bedrijf heeft plaatsgevonden. Voor het terughalen van voormengsels dient een procedure te zijn vastgelegd.

Uit de dagelijks bij te houden administratie dient afgeleid te kunnen worden welke hoeveelheden retourproduct is verwerkt, en in welke partijen (per voormengselsoort) dat is geschiedt.

De voormengselbereider dient van de ontvangen partij toevoeging- en/of diergeneesmiddel vastgelegd te hebben:

Bij de ontvangst van toevoeging- en diergeneesmiddelen dient iedere verpakkingseenheid te worden gecontroleerd op beschadigingen en op de juiste wijze aangebrachte aanduidingen op het etiket of het begeleidend document.

Het gestelde in de voorgaande alinea's geldt voor de handelaar voor de te ontvangen voormengsels.

De ondernemer draagt zorg dat van iedere partij of, in geval van continu-productie, van elk bepaald productiegedeelte voldoende monsters worden genomen, die, met het oog op traceerbaarheid moeten worden bewaard.

-

-

-

-

De productinformatie en -begeleiding dient zodanig te zijn, dat de mengvoederbereider goed in staat is om bij haar afnemers/veehouders te bewerkstelligen dat veehouders het volgende in acht kunnen nemen:

De geleverde kwaliteit voldoet aan de door de mengvoederbereider gehanteerde en met de voormengselbereider afgesproken normspecificatie.

Gegevens met betrekking tot veilig werken met de voormengsels en (aanvullende) gebruiksaanwijzingen worden expliciet al dan niet (verplicht) op het etiket aangegeven.

De voor vermelding relevante bepalingen die bij registratie en/of in de lijst met gekende toevoeging- en diergeneesmiddelen van de toevoeging- en diergeneesmiddelen zijn aangegeven dienen expliciet al dan niet op het etiket te zijn aangegeven.

-

-

-

-

-

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling voor producenten van voedermiddelen op de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01). De algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) is integraal ook van toepassing.

Het gaat om voedermiddelen bestemd voor aflevering aan:

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een aanvullende GMP-standaard bestaat (b.v. voor op- en overslag, transport, of handel of productie mengvoeders), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

N.B. Tot februari 2003 was er een speciale GMP-standaard Voedervetten. Met ingang van februari is deze speciale GMP-standaard Voedervetten komen te vervallen en zijn de voorwaarden uit GMP04 resp. GMPO ook van toepassing op producenten en handelaren van voedervetten. Dit betekent niet dat voedervetten niet meer als een kritische grondstof beschouwd wordt. Nieuwe wetgeving (o.a Verordening 1774/2002) en aanscherpte GMP- standaarden GMP04 en GMP05 bevatten echter inmiddels voldoende waarborgen voor een adequate borging van kwaliteit en veiligheid van voedervetten, zodat een aparte GMP- standaard Voedervetten niet meer nodig is. De tekst van de 'oude' GMP-standaard Voedervetten bevat echter nog veel waarde- volle (achtergrond)informatie en specifieke verduidelijkingen met betrekking tot voeder- vetten en is daarom als zodanig opgenomen in GMP28.

-

-

-

-

Voedermiddelen dienen in principe niet met elkaar vermengd te geraken. Voor die gevallen waarin vermenging toch plaatsvindt, dient te zijn vastgelegd in welke mate voedermiddelen met elkaar vermengd mogen geraken.

Doel is dat een zodanig systeem wordt gehanteerd, dat aantoonbaar wordt voldaan aan de wettelijke eisen en de normen in de GMP-regeling en dat de handeling van diervoeders op hygiënische wijze plaatsvindt, waardoor de microbiologische kwaliteit wordt beheerst.

De hygiëne paragrafen in deze GMP-standaard hebben betrekking op alle geproduceerde en/of verhandelde voedermiddelen.

-

-

De ondernemer koopt uitsluitend voedermiddelen van leveranciers, waarbij aantoonbaar op het moment van levering minimaal aan het volgende wordt voldaan:

Indien de ondernemer voedermiddelen van een leverancier in het buitenland afneemt die niet aan het voorgaande voldoet, dient de leverancier gecertificeerd te zijn volgens GMP13.

Het productschap is gerechtigd de namen van de leveranciers, die voldoen aan de GMP- voorwaarden als hiervoor bedoeld, te publiceren.

Indien de normen voor voedermiddelen ingevolge de GMP-regeling wijzigen, gelden deze voor alle nieuwe aankopen op het moment van de inwerkingtreding ervan. Voor lopende contracten geldt (m.u.v. wettelijke eisen) een uitzondering onder voorwaarde dat deze ten genoegen van het productschap en onverwijld en te allen tijde kunnen worden getoond en waarbij de maximale looptijd van 8 maanden niet wordt overschreden.

Indien de ondernemer mengsels van voedermiddelen aflevert, maar deze niet zelf produceert, dienen deze uitsluitend betrokken en/of geproduceerd te zijn bij een GMP- gecertificeerd bedrijf (volgens GMP02).

Er dienen uitsluitend voedermiddelen betrokken te worden van toeleveranciers die waarborgen dat voedermiddelen worden geleverd, die geen hoger gehalte aan contaminanten bevatten dan de door het bedrijf (o.b.v. de risicobeoordeling) vastgestelde normen. De vastgestelde normen moeten minimaal voldoen aan de normen voor ongewenste stoffen en producten in voedermiddelen zoals opgenomen in de diervoederwetgeving en de in het kader van deze GMP-regeling vastgestelde normen (GMP14).

Er dienen microbiologische criteria voor voedermiddelen te zijn vastgelegd, afhankelijk van het al dan niet ondergaan van een behandeling van voedermiddelen.

Wanneer geen behandeling wordt toegepast, dient de ondernemer voorts:

-

-

-

Op- en overslag dient plaats te vinden in een GMP-gecertificeerde bedrijfseenheid.

Indien op- en overslag bij een buitenlandse bedrijfseenheid plaatsvindt die niet aan het voorgaande voldoet, dan dient de ondernemer gecertificeerd te zijn volgens GMP06/GMP13.

Indien dit niet het geval is, dient de ondernemer zelf maatregelen vast te leggen en uit te voeren, die gelijkwaardige waarborgen omtrent de kwaliteit van voedermiddelen jegens zijn afnemers bieden.

Er dienen geen voedermiddelen tot diervoeder te worden bestemd die voorkomen op de lijst van verboden voedermiddelen of anderszins bij of krachtens de GMP-regeling voor verwerking in diervoeders zijn uitgesloten.

De hulpstoffen en reinigingsmiddelen dienen geïnventariseerd te worden en beoordeeld op hun gevolgen voor de veiligheid voor mens, dier en milieu.

Ingeval van productie dient er een procedure aanwezig te zijn voor de reiniging van opslagruimten en de vrijgave voor het opnieuw hierin opslaan van voedermiddelen.

De ondernemer dient periodiek controles door middel van microbiologisch onderzoek of onderzoek naar parameters omtrent de microbiologische kwaliteit uit te voeren in de voedermiddelen (bij ontvangst of aankoop) volgens een door hem zelf vastgestelde frequentie, die tenminste in overeenstemming zijn met de krachtens de GMP-regeling diervoedersector vastgestelde minimum frequentie.

De controlefrequentie is afhankelijk van de aard van de producten en het productieproces, de omvang van de productie en van de resultaten van de inspecties en controles.

Indien het diervoeder geen salmonella reducerende behandeling in het productieproces ondergaat, dient het controleprogramma zodanig te zijn, dat de ondernemer inzicht heeft in de microbiologische kwaliteit van de voeder- middelen, en dat aantoonbaar de bedrijfshygiëne beheerst en de hygiënedoelstelling gerealiseerd wordt.

Als een partij voedermiddelen niet voldoet aan de door de ondernemer gestelde microbiologische criteria, dan wordt deze partij uitsluitend in het bedrijf tot diervoeder bestemd, indien het realiseren van de doelstelling van de GMP-regeling door zonodig aangepaste behandeling haalbaar blijft. Hiervoor dient een bedrijfsinterne procedure opgesteld te zijn.

Het productschap kan hiervoor bij besluit richtlijnen voorschrijven.

Wanneer adequate behandeling niet mogelijk is dient de betreffende partij voedermiddelen in een door het productschap gecertificeerd decontaminatiebedrijf gedecontamineerd te worden.

Opslagruimten waarin zich besmette partijen hebben bevonden dienen zodanig gereinigd te worden dat geen herbesmetting van volgende partijen kan plaatsvinden. Hiervoor dient een procedure vastgelegd te zijn, alsmede dienen het aanwezig zijn van besmette ruimten en de reiniging daarvan te worden geregistreerd.

Bij het constateren van salmonella in voedermiddelen of eindproduct dient door het bedrijf actie te worden ondernomen om de oorzaak op te sporen.

Op grond hiervan dienen voorts maatregelen te worden genomen m.b.t. terugdringen van salmonella besmetting en dient eventueel het aankoopbeleid bijgesteld te worden. De genomen actie dient t.b.v. verificatie te worden vastgelegd.

Ingeval salmonella wordt waargenomen dient duidelijk te zijn welke actie door het bedrijf is genomen om de oorzaak op te sporen en welke actie is ondernomen om de bedrijfsinrichting dan wel bedrijfsvoering aan te passen.

Van deze actie dient zodanig aantekening en archivering plaats te vinden dat verificatie achteraf mogelijk is.

Als de microbiologische kwaliteit van een voedermiddel niet voldoet aan de door het bedrijf dan wel in de GMP-regeling hieraan gestelde beoordelingscriteria, dient de oorzaak te worden opgespoord en dient actie te worden ondernomen om de oorzaak weg te nemen. Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd. Van de actie dient zodanig aantekening en archivering plaats te vinden dat verificatie achteraf mogelijk is.

Na een behandeling van voedermiddel tot aflevering dient geen herbesmetting (met salmonella) op te treden.

-

-

-

Opslag door de afnemer: Aangegeven dient te worden op welke wijze de afnemer de geleverde producten dient op te slaan zodat bederf, microbiologische besmetting e.d. wordt voorkomen.

Aangegeven dient te worden wat de houdbaarheidstermijn is onder de te onderscheiden opslagcondities bij de afnemer.

-

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling voor handelaren in voedermiddelen op de al- gemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) De algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) is integraal ook van toe- passing.

Het gaat om voedermiddelen bestemd voor aflevering aan:

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een aanvullende GMP-standaard bestaat (b.v. voor op- en overslag, transport, of handel of productie mengvoeders), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

N.B. Tot februari 2003 was er een speciale GMP-code Voedervetten. Met ingang van februari is deze speciale GMP-code Voedervetten komen te vervallen en zijn de voorwaarden uit GMP04 resp.GMP05 ook van toepassing op producenten en handelaren van voedervetten. Dit betekent niet dat voedervetten niet meer als een kritische grondstof beschouwd wordt. Nieuwe wetgeving (o.a Verordening 1774/2002) en aanscherpte GMP-codes GMP04 en GMP05 bevatten echter inmiddels voldoende waarborgen voor een adequate borging van kwaliteit en veiligheid van voedervetten, zodat een aparte GMP-code Voedervetten niet meer nodig is. De tekst van de 'oude' GMP-code Voedervetten bevat echter nog veel waardevolle (achtergrondinformatie en specifieke verduidelijkingen met betrekking tot voedervetten en is daarom als zodanig opgenomen in GMP28.

-

-

-

Het is de leverancier van voedermiddelen toegestaan om voedermiddelen in het verkeer te brengen waarop de GMP-regeling niet van toepassing is, mits hij beschikt over schriftelijke procedures om te waarborgen dat aan GMP- gecertificeerde ondernemers uitsluitend volgens GMP04/GMP05/GMP13 geborgde voedermiddelen worden geleverd. Dit is alleen van toepassing op leveranciers die alleen handel in voedermiddelen plegen, zonder andere activiteiten m.b.t. be- en verwerking, productie en op- en overslag

Voedermiddelen dienen in principe niet met elkaar vermengd te geraken. Voor die gevallen waarin vermenging toch plaatsvindt, dient te zijn vastgelegd in welke mate voedermiddelen met elkaar vermengd mogen geraken.

Doel is dat een zodanig systeem wordt gehanteerd, dat aantoonbaar wordt voldaan aan de wettelijke eisen en de normen in de GMP-regeling en dat de handeling van diervoeders op hygiënische wijze plaatsvindt, waardoor de microbiologische kwaliteit wordt beheerst.

De hygiëne paragrafen in deze GMP-standaard hebben betrekking op alle verhandelde voedermiddelen.

-

De leverancier maakt in zijn administratie een duidelijk en aantoonbaar onderscheid tussen de GMP04/GMP05/GMP13 -geborgde voedermiddelen en de niet- GMP04/GMP05/GMP13 - geborgde voedermiddelen

De ondernemer koopt uitsluitend voedermiddelen van leveranciers, waarbij aantoonbaar op het moment van levering minimaal aan het volgende wordt voldaan:

De leverancier is een GMP-gecertificeerde handelaar in of producent van voedermiddelen (GMP04/GMP05).

De leverancier, zijnde een akkerbouwer, is een GMP-gecertificeerde teler ingevolge de GMP- standaard teelt van voedermiddelen (GMP11), of volgens een daarmee door het productschap verklaarde uitwisselbare kwaliteitsstandaard.

Indien de ondernemer voedermiddelen van een leverancier in het buitenland afneemt die niet aan het voorgaande voldoet, dient de leverancier gecertificeerd te zijn volgens GMP13.

Het productschap is gerechtigd de namen van de leveranciers die voldoen aan de GMP- voorwaarden als hiervoor bedoeld te publiceren.

Indien de normen voor voedermiddelen ingevolge de GMP-regeling wijzigen, gelden deze voor alle nieuwe aankopen op het moment van de inwerkingtreding ervan. Voor lopende contracten geldt (m.u.v. wettelijke eisen) een uit- zondering onder voorwaarde dat deze ten genoegen van het productschap en onverwijld en te allen tijde kunnen worden getoond en waarbij de maximale looptijd van 8 maanden niet wordt overschreden.

Indien de ondernemer mengsels van voedermiddelen verhandelt, dienen deze uitsluitend

betrokken en/of geproduceerd te zijn bij een GMP-gecertificeerd bedrijf (volgens GMP02).

Er dienen uitsluitend voedermiddelen betrokken te worden van toeleveranciers die waarborgen dat voedermiddelen worden geleverd, die geen hoger gehalte aan contaminanten bevatten dan de door het bedrijf (o.b.v. de risico-analyse) vastgestelde normen. De vastgestelde normen moeten minimaal voldoen aan de normen voor ongewenste stoffen en producten in voedermiddelen zoals opgenomen in de diervoederwetgeving en de in het kader van deze regeling door het bestuur bij besluit vastgestelde normen (GMP14).

Er dienen microbiologische criteria voor voedermiddelen te zijn vastgelegd, afhankelijk van het al dan niet ondergaan van een behandeling van voedermiddelen.

Wanneer geen behandeling wordt toegepast, dient de ondernemer voorts:

-

-

Op- en overslag dient plaats te vinden in een GMP-gecertificeerde bedrijfseenheid.

Indien op- en overslag bij een buitenlandse bedrijfseenheid plaatsvindt die niet aan het voorgaande voldoet, dient de ondernemer gecertificeerd te zijn volgens GMP13 of GMP06 Indien dit niet het geval is, dient de ondernemer zelf maatregelen vast te leggen en uit te voeren, die gelijkwaardige waarborgen omtrent de kwaliteit van voedermiddelen jegens zijn afnemers bieden.

De ondernemer dient periodiek controles door middel van microbiologisch onderzoek of onderzoek naar parameters omtrent de microbiologische kwaliteit uit te voeren in de voedermiddelen (bij ontvangst of aankoop) volgens een door hem zelf vastgestelde frequentie, die tenminste in overeenstemming zijn met de bij of krachtens deze GMP-regeling vastgestelde minimum frequentie.

De controlefrequentie is afhankelijk van de aard van de producten en het productieproces, de omvang van de productie en van de resultaten van de inspecties en controles.

-

-

Als een partij voedermiddelen niet voldoet aan de door de ondernemer gestelde microbiologische criteria, dan wordt deze partij uitsluitend in het bedrijf tot diervoeder bestemd, indien het realiseren van de doelstelling van de GMP- regeling door zonodig aangepaste behandeling haalbaar blijft. Hiervoor dient een bedrijfsinterne procedure opgesteld te zijn.

Het productschap kan hiervoor bij besluit richtlijnen voorschrijven.

Wanneer adequate behandeling niet mogelijk is dient de betreffende partij voedermiddelen in een door het productschap gecertificeerd decontaminatiebedrijf gedecontamineerd te worden.

Opslagruimten waarin zich besmette partijen hebben bevonden dienen zodanig gereinigd te worden dat geen herbesmetting van volgende partijen kan plaatsvinden. Hiervoor dient een procedure vastgelegd te zijn, alsmede dienen het aanwezig zijn van besmette ruimten en de reiniging daarvan te worden geregistreerd.

Bij het constateren van salmonella in voedermiddelen of eindproduct dient door het bedrijf actie te worden ondernomen om de oorzaak op te sporen.

Op grond hiervan dienen voorts maatregelen te worden genomen m.b.t. terugdringen van salmonella besmetting en dient eventueel het aankoopbeleid bijgesteld te worden. De genomen actie dient t.b.v. verificatie te worden vastgelegd.

Ingeval salmonella wordt waargenomen dient duidelijk te zijn welke actie door het bedrijf is genomen om de oorzaak op te sporen en welke actie is ondernomen om de bedrijfsinrichting dan wel bedrijfsvoering aan te passen.

Van deze actie dient zodanig aantekening en archivering plaats te vinden dat verificatie achteraf mogelijk is.

Als de microbiologische kwaliteit van een voedermiddel niet voldoet aan de door het bedrijf dan wel in de GMP-regeling hieraan gestelde beoordelingscriteria, dient de oorzaak te worden opgespoord en dient actie te worden ondernomen om de oorzaak weg te nemen. Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd. Van de actie dient zodanig aantekening en archivering plaats te vinden dat verificatie achteraf mogelijk is.

Na een behandeling van voedermiddel tot aflevering dient geen herbesmetting (met salmonella) op te treden.

Bij aflevering van het voedermiddel dient naast het verstrekken van de wettelijk verplichte informatie ook informatie over voorschakels te worden verstrekt, die minimaal voldoet aan door het bestuur nader vast te stellen eisen.

-

-

-

Opslag door de afnemer: Aangegeven dient te worden op welke wijze de afnemer de geleverde producten dient op te slaan zodat bederf, microbiologische besmetting e.d. wordt voorkomen.

Aangegeven dient te worden wat de houdbaarheidstermijn is onder de te onderscheiden opslagcondities bij de afnemer.

-

Deze GMP-standaard betreft als dienst voor derden een aanvulling voor de op- en overslag van voedermiddelen op de algemene GMP- standaard diervoedersector (GMP01).

De algemene GMP-standaard voor de diervoedersector (GMP01) is integraal van toepassing

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een aanvullende GMP-standaard bestaat (b.v. voor transport, of handel in voedermiddelen), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

-

-

-

-

De verantwoordelijkheid van het op- en over- slagbedrijf beperkt zich tot de kwaliteit van de dienst van op- en overslag van voedermiddelen.

Acceptatiebeleid van voedermiddelen voor op- en overslag staat los van de kwaliteit en conditie van voedermiddelen in relatie tot wettelijke eisen.

Op- en overslagbedrijven dienen afnemers van de dienst van op- en overslag duidelijk te maken, dat zij werken volgens regels die waarborgen dat de geleverde diensten voldoen aan de eisen in wet- en regelgeving met betrekking tot voedermiddelen verband houdend met de veiligheid voor mens, dier en milieu (basiskwaliteit) en eventueel specifieke eisen die de afnemer van de dienst stelt.

Het GMP-handboek bevat minimaal een procedure voor het aannemen van een opdracht voor de op- en/of overslag van voedermiddelen.

De relevante hygiënekenmerken in relatie tot de basiskwaliteit van voedermiddelen in op- en overslag zijn bekend met betrekking tot:

Doel is dat een zodanig systeem wordt gehanteerd dat aangetoond wordt, dat voor op- en overslag aangeboden voedermiddelen door het proces van op- en overslag geen nadelige veranderingen ondergaan in relatie tot basis- kwaliteit v.w.b. ongewenste stoffen en producten.

Doel is dat een zodanig systeem van bedrijfshygiëne wordt gehanteerd dat wordt aangetoond dat de kwaliteit van de dienst van op- en overslag wordt beheerst. De kwaliteit van de dienst m.b.t. de kritische punten in de bedrijfsinrichting dient binnen de door de ondernemer vastgestelde normen en eisen te worden beheerst.

-

-

-

-

De ondernemer heeft een deugdelijke administratie waarin tenminste is opgenomen:

Indien inkomende partijen in een zelfde opslagruimte worden opgeslagen, zonder dat betreffende opslagruimte leeg komt, dienen alle herkomstpartijen die in betreffende opslagruimte bij elkaar komen te worden geadministreerd bij de uitgaande partijen. Dit betekent dat per uitgaande partij meerdere inkomende partijen aan de orde kunnen zijn. Er dient per inkomende partij op snelle wijze inzicht te kunnen worden gegeven welke uitgaande partijen hierbij horen.

Voedermiddelen mogen niet met elkaar vermengd geraken, indien de basiskwaliteit hierdoor wordt aangetast. Gebeurt dit wel dan dient vastgelegd te zijn welke actie dient te worden genomen met betrekking tot het voedermiddel en naar belanghebbenden. Afwijkingen en de hierop genomen actie voor correctie moeten worden vastgelegd.

Er is een passende identificatie van transport- middelen en opslagruimtes, waarin of waaruit op- of overgeslagen of afgeleverd wordt.

In relatie tot de kwaliteit van de dienst van op- en overslag dient een procedure aanwezig te zijn voor leegdraaien van de overslagroute tussen opeenvolgende partijen voedermiddelen. In het bijzonder ingeval opeenvolgende voedermiddelen relevante verschillen in basis- kwaliteit hebben.

Op- en overslag dient zodanig te zijn dat een voedermiddel niet wordt verontreinigd met ongewenste stoffen en producten. Dit dient zeer in het bijzonder gewaarborgd te worden indien eveneens andersoortige producten dan voeder- middelen worden op- en overgeslagen met de- zelfde installatie en/of in dezelfde opslagruimte. Voor zover dit afhankelijk is van de dienst van op- en overslag, dient in een procedure te worden vastgelegd op welke wijze dit wordt gerealiseerd, beheerst en gewaarborgd.

De bedrijfshygiëne is zodanig dat de basiskwaliteit wordt beheerst. Dit dient zeer in het bijzon- der gewaarborgd te worden indien eveneens andersoortige goederen dan voedermiddelen (of voedermiddelen met voor de op- en overslag relevante verschillen in basiskwaliteit) worden op- en overgeslagen met dezelfde installatie en/of in dezelfde opslagruimte. In een procedure dient te worden vastgelegd op welke wijze dit wordt beheerst.

Bij voedermiddelen die in opslag liggen dient inregening te worden voorkomen. Voor het optreden hiervan dient een procedure ter correctie te zijn opgesteld. Actie en resultaat dient te zijn vastgelegd.

Er dient een procedure te zijn hoe omgegaan wordt met voorzienbare omstandigheden die de houdbaarheid en kwaliteit negatief beïnvloeden gedurende opslag.

Opslagruimten, waarin zich besmette partijen hebben bevonden, dienen zodanig gereinigd te worden dat geen besmetting van volgende partijen kan plaatsvinden. Hiervoor dient een procedure vastgesteld te zijn, alsmede dienen het aanwezig zijn geweest van besmette ruimten, de reiniging en de vrijgave daarvan te worden geregistreerd.

De ondernemer die op- en overslag van voedermiddelen verzorgt, dient te waarborgen dat dierlijke eiwitten:

andere voedermiddelen, halffabrikaten of diervoeders.

De ondernemer die op- en overslag van voedermiddelen verzorgt, dient te waarborgen dat vismeel, dicalciumfosfaat van ontvette beenderen en gehydrolyseerde eiwitten van huiden en vis:

andere dierlijke eiwitten.

-

-

-

Het GMP-handboek bevat voor zover van toepassing minimaal een beschrijving van de behandeling van afwijkingen bij de op- en overslag in relatie tot kwaliteit, alsmede de te ondernemen acties.

Er is een procedure vastgelegd hoe omgegaan dient te worden met voedermiddelen indien bekend is dat deze niet voldoen aan basiskwaliteit.

Indien verontreiniging met ongewenste stoffen en producten plaatsvindt moet vastgelegd zijn welke maatregelen genomen moeten worden ten aanzien van de betreffende partij en afnemer van de dienst. Het optreden van afwijkingen en de hierop genomen actie moeten worden vastgelegd.

Ingeval bij de ondernemer bekend is dat een partij voedermiddelen van niet-gezonde handelskwaliteit, in de zin van artikel 8.7 van Verordening PDV Diervoeders 1998 in op- en/of overslag is, wordt hiervan onverwijld melding gedaan aan de afnemer van de dienst.

Na het constateren van salmonella op de kritische punten in de bedrijfsinrichting dient door het bedrijf actie te worden ondernomen om de oorzaak op te sporen. Op grond hiervan dienen maatregelen te worden genomen met betrekking tot het terugdringen van salmonellabesmetting. De genomen actie dient ten behoeve van verificatie te worden vastgelegd.

-

-

-

-

-

-

-

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling voor ondernemers (leveranciers of ontvangers) die opdracht nemen voor of geven tot het transport van voedermiddelen, voormengsels, diervoeders en toevoegingsmiddelen over de weg op de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01)

De algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) is integraal van toepassing, voor zover van toepassing

Wanneer een ontvanger van voedermiddelen deze producten afneemt van een niet-GMP- gecertificeerde leverancier die de opdracht geeft voor het transport, dan dient de ontvanger aantoonbaar met de leverancier af te spreken dat het transport van de voedermiddelen plaatsvindt conform het bepaalde in deze aanvullende standaard.

Indien de ondernemer andere verrichtingen uitvoert waarvoor een aanvullende GMP- standaard bestaat (b.v. voor transport, of handel in voedermiddelen), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

Vanwege de verschillen in de structuur en karakter van de verschillende vormen van vervoer is een opsplitsing gemaakt tussen de volgende vormen van transport:

-

-

-

-

De verantwoordelijkheid van de ondernemer die het transport uitvoert, beperkt zich binnen deze standaard uitsluitend tot de dienst van transport van voedermiddelen, mengvoeders en voormengsels. Deze dienst kan uitgevoerd worden door een extern ingeschakeld (transport-)bedrijf, doch eveneens door een GMP- gecertificeerde diervoederleverancier zélf met eigen vervoer.

Indien het transport door eigen vervoer van een GMP-gecertificeerde ondernemer wordt verricht, dient de GMP-certificatie voor de betreffende ondernemer ook betrekking te hebben op het transport, waarbij aantoonbaar aan de voorwaarden ingevolge de GMP-regeling voldaan dient te worden.

Indien het transport wordt verzorgd door een extern ingeschakeld (transport-)bedrijf. dient dit bedrijf aantoonbaar aan de voorwaarden ingevolge deze GMP-regeling te voldoen. Vereist is dat deze transporteur beschikt over een certificaat van een onafhankelijke instantie die door het productschap is geaccepteerd.

Uitgezonderd van de (certificerings-)voorwaarde(n) ingevolge de GMP-regeling zijn extern ingeschakelde bedrijven die louter voor verpakte producten worden ingezet.

Acceptatiebeleid van een op vorenbedoelde wijze gecertificeerde transporteur staat los van de kwaliteit en conditie van deze producten in relatie tot wettelijke eisen voor deze producten.

Transportbedrijven dienen afnemers van de buiktransportdienst duidelijk te maken, dat zij werken volgens regels die waarborgen dat de geleverde dienst voldoet aan de GMP-eisen en wet- en regelgeving met betrekking tot voedermiddelen, mengvoeders en voormengsels, verband houdend met de veiligheid voor mens, dier en milieu (basiskwaliteit) en eventueel specifieke eisen die de afnemer van de dienst stelt.

Het GMP-handboek bevat voor de verrichting transport minimaal een procedure voor het aannemen van een opdracht voor het transport van voedermiddelen, mengvoeders en voormengsels.

De ondernemer die buiktransport uitvoert van voedermiddelen, voormengsels en mengvoeders dient vast te stellen welke de relevante kenmerken van deze producten zijn met betrekking tot de noodzaak tot het gescheiden houden van producten en de benodigde reinigings- en ontsmettingsprocedures tussen opeenvolgende ladingen1. Ten behoeve van de toepassing van de juiste procedures wat betreft scheiding van producten en reiniging en ontsmetting zijn criteria vastgesteld, alsmede toleranties voor afwijkingen. Relevante kenmerken kunnen in dit kader onder meer zijn: vochtgehalte, temperatuur, geur, kleur en de aanwezigheid van ongedierte.

V.w.b. transport van verpakte producten is voldoende dat het laadcompartiment schoon is, d.w.z.: volledig geleegd en vrij van ladingsrestanten en geur van voorafgaande ladingen en droog/gedroogd.

Er wordt een systeem van registratie van transportvolgordes en reiniging tussen opvolgende buiktransporten gebruikt. Doel is te waarborgen dat eerder getransporteerde mengvoeders, voormengsels of voedermiddelen géén overschrijding veroorzaken van maximum kruiscontaminatie-niveau's aan toevoegings- en diergeneesmiddelen in opvolgend getransporteerde mengvoeders, voormengsels of voedermiddelen.

Doel is dat een zodanig systeem wordt gebruikt dat aangetoond wordt, dat voor transport aangeboden voedermiddelen, mengvoeders en voormengsels door het transport geen nadelige veranderingen ondergaan in relatie tot basiskwaliteit v.w.b. ongewenste stoffen en producten.

Doel is dat een zodanig systeem van hygiëne wordt gebruikt, dat wordt aangetoond dat de kwaliteit van de transportdienst wordt beheerst. De kwaliteit van de dienst dient op kritische punten binnen de door de ondernemer vastgestelde normen en eisen te worden beheerst.

-

-

-

-

De ondernemer dient bij de transportopdracht van de opdrachtgever informatie m.b.t. de productcategorieën, incl. de GMP-coderingen in het kader van transport te ontvangen zoals vastgelegd in de bijlage bij deze standaard. Dit betreft zowel de standaard die relevant is voor beoordeling als categorie 'volgende vracht' als de standaard die relevant is voor beoordeling als categorie 'vorige vracht'.

De ondernemer die het transport uitvoert heeft een deugdelijke administratie waarin tenminste is opgenomen:

De bovengenoemde gegevens inzake opdrachtgevers, laad- en losadressen mogen eventueel gecodeerd worden geadministreerd,

mits voor de externe toezichthouders elders in de administratie inzicht kan worden gegeven in de achterliggende gegevens van de gebruikte standaarden.

Voedermiddelen respectievelijk mengvoeders respectievelijk voormengseis mogen (bij gecombineerd vervoer) niet met elkaar vermengd geraken, indien de basiskwaliteit hierdoorwordt aangetast3. Gebeurt dit wel, dan dient vastgelegd te zijn welke actie dient te worden genomen met betrekking tot het voedermiddel, voormengsel onderscheidelijk mengvoeder en naar belanghebbenden. Afwijkingen en de hierop genomen actie voor correctie moeten worden vastgelegd.

Er is een passende identificatie van bulk-laadcompartimenten en traceerbaarheid van transportvolgorde van producten in de betreffende laadcompartimenten, via onder meer bijvoorbeeld codering van de laadcompartimenten en via rittenstaten, al dan niet in elektronische vorm aanwezig bij het transportmiddel.

Voorafgaande ladingen dienen bij buiktransport door de chauffeur per laadcompartiment te worden geregistreerd in een rittenstaat, al dan niet in elektronische vorm, 'op het transportmiddel' en een reinigingsprocedure dient te worden vastgelegd, waarmee aantoonbaar wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aanvullende normen4 voor reiniging (en desinfectie) van transportmiddelen in de GMP-regeling.

In zijn algemeenheid geldt, dat de laadruimte schoon dient te zijn, waarmee wordt bedoeld: volledig geleegd en vrij van ladingsrestanten en geur van voorafgaande ladingen en droog/gedroogd ingeval van droge vervolgladingen. De chauffeur dient dit visueel vóór elk transport van (dier-)voeder(-middelen) te controleren.

De reinigings- en desinfectiehandelingen dienen door de chauffeur per bulk-laadcompartiment te worden aangetekend en geparafeerd in de rittenstaten, al dan niet in elektronische vorm. Het resultaat van de reinigings- en desinfectiehandelingen dient visueel te worden beoordeeld en bij de voorafgaande ladingen

en de reinings- en desinfectiehandelingen in de rittenstaten te worden geregistreerd.

De gegevens in de rittenstaten worden later overgenomen in het logboek ten kantore van het transportbedrijf. Dit kan geschieden via een eenvoudige bundeling van de rittenstaten en dient minimaal een maal per maand te uitgevoerd te worden.

Het logboek (met de rittenstaten) dient minimaal gedurende zeven jaar te worden bewaard.

Het transport wordt dusdanig uitgevoerd, dat een voedermiddel, voormengsel of mengvoeder niet wordt verontreinigd met ongewenste stoffen en producten. Dit dient zeer in het bijzonder gewaarborgd te worden indien in dezelfde laadruimte eveneens andersoortige producten dan voedermiddelen respectievelijk mengvoeders respectievelijk voormengseis (of voedermiddelen respectievelijk mengvoeders respectievelijk voormengseis met voor het transport relevante verschillen in basiskwaliteit m.b.t. ongewenste stoffen) worden getransporteerd3 . Voor zover dit afhankelijk is van het transport, dient in een procedure te worden vastgelegd op welke wijze dit wordt gerealiseerd, beheerst en gewaarborgd.

Het transport wordt dusdanig uitgevoerd, dat de basiskwaliteit m.b.t. hygiëne wordt beheerst. Dit dient zeer in het bijzonder gewaarborgd te worden indien in dezelfde laadruimte eveneens andersoortige goederen dan voedermiddelen respectievelijk mengvoeders respectievelijk voormengseis (of voedermiddelen respectievelijk mengvoeders respectievelijk voormengseis met voor het transport relevante verschillen in microbiologische basiskwaliteit) worden getransporteerd3 . In een procedure dient te worden vastgelegd op welke wijze dit wordt beheerst.

Bij droge voedermiddelen, mengvoeders en voormengseis dient tijdens transport inregening en spatwater te worden voorkómen. Voor het optreden hiervan dient een procedure te zijn opgesteld. Actie en resultaat dienen te zijn vastgelegd. Bij transport van droge voedermiddelen, mengvoeders en voormengseis in bulk, dienen laadcompartimenten, ook indien ze leeg zijn, afgedekt te worden, opdat inregenen en besmetting met uitwerpselen van vogels wordt tegengegaan. Indien afdekking van lege laadruimtes niet mogelijk is, dient de laadruimte voorafgaand aan belading te worden droog getrokken en zonodig daarvoor te worden schoongespoten. Te gebruiken afdekzeilen voor laadcompartimenten dienen voor buikbelading schoon en voor belading met droge voedermiddelen, mengvoeders en voormengsels bovendien ook droog te zijn.

Voorts dient de buitenzijde van transportmiddelen, inclusief chassis, voorafgaand aan transport van voedermiddelen, mengvoeders en voormengsels vrij te zijn van zichtbare delen van de voorafgaande lading.

Er dient een procedure te zijn hoe omgegaan wordt met voorziene omstandigheden die de houdbaarheid en kwaliteit negatief beïnvloeden gedurende transport.

Bulk-laadcompartimenten waarin zich (met ongewenste stoffen/producten en/of ziektekiemen) gecontamineerde partijen hebben bevonden, dienen zodanig gereinigd te worden dat géén besmetting van volgende partijen kan plaatsvinden. Hiervoor dienen registraties van de uitgevoerde reinigingen en desinfecties beschikbaar te zijn. Er is een reinigingsprocedure waarmee aantoonbaar wordt voldaan aan de wettelijke eisen en normen5 voor reiniging (en ontstmetting) van transportmiddelen in de GMP-regeling.

Voorafgaand aan belading van buikcompartimenten dient de productcategorie van de voorgaande ladingen en van de nieuwe lading te worden vastgesteld, waarbij voldaan dient te worden aan in de bijlage bij deze standaard vastgestelde reiniging- en desinfectieregime en de beladingsvolgorde.

Er worden 4 hoofdcategorieën van voorafgaande ladingen onderscheiden:

De transporteur moet kunnen aantonen dat in het verleden in een laadcompartiment geen 'verboden ladingen' uit productcategorie 1 zijn getransporteerd. Na een verboden lading mogen geen voedermiddelen, mengvoeders of voormengsels worden getransporteerd, tenzij het transportmiddel /-de laadruimte daarvoor wordt gecertificeerd volgens de procedure zoals vastgesteld in de bijlage bij deze standaard.

Na transport van producten uit categorie 2 dient te allen tijde te worden gedesinfecteerd, voorafgaand aan de eerste vervolglading.

Voor het overige dient te worden geverifieerd of na de laatste natte reiniging nog producten uit categorie 3 zijn getransporteerd. Zo ja, dan dient alsnog een reiniging met water te volgen

Vóór elk diervoedertransport moet visueel worden gecontroleerd of het laadcompartiment schoon is, dat wil zeggen volledig geleegd en vrij van restanten materiaal en geur van voorgaande ladingen en droog of gedroogd ingeval van droge vervolgladingen.

In het in de bijlage bij deze standaard vastgestelde reiniging- en desinfectieregime en beladingsvolgorde worden de volgende basisprincipes voor reiniging en desinfectie onderscheiden.

Een desinfectie (D) is alleen noodzakelijk in geval van voorgaande ladingen die in microbiologisch opzicht onacceptabel zijn (waarneembare bederfverschijnselen) of waarvan bekend is dat daarin ziekteverwekkende micro-organismen, zoals Salmonella, aanwezig zijn.

Ingeval van transport van alleen droge "neutrale" stoffen kan een droge reiniging voldoende zijn en zowel vanuit praktisch als microbiologisch oogpunt voordelen bieden.

Bij een droge reiniging wordt het transportmiddel na lossen gereinigd door zuigen, uitblazen of vegen. Het zuigen heeft hierbij de voorkeur omdat daarbij geen verspreiding van het vuil optreedt. Moeilijk bereikbare plekken dienen zo nodig manueel met een stoffer of iets dergelijks aanvullend te worden gereinigd. Indien na reiniging het resultaat onvoldoende blijkt, zal alsnog moeten worden overgeschakeld op een natte reiniging.

Na het transport van bijvoorbeeld vochthoudende, plakkende stoffen of mogelijk schadelijke chemicaliën is een reiniging met water noodzakelijk. Bij open transportmiddelen kan het beste gebruik worden gemaakt van een hogedrukreiniger met vlakstraalnozzie met een druk van minimaal 25 bar of hoger indien noodzakelijk. Gebruik in geval van verwijdering van chemicaliën (bijv. chemisch samengestelde kunstmest) bij voorkeur warm water met een temperatuur van 60 °C of hoger om de oplosbaarheid van chemicaliën te vergroten. Moeilijk bereikbare plaatsen dienen zo nodig met geschikte hulpmiddelen, zoals borstels, afzonderlijk te worden schoongemaakt. Bij het reinigen is het van belang dat het water weg kan lopen. Laat het transportmiddel afhankelijk van de aard van de vervolglading drogen door voldoende ventilatie of gebruik van een hete luchtkanon.

De algemene reinigingsprocedure is hierbij als volgt:

Ingeval van eiwitrijke of vette ladingen is het gebruik van een reinigingsmiddel noodzakelijk. Om vetten makkelijker te kunnen verwijderen is een verhoogde watertemperatuur nodig. Deze mag echter niet hoger zijn dan 60 °C om het coaguleren van eiwitten, en daardoor hechten aan oppervlakken, te voorkomen. Om het verwijderen van vetten en eiwitten te vergemakkelijken wordt een matig tot sterk alkalisch reinigingsmiddel geadviseerd in de door de fabrikant voorgeschreven dosering.

In open systemen (kip/bakwagen) kan het beste een schuimend ontvettend middel worden gebruikt. In geval van tankcleaning met sproeibollen mag juist geen schuimend middel worden ingezet, maar kan beter worden gewerkt met een zogenaamd Cleaning In Place (CIP) reinigingsmiddel bij verhoogde temperatuur. In specifieke gevallen, zoals het verwijderen van kalkhoudende materialen, verdient een zuur reinigingsmiddel de voorkeur.

De algemene reinigingsprocedure is hierbij als volgt:

Indien vanuit microbiologische overwegingen een desinfectie noodzakelijk is kan dit in de meeste gevallen alleen effectief worden uitgevoerd na een reiniging met water en reinigingsmiddel zoals hierboven is aangegeven. Een andere vorm van desinfecteren (bijvoorbeeld droog) mag alleen worden toegepast indien de effectiviteit daarvan is vastgesteld. In alle gevallen mag daarbij alleen gebruik worden gemaakt van een wettelijk toegelaten desinfectiemiddel, in de volgens de gebruiksaanwijzing aangegeven dosering.

Onderscheid kan worden gemaakt tussen desinfectiemiddelen die zijn getest op bactericide en fungicide werking en desinfectiemiddelen die zijn getest op bactericide, fungicide en virucide werking. De laatste groep mag uitsluitend worden gebruikt in de veesector. Voor transportmiddelen voor veevoeders is gebruik van een desinfectiemiddel goedgekeurd voor de voedingsmiddelenindustrie het enig overblijvende alternatief.

Alleen bij gladde makkelijk te reinigen oppervlakken, zoals RVS, kan een gecombineerd reinigings- en desinfectiemiddel op basis van actief chloor worden ingezet.

In andere gevallen is het altijd beter om eerst te reinigen en vervolgens te desinfecteren, waarbij voor de desinfectie van open transportmiddelen in eerste instantie desinfectiemiddelen op basis van actief chloor worden aanbevolen. In sommige gevallen is het gebruik van een chloorhoudend middel niet aan te raden, zoals ingeval van materialen die makkelijk corroderen of na een zure reiniging in verband met het ontstaan van giftige chloorgassen In dit geval kan gebruik worden gemaakt van quaternaire ammoniumverbindingen, met uitzondering van tankcleaning met sproeibollen, vanwege het optreden van schuimvorming. Het voordeel van deze quats is dat ze beter hechten en dus langer inwerken, het nadeel is dat de middelen moeilijker verwijderbaar zijn.

Bij gesloten tankwagens kan gebruik van perazijnzuur worden overwogen. Het voordeel van perazijnzuur is dat dit middel minder makkelijk wordt geïnactiveerd door achterblijvende vervuiling dan bij actief chloor het geval is. Als nadeel hierbij moet de penetrante geur en de aantasting van rubbers worden vermeld. Als inwerkingstijd voor desinfectantia moet tenminste 5 minuten worden aangehouden.

In de voedingsmiddelenindustrie is voorgeschreven dat na desinfectie altijd moet worden nagespoeld. Om het risico van residuen te voorkomen, verdient het aanbeveling dit voorschrift ook bij transportauto's toe te passen, tenzij kan worden aangetoond dat residuen geen risico vormen. In sommige gevallen kan namelijk door verwijdering van het desinfectans ontwikkeling van overlevende bacteriën plaats vinden wanneer het oppervlak te lang vochtig blijft.

De ondernemer die het transport uitvoert, dient de toepassing van deze basisprincipes per type transportmiddel gedetailleerd in een reinigingsprotocol uit te werken. In dit reinigingsprotocol moet gedetailleerd worden beschreven hoe de verschillende reinigingsregimes afhankelijk van de voorgaande lading worden uitgevoerd. In dit reinigingsprotocol moet met name aandacht worden besteed aan moeilijk reinigbare plekken, zoals pijpen, slangen, kieren, pompen, dode hoeken etc. Deze aandachtspunten dienen per type transportmiddel in het protocol te worden benoemd, waarbij moet worden aangegeven welke onderdelen vóór aanvang van de reiniging behoren te worden gedemonteerd. Adviezen met betrekking tot specifieke werkwijzen en de te gebruiken middelen kunnen worden ingewonnen bij met name de grotere leveranciers van reinigings- en desinfectiemiddelen.

Elk reinigingsprotocol dat voor een bepaalde transportruimte is opgesteld moet op effectiviteit worden gecontroleerd (gevalideerd). Daarna kan dit reinigingsprotocol voor ieder gelijk geconstrueerde transportruimte als officiële reinigingsmethode worden gehanteerd.

Na elk reinigingsregime dient in ieder geval een visuele inspectie te worden verricht. Het resultaat van deze beoordeling dient naast de registratie van de ladingen die zijn getransporteerd en de toegepaste tussentijdse reinigings- regimes met gebruikte reinigings- en desinfectiemiddelen in het logboek te worden vermeld. Bij tankwagens is als extra controle een verzegeling mogelijk na de uitgevoerde reiniging.

Na reiniging van diermeelbevattende ladingen6 dient minimaal volgens de bij of krachtens de GMP-regeling vastgestelde frequentie een controle worden verricht op restanten van bestanddelen van dierlijke oorsprong in diervoeders volgens de in Richtlijn 98/88/EG aangegeven microscopische screeningsmethode.

Daarnaast dienen minimaal volgens de bij krachtens de GMP-regeling vastgestelde frequenties aanvullende controles worden verricht om de effectiviteit van de gehanteerde reiniging en/of desinfectie methode te beoordelen. Voor de beoordeling van de reiniging kan gebruik gemaakt worden van ATP (Adenosine Tri Phosphate) metingen. ATP is aanwezig in alle dierlijke en plantaardige cellen en kan daarom als indicator gebruikt worden voor de mate van resterende biologische vervuiling op oppervlakken. De ATP bepaling op zich is zeer eenvoudig en kan binnen enkele minuten een uitslag geven. Het reinigingsresultaat is voldoende indien het resultaat van de ATP-meting niet hoger is dan 1000 RLU. Ingeval van transport van chemicaliën is toepassing van ATP bepaling in de meeste gevallen niet zinvol. Ter verificatie van de effectiviteit van een bepaalde gehanteerde desinfectietechniek kan gebruik gemaakt worden van agarstempels, waarmee aantallen overlevende micro-organismen kunnen worden bepaald. Bij deze techniek zijn de resultaten pas na een dag bekend, waardoor een eventueel noodzakelijke aanpassing van het desinfectieproces pas achteraf kan plaatsvinden.

Voor controle op chemische residuen en pesticiden dienen minimaal volgens de door de voorzitter vastgestelde frequenties meer geavanceerde bepalingsmethoden, zoals HPLC en Massa Spectrometrie (MS), worden ingezet.

-

-

Het GMP-handboek bevat voor zover van toepassing minimaal een beschrijving van de behandeling van afwijkingen bij het transport in relatie tot kwaliteit, alsmede het stellen van acties.

Er is een procedure vastgelegd hoe omgegaan dient te worden met voedermiddelen, voormengsels en mengvoeders, indien bekend is dat deze niet voldoen aan basiskwaliteit.

Indien verontreiniging met ongewenste stoffen en producten plaatsvindt moet vastgelegd zijn, welke maatregelen genomen moeten worden m.b.t. de betreffende partij en afnemer van de dienst. Het optreden van afwijkingen en de hierop genomen actie moeten worden vastgelegd. Ingeval bij de ondernemer die het transport uitvoert bekend is dat een partij voedermiddelen respectievelijk mengvoeders van niet-gezonde handelskwaliteit in de zin van Richtlijn 1999/29/EG inzake ongewenste stoffen en producten in diervoeding is, wordt hiervan onverwijld melding gedaan aan de afnemer van de dienst.

-

-

-

-

-

-

-

Deze bijlage betreft voorschriften met betrekking tot reiniging, desinfectie en beladingsvolgorde bij wegtransport van diervoeders, welke behoren tot de GMP-standaard wegtransport diervoedersector (GMP07).

In GMP07 van de GMP-regeling (aanvullende standaard voor het wegtransport) zijn voorschriften inzake voorgaande ladingen en reiniging en desinfectie van transportmiddelen opgenomen. Doel van deze voorschriften is het beheersen van risico's van kruisbesmetting voor diervoeders. Met het oog hierop zijn potentiële ladingsoorten in categorieën onderscheiden die bepalend zijn voor de reinigings- en desinfectieregimes die dienen te worden toegepast.

Veel van de voorkomende ('non-feed'-)ladingsoorten bij diervoedertransporteurs zijn ingedeeld in een viertal hoofdcategorieën van producten. Voorts zijn een viertal basisprincipes voor reiniging en desinfectie opgesteld, waarvan moet worden uitgegaan, afhankelijk van de categorieën 'voorladingen'. Voorgaande is opgenomen in annex A en B, behorend bij deze standaard.

Vanwege het feit dat met name de lijst van in categorieën ingedeelde ladingsoorten in de loop van de tijd kan wijzigen, is in de GMP-regeling opgenomen dat de voorschriften inzake reiniging en desinfectie per situatie van (typen) voorafgaande ladingen en vervolgladingen worden gespecificeerd.

In annex C is een procedure opgenomen voor indeling van nog niet afdoende beoordeelde producten of herindeling van producten. Annex E bevat een procedure voor toelating van laadruimtes na transport van verboden ladingen. Deze annex is inhoudelijk gebaseerd op het TNO-adviesrapport "Reiniging en desinfectie bij het transport van diervoeder in het kader van gezondheidsrisico's" (2000).

O = Ongewenste stoffen en producten (zware metalen, pesticiden-residuen, schimmeltoxinen e.d.) en andere (potentieel) schadelijke materialen (fysisch en/of chemisch).

E = residuenrisico verboden dierlijk Eiwit

N = Neutraal

T = Toevoegingsmiddelen-/diergeneesmiddelenrisico

S = Standaard

H = Herkauwer-bestemming

L = Legpluimvee-voer/-voormengsel

J = Japanvoer/-voormengsel

A = Droge reigiging

B = Reiniging met water

C = Reiniging met water en reinigingsmiddel

D = Desinfectie

Producten en materialen die niet in Annex B in één van de ladingscategorieën 2,3 of 4 zijn opgenomen, zijn verboden als lading voor laadcompartimenten die voor diervoeders worden benut.

De ondernemer die een product ingedeeld of opnieuw ingedeeld wil hebben in één van de ladingcategorieën 2, 3, of 4, dient hiervoor een verzoek in te dienen bij het Productschap Diervoeder (PDV). De ondernemer dient bij de aanvraag gebruik te maken van het informatieformulier, aan het eind van deze annex.

De uitgangspunten van het College van deskundigen Diervoedersector (afdeling Transport) en het PDV m.b.t. besluitvorming n.a.v. het verzoek zullen gebaseerd worden op de volgende door de aanvragende onderneming aan te reiken parameters:

De te volgen procedure luidt als volgt:

Wanneer het indelingsadvies van het College van deskundigen afwijkt van de door de ondernemer aangevraagde ladingcategorie, dan is de keus aan de ondernemer om hetzij akkoord te gaan met het indelingsadvies van het College dan wel zijn indelingsaanvraag in te trekken.

Toepassingsbereik /doel product19 :

0 food grade

0 feed grade (gezonde handelskwaliteit)

0 anders, n.l

In het kader van de procedure (her) indeling producten in ladingcategorieën transport kunnen controlerende instanties uitgenodigd worden door GMP gecertificeerde vervoersondernemers de noodzakelijke verrichtingen uit te voeren m.b.t. het nemen van monstermateriaal aangaande de nadere bepaling van residuverontreiniging, dan wel de afwezigheid daarvan.

De werkzaamheden aangaande deze bemonstering dienen uitgevoerd te worden door EN 45004 geaccrediteerde inspectieorganisatie, waarbij het keuren van laadruimte behoort tot de geaccrediteerde verrichtingen.

De transportondernemer die de residubemonstering aanvraagt, dient te voldoen aan de volgende bijkomende voorwaarden:

De controlebedrijven zullen na uitvoering van de bemonstering een bemonsteringsrapport afgeven, waarop aan de kwaliteitsmanager van de transportonderneming wordt medegedeeld, dat er op basis van de visuele inspectie ten tijde van de laadruimte bemonstering, dat op (datum en tijd) de laadruimte visueel geschikt bevonden werd voor het transport van diervoeders, onder voorbehoud van nadereonderzoeken m.b.t. de mogelijke residuverontreiniging, met inachtneming van het bepaalde van de regels voor transport in het kader van deze GMP-standaard wegtransport diervoedersector.

De bemonstering wordt doorgevoerd conform het principe van een "at random" verzamelen van ladingresiduen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van bestaande technieken (Afdrukplaatjes, Swabs, Wallwash monsters(steriele veegdoekjes of sponsjes). Daarnaast dient bij de random selectie van de te bemonsteren plaatsen rekening gehouden te worden met de kritische contactpunten in een laadcompartiment:

De controlebedrijven verzamelen op minimaal 8 verschillende contactpunten een ladingresidumonster. Elk ladingresidumonster krijgt een referentie, waarmee verwezen wordt naar het contactpunt dat bemonsterd is, deze informatie wordt tevens vastgelegd in het bemonsteringsrapport..

De residumonsters worden door het controlebedrijf op de juiste wijze verpakt, van een identificatiezegel voorzien en ter beschikking van de ondernemer gesteld. De verpakking en het identificatiezegel worden in het bemonsteringsrapport vastgelegd.

Vertegenwoordigers van de vervoerders van Agribulk worden uitgenodigd een inventarisatie te maken van potentieel beschikbare controlebedrijven.

De transportondernemer zendt de residumonsters - tesamen met een monster van het originele product - voor analyse/bepaling aan een ingevolge ISO 17025 geaccrediteerd of ingevolge de GMP-standaard laboratoria bedrijfsinterne controle diervoedersector gecertificeerd laboratorium voor betreffende bepalingen en producten, met het verzoek om te bepalen óf er residuen aanwezig zijn en zo ja in welke concentraties.

Wanneer in een laadcompartiment een verboden lading is getransporteerd dan kan het transportmiddel /de laadruimte in bepaalde gevallen, onder de onderstaande stringente voorwaarden alsnog (weer) worden gecertificeerd/vrijgegeven voor het transport van diervoeders.

Na verboden ladingen kan een transportmiddel/laadruimte volgens de volgende procedure worden vrijgegeven om er weer diervoeders in te transporteren:

De controlerende instantie gaat hierbij aan de hand van het logboek na welke voorafgaande ladingen zijn getransporteerd en welke reinigingen en desinfecties zijn uitgevoerd. De laadruimte van het transportmiddel wordt vervolgens visueel beoordeeld op eventueel aanwezige resten, met name op moeilijk reinigbare plaatsen.

Afhankelijk van de voorgaande ladingen en de resultaten van de visuele inspectie kunnen, ter beoordeling van de controlerende instantie - voor rekening van de ondernemer - aanvullende hygiënemetingen worden verricht met behulp van ATP-metingen of agarstempels;

Strekking

Dit protocol is bedoeld voor chauffeurs. Er staat hoe het reinigen en ontsmetten uitgevoerd moet worden.

Voordat ontsmet kan worden moet de auto grondig gereinigd zijn.

Na controle op een grondige reiniging moeten alle oppervlakken ontsmet worden om bacteriën en virussen af te doden.

Opmerkingen.

Opmerkingen over onderhoud en niet goed werkende apparatuur doorgeven aan [naam medewerker]. Opmerkingen over dit protocol doorgeven aan [naam medewerker].

Strekking

Deze checklist is bedoeld voor chauffeurs, om te controleren of de reiniging en ontsmetting goed is verlopen.

Alle auto's:

Kipper:

Walking Floor:

Container:

De directie is verantwoordelijk voor de aanschaf van nieuwe hygiëne apparatuur en meetmidden. De directie is verantwoordelijk het vaststellen van de onderhoudscontracten.

[naam medewerker] is verantwoordelijk voor de onderhoudsplanning, uitvoering en registratie van het onderhoud en kalibratie van hygiëne apparatuur.

Deze procedure beschrijft hoe onderhoud van machines en kalibratie van meetmiddelen op het bedrijf geregeld zijn. Doel is het voorkomen van storingen en afwijkingen van hygiëne apparatuur die kunnen leiden tot risico's m.b.t. hygiëne of voortgang van het transport.

De bij het reinigen en ontsmetten te gebruiken apparatuur wordt preventief onderhouden en gekalibreerd volgens onderstaande onderhouds- en kalibratieplanning:

Alle medewerkers melden belangrijke storingen direct aan [naam medewerker]. Storingen worden in eerste instantie zoveel mogelijk door [naam medewerker] zelf opgelost. Indien reparaties niet zelf opgelost kunnen worden neemt [naam medewerker] contact op met de firma die het onderhoud verricht of die de apparatuur heeft geleverd. Hij zorgt ervoor dat het uitgevoerde storingsonderhoud steeds vastgelegd wordt op de onderhoudsplanning.

In een werkoverleg evalueert de directie met de [naam medewerker) het uitgevoerde onderhoud en kalibratie. De directie probeert achterliggende oorzaken te achterhalen van machines met teveel storingen. Vervolgens zoekt de directie maatregelen ter verbetering. Eventuele verbeterpunten in preventief onderhoud of kalibratie worden aangepast in deze procedure of in de bijbehorende Invullijst kalibratie.

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling op de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) voor ondernemers (leveranciers of ontvangers) die opdracht nemen voor of geven tot het transport van voedermiddelen, voormengsels, diervoeders en toevoegingsmiddelen, dat niet over de weg plaatsvindt.

De algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) is integraal van toepassing, voor zover van toepassing

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een aanvullende GMP-standaard bestaat (b.v. op- & overslag, of handel in voedermiddelen), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

Vanwege de verschillen in de structuur en karakter van de verschillende vormen van vervoer is besloten een opsplitsing te maken in de standaarden voor de volgende vormen van transport:

Hieronder volgen de bepalingen m.b.t. vorm

B.: Zeescheepvaart, binnenvaart en railvervoer

-

Naast de termen en definities als bedoeld in de algemene standaard, zijn in het kader van deze aanvulling de volgende definities van toepassing:

-

-

-

-

Specifieke documenten die in het kader van het kwaliteitssysteem beheerd en geadministreerd moeten worden zijn de bevrachting- overeenkomsten de opdrachtverstrekkingen tot LCI en de van de ingeschakelde controle-organisaties ontvangen LCI-rapportages.

De ondernemer die de opdracht verstrekt voor het transport dient over procedures te beschikken, die afdoende borging bieden ten aanzien van:

De ondernemer die de opdracht verstrekt voor het transport en een controle-organisatie inschakelt voor de Lading Compartimenten Inspectie (LCI) en voor de bewaking van de belading van het transportmiddel op het gebied van Feed Safety, dient hierbij te kiezen voor een (GMP-)gecertificeerd internationaal opererend controlebedrijf, op het niveau van EN 45000 met specialisatie op veevoeders/granen of vloeibare agri-bulk in de accreditatie en internationaal opererend op een gecertificeerd borgingssysteem zoals ISO 9000 of equivalent.

Het productschap is gerechtigd de namen te publiceren van de controle-organisaties die voldoen aan de voorwaarden als hiervoor bedoeld.

De ondernemer die de opdracht verstrekt voor het transport dient de onderstaande voorwaarden te realiseren in zijn relatie met de vervrachter.

Een transportmiddel te (doen) bevrachten waarvan kan worden aangenomen, dat het geschikt is om een lading Graan / Veevoedergrondstof te vervoeren van de laadplaats naar de losplaats in het kader van het streven naar Feed Safety. Deze doelstelling bereikt men door reeds bij de opdrachtverstrekking basiseisen aan het transportmiddel te stellen, die een goede onderbouwing van de Food/Feed Safety bevorderen.

Een opdrachtverstrekking "Bevrachting" dient minimaal de volgende elementen te bevatten, die door de tegenpartij(vervrachter) onderschreven moeten worden bij het aangaan van de transport offerte en uiteindelijk bevestigd dienen te worden in de transportovereenkomst:

De bevrachting van een transportmiddel op een dergelijke manier vastleggen, opdat de informatie, die relevant is voor de Feed Safety in de bevrachtingovereenkomst wordt vastgelegd.

Een registratie "Bevrachting" dient minimaal de volgende elementen te bevatten, die door de tegenpartij(vervrachter) onderschreven moeten worden bij het aangaan van de transportofferte en uiteindelijk bevestigd dienen te worden in de transportovereenkomst:

waarin de vervrachter garandeert, dat een alle opzichten schoon, ledig, droog, reukloos ladingscompartiment wordt geleverd, dat in alle opzichten geschikt is voor belading met en het vervoer van de partij.

van het betreffende transportmiddel of de betreffende laadcompartimenten bij de benoeming van het transportmiddel, alsmede indien bekend bij de benoeming van het transportmiddel de omschrijving van de laatste schoonmaakactiviteit van het (de) ladingscompartiment(en).

Indien een transportmiddel door de vervrachter wordt opgegeven, dat gedurende minimaal 6 maanden alleen Agri bulk7 heeft vervoerd, dan dient dit vermeld te worden als volgt:

Type Transportmiddel: Agri-Only

Buiten de hierboven genoemde clausules worden uiteraard nog de typisch tot een bevrachting behorende clausules toegevoegd.

-

De ondernemer die de opdracht verstrekt voor het transport dient het volgende te realiseren in relatie tot de laadcompartimenteninspectie (LCI).

Een controleorganisatie voor de uitvoering van een "Laad Compartimenten Inspectie in het kader van GMP Feed Safety" op een juiste en heldere wijze de benodigde informatie te verstrekken. De verstrekte informatie dient zodanig omschreven te zijn, darde controleorganisatie in staat gesteld wordt de LCI correct uit te voeren, noodzakelijke voorzorgen en maatregelen te nemen en op juiste wijze de bevindingen van de LCI aan zijn opdrachtgever te rapporteren.

Een opdrachtverstrekking "LCI-GMP" dient minimaal de volgende elementen te bevatten, die bij aanvaarding van de opdracht door de ladingsinspecteur bevestigd moeten worden:

Rapportage van de bevindingen van de LCI dient direct na voltooiing aan de opdrachtgever kenbaar gemaakt te worden.

Daarnaast dient een LCI opdrachtverstrekking de standaardinformatie te bevatten, die een ladingsinspecteur in staat stellen de opdracht uit te voeren, zoals voorziene datum, laadplaats, de leverancier, de eigenaar van het transportmiddel, de bestemming van de partij (deze informatie is echter vanzelfsprekend en heeft geen betrekking op de borging van de Feed Safety).

Een LCI opdrachtverstrekking mag onderdeel zijn van een totaal opdrachtenpakket, maar dient wel als zodanig vermeld te worden. Eventuele met bijkomende informatie aangaande de partij en specifieke informatie aangaande het transportmiddel.

De uitvoering van een Laad Compartimenten Inspectie door Controleorganisaties op een zodanige wijze te doen opzetten, dat een LCI geborgd wordt waarbij de Feed Safety optimaal nagestreefd wordt.

Procedures ontwerpen die door de controleorganisaties worden verwerkt tot werkinstructies voor de verrichting van de LCI. Deze dienen voldoende borging te bieden ten aanzien van de controle op de uitvoering van de instructies en de doelstelling van de LCI, alsmede de rapportage en daar waar van toepassing zowel nationaal als internationaal.

De procedures en de daaruit voortvloeiende instructiehandboeken, waarover de controleorganisaties dienen te beschikken in een kwaliteitssysteem, dat voldoet aan de EN 45000 Norm - met specialisatie op veevoeders/ granen of vloeibare agri-bulk in de accreditatie - en internationaal opererend op een gecertificeerd borgingssysteem zoals ISO 9000 of equivalent (met evt. incorporatie van het HACCP-principe) dienen minimaal de volgende criteria te omvatten:

De ladingsinspecteur is gehouden de bevindingen van de LCI alleen te rapporteren aan zijn opdrachtgever9.

Het uiteindelijke resultaat van de LCI kan alleen maar een definitieve acceptatie of afwijzing van de Ladingscompartimenten zijn. Het rapport van de LCI dient eenduidig te zijn en die informatie te bevatten, die relevant is voor de acceptatie van het Ladingscompartiment.

Een rapportage van de bevinding van de LCI dient minimaal de volgende elementen te bevatten, die door de ladingsinspecteur aan de opdrachtgever moeten worden bevestigd in de vorm van een geschreven rapport:

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Deze GMP-standaard betreft een aanvulling op de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) en geldt voor de ondernemer, die toevoegingsmiddelen produceert of in de handel brengt. De algemene GMP- standaard voor de diervoedersector (GMP01) is integraal van toepassing.

Indien de ondernemer verrichtingen uitvoert waarvoor een aanvullende GMP-standaard bestaat (b.v. voor op- en overslag, transport, of handel in voedermiddelen), dient de ondernemer expliciet een GMP-certificatie voor die verrichting te verwerven.

-

Voor de definities van o.a. voormengsels en toevoegingsmiddelen wordt verwezen naar de diervoederwetgeving, met name EU-richtlijn 70/524 en EU-richtlijn 82/471

-

De ondernemer heeft het maximaal aanvaardbare verschil tussen gedeclareerd en geanalyseerd gehalte aan werkzame stof(fen) voor de bereiding van het toevoegingsmiddel vastgelegd. Deze dienen minimaal aan de wettelijk vastgestelde toleranties te voldoen.

-

-

-

Onderstaande bepalingen gelden voor de aankoop van

De ondernemer koopt de hiervoor genoemde producten uitsluitend van leveranciers die gecertificeerd zijn, waarbij aantoonbaar op het moment van levering minimaal aan het volgende wordt voldaan:

Indien de ondernemer de grond- en hulpstoffen van een leverancier in het buitenland afneemt die niet aan het voorgaande voldoet, dient de ondernemer te voldoen aan de aanvullende voorwaarden voor de GMP- standaard voor de handelaren van voedermiddelen GMP05).

Onder staande bepalingen gelden voor de aankoop van

Indien de normen voor grond- en hulpstoffen ingevolge de GMP-regeling wijzigen, gelden deze voor alle nieuwe aankopen op het moment van de inwerkingtreding ervan. Voor lopende contracten geldt een uitzondering, onder voorwaarde dat deze ten genoegen van het productschap en onverwijld en ten allen tijde kunnen worden getoond en waarbij de maximale looptijd van 8 maanden niet wordt overschreden.

Producten die niet in eigen locatie worden op- en overgeslagen, zijn op- en overgeslagen bij GMP-gecertificeerde op- en overslagbedrijven. Indien dit niet mogelijk is, dienen minimaal gelijkwaardige kwaliteitswaarborgen te worden verkregen.

-

-

Bij de verwerking van grond- en/of hulpstoffen tot een toevoegingsmiddel dient zodanig te worden gewerkt dat de juiste grond- en hulpstoffen, in de juiste dosering, in het juiste toevoegingsmiddel worden verwerkt.

Installaties voor de bereiding van toevoegingsmiddelen dienen zo te zijn ontworpen en te functioneren dat:

Indien in een installatie meerdere producten worden bereid dient bekend te zijn welke mate van versleping optreedt.

Voor installaties dient er een onderhoud-, controle- of inspectieschema vastgelegd te zijn, waarin frequentie en aard van de controles zijn vastgelegd, bijvoorbeeld controle op slijtage, aankoeken, hoeveelheid achtergebleven materiaal, enz.

Toevoegingsmiddelen dienen zodanig opgeslagen te zijn dat zij gemakkelijk geïdentificeerd kunnen worden en verwarring met andere producten uitgesloten wordt en de tijdige aflevering i.v.m. de uiterste verwerkingsdatum gerealiseerd kan worden.

In de opslagruimte dient waar relevant een apart deel aanwezig te zijn voor de opslag van grond- en hulpstoffen voor bereiding van toevoegingsmiddelen.

In de receptuur dient de dosering van de te onderscheiden grond- en hulpstoffen voor bereiding van het toevoegingsmiddel te zijn vastgelegd.

Het transport van grond- en hulpstoffen, van oorspronkelijke verpakking of opslagsilo naar de meetapparatuur moet plaatsvinden met geëigende transportmiddelen.

Ingeval gebruik wordt gemaakt van doseersilo's, dient bij het vullen van deze silo's;

Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd.

De gerealiseerde productievolgorde dient geadministreerd en gearchiveerd te worden.

De grond- en hulpstoffen voor de bereiding van het toevoegingsmiddel dienen met daartoe geëigende meetapparatuur te worden gewogen. In alle gevallen moet de meetapparatuur makkelijk schoon te maken zijn.

De meetapparatuur dient met betrekking tot het weegvermogen afgestemd te zijn op de hoeveelheden af te wegen product.

Van de meetapparatuur dient duidelijk te zijn aangegeven en vastgelegd:

Transport vanaf meetapparatuur naar installatie: er dient een zodanige beveiliging aangebracht te zijn, dat men er zeker van is dat al de afgewogen grond- en hulpstoffen inderdaad in het daarvoor bestemde toevoegingsmiddel terecht zijn gekomen.

Transportsystemen voor electrostatisch gevoelige stoffen dienen deugdelijk te zijn geaard om elektrostatische oplading van deeltjes te voorkomen.

Het gehele transportsysteem dient in verband met afzetting van product goed toegankelijk te zijn om te kunnen worden gereinigd. Er dient een protocol voor reiniging van het gehele transportsysteem te worden vastgelegd en uitgevoerd.

Voor transportsystemen dient er een vastgelegd inspectie- en onderhoudsschema te zijn waarin frequentie en aard van de inspectie- en onderhoudsbeurten zijn vermeld en de bevindingen c.q. het verrichte onderhoud en de reparaties zijn vastgelegd.

Het omgaan met poedervormige stoffen afkomstig uit filters van pneumatische systemen van de installatie dient punt van aandacht te zijn. Er dient een procedure te zijn vastgelegd op welke wijze hiermee omgegaan wordt om versleping van grond- en hulpstoffen tegen te gaan.

Van externe retourstromen dient de kwaliteit bekend te zijn. Men dient zich er van te vergewissen of al dan niet vermenging of kruiscontaminatie op het externe bedrijf heeft plaatsgevonden. Voor het terughalen van dient een procedure te zijn vastgelegd.

De ondernemer dient van de ontvangen partij grond- en/of hulpstoffen vastgelegd te hebben:

Bij de ontvangst van grond- en/of hulpstoffen en/of toevoegingsmiddelen, dient iedere verpakkingseenheid te worden gecontroleerd op beschadigingen en op de juiste wijze aangebrachte aanduidingen op het etiket of het begeleidend document.

Het gestelde in de voorgaande alinea's geldt voor de handelaar voor de te ontvangen toevoegingsmiddelen.

De ondernemer draagt zorg dat van iedere partij, of in geval van continu-productie, van elk bepaald productiegedeelte, voldoende

monsters worden genomen, die met het oog op traceerbaarheid moeten worden bewaard.

-

-

-

-

De productinformatie en -begeleiding dient zodanig te zijn, dat de ondernemer goed in staat is om bij haar afnemers te bewerkstelligen dat zij het volgende in acht kunnen nemen:

De geleverde kwaliteit voldoet aan de door de afnemer gehanteerde en met de ondernemer afgesproken normspecificatie.

Gegevens met betrekking tot veilig werken met de grond- en hulpstoffen en toevoegingsmiddelen en (aanvullende) gebruiksaanwijzingen worden expliciet al dan niet (verplicht) op het etiket aangegeven.

De voor vermelding relevante bepalingen die bij registratie van de toevoeging- en diergeneesmiddelen zijn aangegeven dienen expliciet al dan niet op het etiket te zijn aangegeven.

-

-

-

-

-

Uitvoeren van analyses in monsters toevoegingsmiddelen, voedermiddelen, voormengsels en diervoeders in het kader van de kwaliteitsborging volgend de GMP-regeling diervoedersector dient op zodanige wijze plaats te vinden, dat de betrouwbaarheid van geproduceerde resultaten op een voldoende niveau wordt beheerst en geborgd. Dit dient betrokkene zelf, via een kwaliteitsborgingssysteem, aantoonbaar te maken.

Certificatie vindt plaats per type verrichting, in combinatie met de analysemethode en matrix, welke ook in het certificaat worden vastgelegd. Een verrichting is datgene wat met een analysemethode kan worden geanalyseerd.

Deze standaard is bedoeld voor laboratoria die onderzoek uitvoeren in het kader van bedrijfsinterne controle (kwaliteitscontrole) ingevolge de GMP-regeling in ondernemingen in de diervoedersector.

Het laboratorium dient de kritische punten van monsterontvangst, -opslag & -behandeling, onderzoek, registratie, rapportage en archivering te beheersen en te borgen.

Het laboratorium dient een kwaliteitssysteem te hebben waarin is opgenomen de organisatie en documentatie van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden, de procedures, de processen en de voorzieningen met betrekking tot het beheersen en het borgen van de betrouwbaarheid van analyseresultaten. De verantwoordelijkheid voor de goede opzet en het functioneren van het kwaliteitssysteem berust bij de directie van de onderneming.

Een organisatieschema dient aan te geven hoe het laboratorium in de organisatie van de onderneming is opgesteld. Het laboratorium en personeel dient binnen de organisatie een onafhankelijke positie te hebben t.o.v. de eventuele activiteiten van voortbrenging en verhandeling van toevoegingsmiddelen, voedermiddelen, voormengsels en diervoeders elders in de onderneming. De beheerder van het kwaliteitssysteem dient rechtstreeks toegang te hebben tot de directie van de onderneming. Voorts dient de interne inspectie (interne audit) uitgevoerd te worden door een persoon die in voldoende mate onafhankelijk staat t.o.v. de te auditen activiteit. Verder dient de auditor voldoende kennis te bezitten van de te auditen activiteit.

Er dient een procedure te zijn, waarin de bevoegdheden zijn geregeld betreffende het wijzigen, aanpassen, aanvullen, of herzien van het kwaliteitssysteem. Binnen het bedrijf is een beheerder aangewezen, die verantwoordelijk is voor de actualiteit, het beheer en verspreiding van het handboek.

Wat betreft het vastleggen van zaken voor zowel het functioneren van het laboratorium, als ook voor het aantoonbaar maken naar de beoordelaar is het nodig dat alle door het laboratorium in het kwaliteitssysteem aangegeven zaken zijn vastgelegd ofwel duidelijk waarneembaar zijn. Iedereen binnen het laboratorium die onderdelen van dit kwaliteitssysteem aangaat moet dit ook begrijpen en hier daadwerkelijk naar handelen.

Het zij duidelijk dat het alleen op papier vastleggen zeker niet voldoende is. Ook bij de mensen op de werkvloer, bij de apparatuur, inrichting e.d. moet actueel aantoonbaar zijn dat de aan de orde zijnde elementen van deze standaard functioneren.

Één va n de voorwaarden voor het functioneren van het kwaliteitssysteem is het vastleggen van dit systeem in een handboek. Alleen op deze wijze is de samenhang tussen de kritische punten en de kwaliteit van analyseresultaten voor het laboratorium helder te maken.

Het op schrift stellen van het kwaliteitssysteem resulteert in het handboek. Het handboek is een doorlopend naslagwerk bij de uitvoering en het op peil houden van het kwaliteitssysteem. Het handboek dient aantoonbaar actueel te zijn.

De voorschriften en procedures dienen voorzien te zijn van datum en geautoriseerd door een daartoe door de directie van de onderneming bevoegd verklaarde persoon.

De omgeving / locatie waarin de analysewerkzaamheden worden uitgevoerd mogen de juistheid en nauwkeurigheid van analyseresultaten niet beïnvloeden.

Er is een door de directie goedgekeurde toegangsregeling tot het laboratorium, waarmee wordt bereikt dat de integriteit van de resultaten niet wordt beïnvloed. Ten minste het volgende is geregeld:

Het laboratorium is er alleen voor laboratoriumpersoneel toegankelijk. Derden mogen de ruimten alleen in aanwezigheid van laboratoriumpersoneel.

Er dienen voorzieningen te zijn voor:

Deze voorzieningen dienen adequaat te zijn in relatie tot de doelstelling van het kwaliteitssysteem.

Voor het beheersen en het borgen van een goede kwaliteit van voortgebrachte analyseresultaten is het personeel van cruciaal belang. Het personeel moet derhalve voldoende kennis en vaardigheid hebben voor de aan hen in dit kader opgedragen taken.

Om dit te bewerkstelligen is het in ieder geval nodig dat:

Met betrekking tot de apparatuur en hulpmiddelen, die van invloed kunnen zijn op de uitkomsten van de analyses, dient te zijn vastgelegd:

Bij elk apparaat dienen de onderhoudswerkzaamheden, verholpen storingen, kalibraties, justeringen en validaties als genoemd in 6.1 te worden geregistreerd in een logboek.

Niet goed functionerende apparatuur moet als zodanig gemerkt zijn ('quarantaine').

Er dienen specificaties te zijn voor de gewenste kwaliteit van standaarden, referentie- en hulpmateriaal (chemicaliën). Deze dienen te zijn vastgelegd.

Bj de ontvangst van standaarden, referentie- en hulpmateriaal dient te worden gecheckt of daadwerkelijk is ontvangen hetgeen is besteld.

Er dient inzicht aanwezig te zijn in de kwaliteit en betrouwbaarheid van de toeleveranciers van standaarden, referentie- en hulpmateriaal. Op basis hiervan dient een lijst van toegelaten leveranciers te worden aangelegd.

Er dient controle van kritische standaarden, referentie- en hulpmateriaal op bruikbaarheid plaats te vinden. De controlefrequentie is afhankelijk van de mate waarin standaarden, referentie- en hulpmateriaal kritisch zijn voor de uitkomsten van de analyses. Hiervoor dient een procedure te zijn vastgelegd.

Standaarden, referentie- en hulpmateriaal dienen eenduidig te zijn geïdentificeerd en te zijn voorzien van expiratiedatum en opslagcondities indien deze van belang zijn voor de kwaliteit.

In alle stadia van opslag, monsterbehandeling, monstervoorbereiding en onderzoek dienen voorzorgsmaatregelen aanwezig te zijn om mogelijke ongunstige beïnvloeding van het analyseresultaat te vermijden. Hiervoor dienen instructies aanwezig te zijn waarop toezicht wordt uitgeoefend.

Er zijn instructies voor ontvangst, houdbaarheid / opslagduur en vernietiging van monsters, standaarden, referentie- en hulpmateriaal.

Er dienen voorschriften aanwezig te zijn voor:

In elk onderzoeksvoorschrift dient minimaal een beschrijving vastgelegd te zijn van

Tevens dient vastgelegd te zijn of en wanneer de bepaling in enkelvoud of duplo wordt uitgevoerd. Bij analyse in enkelvoud dienen voldoende waarborgen ingebouwd te zijn, b.v. door introductie van meer controlebepalingen, om de kwaliteit van het analyseresultaat te garanderen.

De actuele voorschriften dienen bekend te zijn bij de betrokken medewerkers. Er dient gewerkt te worden conform de voorschriften.

De volgende gegevens dienen eenduidig te worden geregistreerd:

De registraties dienen voldoende beveiligd te zijn om ongewenste verdwijning tegen te gaan en mogen alleen verifieerbaar worden gewijzigd.

Resultaten mogen alleen door daartoe bevoegde personen namens het laboratorium worden gerapporteerd. In het rapport wordt het volgende van elk monster vermeld:

Gegevens die van belang zijn om te kunnen reconstrueren hoe een bepaalde uitslag tot stand gekomen is, dienen te worden bewaard. Archivering (eventueel electronisch) gedurende minimaal 2 jaar dient plaats te vinden van:

Er dient een adequate beveiliging van informatie plaats te vinden tegen onbevoegde inzage en/of wijziging daarin.

Door het laboratorium is een kwaliteitscontroleplan opgesteld, waarin alle voor het kwaliteitssysteem relevante controles zijn vastgelegd. De resultaten worden vergeleken met de bedrijfsintern gestelde eisen.

Het controleplan bevat tenminste de volgende onderdelen:

De resultaten van het kwaliteitscontroleplan worden vastgelegd op daarvoor ontwikkelde inspectieformulieren, waarop ten minste is vermeld:

Het laboratorium dient een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van afwijkingen en deze, indien van toepassing, te verhelpen. Deze actie, motivatie, alsmede het resultaat dienen te worden geadministreerd.

De interne audit dient minimaal éénmaal per jaar te worden uitgevoerd.

De resultaten, evaluatie van de resultaten en ondernomen acties worden gerapporteerd aan de directie van het laboratorium. De (eind)verantwoordelijkheid voor het ondernemen van acties bij afwijkingen ligt bij de directie van de onderneming.

Het laboratorium dient deel te nemen aan interlaboratoriumonderzoeken (ringtesten) voor de door het laboratorium gebruikte analysemethoden, waar mogelijk gebaseerd op proficiency testing .

Per verrichting dienen de resultaten van het laboratorium t.o.v. het gemiddelde, berekend voor de betreffende ringtest, te worden bijgehouden en geadministreerd gedurende minimaal 3 jaar. De resultaten dienen als afwijking van dit gemiddelde uitgedrukt in het aantal keren de spreiding (s), berekend voor de betreffende ringtest, te worden weergegeven in een overzicht of grafiek.

He laboratorium dient een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van afwijkingen en deze, indien van toepassing, te verhelpen als aan de orde is:

Deze actie, motivatie, alsmede het resultaat dienen te worden geadministreerd.

Uitbesteding van analysewerkzaamheden kan alleen plaatsvinden aan laboratoria die voor die verrichtingen in het kader van deze standaard of daaraan gelijkwaardige standaard gecertificeerd is

Uitbestede verrichtingen komen niet in aanmerking voor certificatie.

Indien analyses worden uitbesteed aan derden, dient op de rapportage aan de opdrachtgever m duidelijk te worden vermeld dat de analyse niet zelf is verricht, maar is uitbesteed.

Het laboratorium dient een systeem te hebben voor registratie en behandeling van klachten.

In het kader van de verschillende GMP-standaarden neemt de bedrijfsinterne controle (kwaliteitscontroleplan) een belangrijke plaats. Voor een deel zal deze controle plaats vinden door middel van laboratoiumonderzoek. De kwaliteit van het laboratoriumonderzoek is daarom een essentieel onderdeel van de kwaliteitsborging in de diervoedersector.

Deze Laboratoriumstandaard is opgesteld ten behoeve van de borging van het kwaliteitsniveau van deze analysewerkzaamheden

de satndaard bestaat in hoofdlijnen uit de volgende drie elementen:

De certificering op basis van deze GMP-standaard kan gecombineerd worden met een certificatie op basis van ISO 17025.

In de GMP-standaard voor handel in voedermiddelen wordt als uitgangspunt gehanteerd een GMP-gecertificeerde onderneming uitsluitend voedermiddelen koopt van een akkerbouwer, die GMP-gecertificeerd is ingevolge de GMP-standaard teelt van voedermiddelen (GMP11), of volgens een daarmee door het productschap verklaarde uitwisselbare kwaliteitsstandaard1

Het was de bedoeling hierbij aan te sluiten bij een basiscertificaat voor kwaliteitsborging in de akkerbouwsector. Deze komt echter op dit moment niet tot stand. Om die reden hebben de aardappelverwerkende en suikerbietverwerkende industrieën besloten een eigen voedselveiligheidstandaard op te stellen en vanaf medio 2003 te implementeren. Met deze GMP-standaard voor teelt van voedermiddelen wordt hierop aangesloten. Uitgangspunt is wel dat de beoordeling op het voldoen aan deze standaard plaatsvindt tezamen met eventuele andere van toepassing zijnde standaarden.

De intentie is om, zodra er een basiscertificaat voor de gehele akkerbouwsector komt voor de borging van voedselveiligheid, hierop aan te sluiten.

Met deze standaard wordt aangesloten bij de ontwikkeling van kwaliteitsborging in de Nederlandse akkerbouw. In de huidige situatie is het van toepassing bij aankoop van producten door GMP-gecertificeerde bedrijven. Bij uitbreiding van GMP-deelname in andere landen zal met betrokken landen overleg plaatsvinden in welke mate ook op een soortgelijke ontwikkeling aldaar kan worden aangesloten.

Door het betrekken van producten van akkerbouwers, die een kwaliteitsborging als bedoeld in deze standaard toepassen, verminderen de potentiële risico's, waardoor het voor de GMP-gecertifieerde handelaar mogelijk is de ingangscontrole hierop ook aan te passen.

Deze standaard is van toepassing vanaf inzaai 1 januari 2005, wat dus bekent dat de producten van de eerstvolgende oogst in 2005 als eerste geproduceerd onder deze standaard op de markt komen.

De GMP-regeling diervoedersector is opgezet voor de productie van, handel in, transport en op- en overslag van voedermiddelen, diervoeders, voormengsels en toevoegingmiddelen.

Voor de verschillende schakels in de diervoederkolom bestaan GMP-standaarden (GMP01 t/m GMP13). Deze GMP- standaard voor de teelt van voedermiddelen (GMP11) biedt de borging van de eerste stap in de diervoederkolom, namelijk de agrarische productie van voedermiddelen op het landbouwbedrijf.

Het doel van de GMP-regeling is producten en diensten voort te brengen, op een wijze die in hoge mate waarborgt dat leveranciers van deze producten en diensten voldoen aan de eisen in wet- en regelgeving, verband houdende met de veiligheid voor mens, dier en milieu (basiskwaliteit) van diervoeders én aan de additionele eisen die overeengekomen zijn met de ketenpartijen in de dierlijke productieketen in het kader van IKB-regelingen van de vee-, vlees-, eieren- en KKM-regeling in de zuivelsector of aanvullende kwaliteitsregelingen.

Het zelf door de ondernemer, via een kwaliteitsborgingsysteem, aantoonbaar maken dat basiskwaliteit wordt gewaarborgd is de basis voor de integrale ketenbeheersing (IKB) in de veehouderijsectoren. Diervoeders, geleverd door GMP-gecertificeerde ondernemers, zijn een voorwaarde in IKB programma's voor de verschillende diersectoren.

Voor de GMP-standaarden (GMP02 t/m GMP09) geldt dat de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01), met minimum eisen aan het kwaliteitsysteem van een bedrijf, ook van toepassing is. Daarnaast geldt een aantal aanvullende eisen, waaronder de HACCP-criteria en aanvullende specifieke beheersmaatregelen die afgeleid zijn van de risicobeoordeling.

Bij deze GMP-standaard voor de teelt van voedermiddelen (GMP11) is de algemene GMP-standaard diervoedersector (GMP01) niet van toepassing. Het bevat een aantal praktische beheersmaatregelen, die gebaseerd zijn op een op HACCP gebaseerde risicobeoordeling van voedermiddelen in de teeltfase. Bij HACCP (Hazard Analyses of Critical Control Points) worden alle stappen in het voortbrengingsproces geanalyseerd en worden de potentiële gevaren (hazards) voor productkwaliteit en -veiligheid geïdentificeerd en beschreven. Alle mogelijke risico's voor productkwaliteit en -veiligheid moeten adequaat via opgestelde procedures en instructies worden beheerst.

Deze GMP-standaard is een onderdeel van de GMP-regeling diervoedersector.

Het doel is te voldoen aan de eisen omtrent basiskwaliteit. Dit behelst de normen en voorschriften zoals vastgelegd in de diervoederwetgeving, aangevuld met aanvullende normen, met de dierlijke productieketen op sectoraal niveau in het kader van de GMP-regeling diervoedersector afgesproken.

De normen en voorschriften die in het kader van deze GMP-standaard geborgd dienen te worden, zijn vastgelegd in het kader van deze GMP-regeling diervoedersector (GMP14: Productnormen GMP diervoedersector).

Voor de definitie van onderstaande termen wordt verwezen naar de GMP-regeling diervoedersector en de EG-richtlijnen met betrekking tot diervoeders.

Er wordt tevens aangesloten bij de termen en definities van ISO 8402:1994.

Aanvullend zijn de volgende termen van toepassing:

Diegene die producten/diensten koopt van de ondernemer.

Met ondernemer wordt verstaan de ondernemer waarop de GMP-standaard van toepassing is.

De waarschijnlijkheid dat een bepaald potentieel gevaar (hazard) een negatief effect heeft.

De doelgroepen van deze GMP-standaard zijn

De wettelijke normen voor gebruik van technische hulpstoffen en voor voedermiddelen zijn van toepassing.

Voedermiddelen dienen traceerbaar te zijn vanaf de aankoop van het uitgangsmateriaal (inclusief hulpstoffen zoals gewasbeschermingsmiddelen, bemestingsmiddelen etc.) tot en met de verkoop, inclusief transport.

Daarnaast dienen registraties van controles en inspecties, alsmede analyses en certificaten minimaal 5 jaar bewaard te worden op een dusdanige wijze dat deze makkelijk toegankelijk zijn.

De teler dient te voldoen aan de residunormen zoals vastgelegd in de diervoederwetgeving, bestrijdingsmiddelenwetgeving en mestwetgeving.

Tijdens het oogsten en inschuren dient beschadiging van het product en de insleep van vreemde bestanddelen (zoals o.a. glas, steentjes, machineonderdelen door slijtage, GGO producten) voorkomen te worden.

Indien de producten voor aflevering in tussenopslag gaan, dient de bedrijfsinrichting zodanig te zijn dat het geoogste product niet in aanraking kan komen met andere voedermiddelen.

Producten die niet op het eigen bedrijf in tussenopslag gaan, dienen opgeslagen te worden bij door het Productschap gecertificeerde bedrijven.

De producten mogen niet in aanraking komen met veevoedervreemde producten zoals bemestingsproducten, gewasbeschermingsmiddelen, glas, hout, machineonderdelen etc. Het bedrijf dient hiervoor de volgende beheersmaatregelen in acht te nemen:

Indien de producten worden gedroogd dient men, om contaminatie met toxische componenten door direct contact met verbrandingsgassen, onvolledige verbranding en verontreinigde brandstoffen te voorkomen (o.a. dioxine, pak's en NOx en SOx) de volgende voorzorgen te nemen:

Het bedrijf dient maatregelen te treffen waardoor de aanwezigheid van huisdieren, vogels, ongedierte en insecten en hun uitwerpselen wordt voorkomen.

Inregenen en besmetting met uitwerpselen van vogels wordt voorkomen door de lading af te dekken tijdens uitschuren en transport naar de afnemer. Daarnaast geldt dat de laadruimte en technische hulpwerktuigen van de gebruikte transportmiddelen schoon dienen te zijn.

Teler is verantwoordelijk en ziet toe op verlading juiste partij.

Indien het transport wordt uitgevoerd in eigen beheer dient reiniging van de transportmiddelen plaats te vinden volgens het reinigings- en ontsmettingregime zoals vermeld in de GMP standaard transport. Dit betekent dat voor transport van diervoedergrondstoffen de wagen- /hulpmiddelen/fusten minimaal gereinigd dient te worden volgens onderstaande eisen.

Indien het transport wordt verzorgd in opdracht van de akkerbouwer door een extern (transport)bedrijf, dan dient dit bedrijf aantoonbaar aan de voorwaarden ingevolge de GMP standaard transport te voldoen.

De werkzaamheden die uitgevoerd worden door een loonwerker dienen uitgevoerd te worden volgens de voorwaarden gesteld in deze standaard.

Bij calamiteiten op het bedrijf of in de directe omgeving dienen de risico's ingeschat te worden m.b.t. de voedermiddelen.

De GMP-regeling diervoedersector is opgezet voor de productie van, handel in, transport en op- en overslag van voedermiddelen, mengvoeders, voormengsels en toevoegingsmiddelen.

Voor de verschillende schakels in de diervoederkolom bestaan GMP-codes. Met de onderhavige GMP-code voor de opslag, bewaring en vervoedering van diervoeders op het varkenshouderijbedrijf (GMP12) wordt de GMP-regeling aangevuld met de borging van de laatste stap in de diervoederkolom, namelijk vanaf de opslag, bewaring op het varkenshouderijbedrijf tot aan de vervoedering (trog) c.q. mond van het dier.

Het doel van de GMP-regeling is producten en diensten voort te brengen, op een wijze die in hoge mate waarborgt dat leveranciers van deze producten en diensten voldoen aan de eisen in wet- en regelgeving, verband houdende met de veiligheid voor mens, dier en milieu (basiskwaliteit) van diervoeders én aan de additionele eisen die overeengekomen zijn met de ketenpartijen in de dierlijke productieketen in het kader van IKB-regelingen van de vee-, vlees-, eieren- en KKM-regeling in de zuivelsector of aanvullende kwaliteitsregelingen.

Het zelf door de ondernemer, via een kwaliteitsborgingsysteem, aantoonbaar maken dat basiskwaliteit wordt gewaarborgd is de basis voor de integrale ketenbeheersing (IKB) in de veehouderijsectoren. Diervoeders, geleverd door GMP-gecertificeerde ondernemers, zijn een voorwaarde in IKB programma's voor de verschillende diersectoren.

Voor de GMP-codes (GMP02 t/m GMP09) geldt de algemene GMP-code, met minimum eisen aan het kwaliteitsysteem van een bedrijf. Daarnaast geldt een aantal aanvullende eisen, waaronder de HACCP-criteria en aanvullende specifieke beheersmaatregelen die afgeleid zijn van de risicobeoordeling.

Bij deze GMP-code voor de opslag, bewaring en vervoedering van diervoeders op het varkenshouderijbedrijf is de algemene GMP- code niet van toepassing. Het bevat een aantal praktische beheersmaatregelen, die gebaseerd zijn op een op HACCP gebaseerde risicobeoordeling van de opslag, bewaring en vervoedering op het varkenshouderijbedrijf.

Bij HACCP (Hazard Analyses of Critical Control Points) worden alle stappen in het voortbrengingsproces geanalyseerd en worden de potentiële gevaren (hazards) voor productkwaliteit en -veiligheid geïdentificeerd en beschreven. Alle mogelijke risico's voor productkwaliteit en -veiligheid moeten adequaat via opgestelde procedures en instructies worden beheerst.

Deze GMP-code is een onderdeel van de GMP-regeling diervoedersector.

Het doel is te voldoen aan de eisen omtrent basiskwaliteit. Dit behelst de normen en voorschriften zoals vastgelegd in de diervoederwetgeving, aangevuld met aanvullende normen, met de dierlijke productieketen op sectoraal niveau afgesproken.

De normen en voorschriften die in het kader van deze GMP-standaard geborgd dienen te worden, zijn vastgelegd in het kader van deze GMP-regeling diervoedersector (GMP14: Productnormen GMP die voeder sector).

Voor de definitie van onderstaande termen wordt verwezen naar de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2003 en de EG-richtlijnen met betrekking tot diervoeders.

Er wordt tevens aangesloten bij de termen en definities van ISO 8402:1994.

Aanvullend zijn de volgende termen van toepassing:

Diegene die producten/diensten koopt van de ondernemer.

Met ondernemer wordt verstaan de ondernemer waarop de GMP-code van toepassing is.

De waarschijnlijkheid dat een bepaald potentieel gevaar (hazard) een negatief effect heeft.

De doelgroepen van deze GMP-code zijn:

-

-

De wettelijke normen voor gebruik van technische hulpstoffen en voor voedermiddelen zijn van toepassing.

Voeders (droge en natte) dienen traceerbaar te zijn vanaf de aankoop van de grondstoffen (inclusief transport) tot en met de vervoedering.

De bedrijfsinrichting is zodanig dat verschillende producten niet onbedoeld met elkaar in contact kunnen komen zodat kruisbesmetting en onbedoelde vermenging wordt voorkomen.

Daarnaast mogen de producten niet onbedoeld in aanraking kunnen komen met veevoedervreemde grondstoffen zoals mest en reinigings- en desinfectiemiddelen diergeneesmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen etc.

Het bedrijf dient een adequate bedrijfshygiëne na te leven (zie IKB voorwaarden m.b.t. reinigingsplan voor o.a. silo's, mengketel, trog, droogvoerbak ed.).

Het bedrijf dient maatregelen te treffen waardoor de aanwezigheid van huisdieren, vogels, ongedierte (o.a. ratten, muizen, maden en vliegen) en hun uitwerpselen zoveel mogelijk wordt voorkomen (zie IKB voorwaarden voor o.a. reinigingsplan, protocol ongediertewering en -bestrijding)

Het voer- en watersysteem dienen goed te functioneren, hierop dient regelmatig controle plaats te vinden.

De aangekochte producten, inclusief de producten afkomstig van eigen teelt, dienen te voldoen aan de normen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving.

Bij ontvangst van de producten dient gecontroleerd te worden of deze voldoen aan de overeengekomen productspecificaties.

De producten dienen op een zodanige wijze opgeslagen te worden dat achteruitgang en kruisbesmetting van de voeders voorkomen wordt.

Tijdens de bereiding en vervoedering dient ongewenste uitgroei van micro-organismen (schimmels, gisten, bacteriën) voorkomen te worden (in het brijvoersysteem en de trog).

Om versleping van voer (is vermenging van de verschillende voeders) te voorkomen dient er geen voer in de leidingen/trog achter te blijven. Daarnaast dient uitgroei van micro-organismen voorkomen te worden in het achtergebleven voer.

De controlerende instantie kan (bij indicatie, verdenking m.b.t risico's in het kader van voedselveiligheid) een monster nemen van het betreffende voeder. Dit kan bij zowel aangekondigde, als ook bij onaangekondigde bezoeken plaatsvinden. Onderzoek zal plaatsvinden op relevante zaken m.b.t. voedselveiligheid (bijv. ongewenste stoffen zoals zware metalen, schimmel toxinen, dierlijke eiwitten, desinfectiemiddelen, diergeneesmiddelen ed.).

Monstername dient plaats te vinden volgens het monstername protocol gebaseerd op de EU richtlijn 76/371.

Indien het transport wordt uitgevoerd in eigen beheer dient reiniging van de transportmiddelen plaats te vinden volgens het reinigings- en ontsmettingsregime, zoals vermeldt in de GMP code transport. Dit betekent dat voor transport van diervoedergrondstoffen de wagen/hulpmiddelen/fusten minimaal gereinigd dient te worden volgens onderstaande eisen:

Indien het transport in opdracht van de varkenshouder wordt verzorgd door een extern (transport)bedrijf, dient dit bedrijf aantoonbaar aan de vooewaarden ingevolge de GMP code transport te voldoen.

De beoordeling op het voldoen aan deze GMP- code en de certificatie van de bedrijven vindt uitsluitend plaats door het Productschap Diervoeder geaccepteerde instellingen, die voldoen aan nader door het productschap vast te stellen voorwaarden en criteria.

In June 2001 the Product Board Animal Feed (The Netherlands) laid down the first version of the Standard Quality Control of Feed Materials for Animal Feed. This standard is part of the scheme GMP+ Animal Feed, especially for the quality control of feed materials supplied from abroad.

In the second half of 2001 we have had deliberations with UKASTA (United Kingdom) about the exchangeability of the Dutch QC-standard and the British FEMAS (Feed Material Assurance Scheme), both intended to assure the quality and safety of feed materials. In order to reach the exchangeability, we have added some elements in this version two of the QC - standard, especially in the explanations notes. Therefore, this version does not differ from the previous version substantially. The Product Board Animal Feed has determined this version in his meeting of 23 January 2002.

At last, we want to emphasize that, when a foreign supplier has already a quality control program put in place, this QC - standard has not to replace it, or that a separate audit has to be carried out by the certification of verification body. We would support that the additional requirements in this standard are integrated in the existing quality system already put in place. And we would also support that verification of the QC- standard and existing quality program by the certification / verification body is carried outduing the same verification audit.

Johan den Hartog

Secretary

During the past few years in the European Union different situations have occurred, causing a strongly increased interest in relation to animal feed and food safety. It does not merely concern BSE, but also the dioxin contamination in Brazilian citrus pulp (1998) and in the Belgian feed fats (1999).

The animal feed sector forms an important link in the food production chain. The animal feed sector is at the beginning of the animal production chain. Quality of milk, meat and eggs is all the more important for the Dutch agriculture, as about 60% is to be exported outside the Netherlands. For an undisturbed export the safety of these products must be irreproachable. If this would not be the case, this would result in a considerable glut and great financial damage regarding the export of animal products.

From the beginning of the nineties the quality policy of the Product Board Animal Feed is aimed at quality assurance of animal feed with help of a GMP-standard, which is based on the ISO 9002 Standard. The GMP quality system for animal feed is part of the integral chain control systems (IKB) in the pork- poultry- (meat and eggs), dairy cattle- and cattle sectors.

The quality assurance of animal feed that was used until the middle of 1999 proved to be insufficient and could not prevent unforeseen contamination. The former safeguarding and control activities were mainly aimed at so-called known risks in the primary route of cultivating, handling, treatment and processing of feed materials and base products which had occurred in the past, and therefore it was mainly reactive in nature.

In June 1999 the Product Board Animal Feed decided to enhance the quality guarantee regarding the Dutch animal feed sector, choosing for:

In the year 2000 these elements have been entered in the Standard GMP Animal Feed. Participation in this quality scheme is not limited to Dutch companies in the animal feed sector; more and more Belgian and German companies are participating.

The above mentioned risk analysis is made up of three components:

It is essential, that by a systematic process, potential risks and critical points in the production chain are identified, control measures are applied beforehand and their effectiveness is verified afterwards. The quality of animal feed must be such, that the safety of the animal (animal health) and of the human being as the consumer of animal production (public health) is sufficiently guaranteed. This improved and strengthened system must have the continued trust of the consumer and other chain partners of animal production (meat, dairy and egg processing industry), as well as retail and government.

With this enhancement of the standard GMP Animal Feed the animal feed sector has chosen to integrate the HACCP-requirements (the same requirements that are also applied in the European food industry) in the GMP standard. This upgraded standard is called GMP +. This integration of HACCP into GMP emphasises that the animal feed sector (and preceding chains) is part of the food industry. Thus the communication slogan for this new quality approach is "Feed for Food".

The basis of the quality policy of the Product Board Animal Feed, is that the individual entrepreneur is himself primarily responsible for the quality and safety of his products for each part of the chain, and therefore can be made responsible. Legal product liability stresses this as well.

This standard is especially focussed at the extension of the quality control to the foreign suppliers of animal feed materials. It is a standard with minimum requirements for quality control, because not all suppliers of feed materials worldwide (already) apply an extensive and comprehensive quality management system.

To enhance the quality assurance for the animal feed sector, in the standard GMP Animal Feed is required that the quality system must encompass the preceding production links and the trade in feed materials. This quality system, based on the HACCP-principles, must provide a safety guarantee of feed materials regarding animal feed.

In the standard GMP Animal Feed therefore is stated that a supplier abroad at least has a quality control system that is in compliance with the requirements of GMP- standard 13 (this standard), and is certified as such

This means that the foreign supplier, who wants to deliver feed materials to the GMP- certified purchaser, must set up a Quality Control System which is based on HACCP- principles.

This standard contains the minimum requirements for this Quality Control System, material.The foreign supplier of feed materials can use it.

This standard can also be used by inspection bodies to assess the suppliers' ability to meet the customer's requirements.

The Product Board Animal Feed is an organisation by public law in the Netherlands. In the General Board are represented all trade associations and trade unions involved in the agricultural and industrial production of feed materials and compound feeds, trade in these feed materials and the stock farmers as end users. It includes rough fodder, dry and moist feed materials and co-products of the food processing industry. One of the tasks is to make (voluntary) quality regulations (such as the Standard GMP Animal Feed) for the animal feed chain as a part of integral quality control systems in whole the animal production sector.

GMP

Good Manufacturing Practices. Series of agreements in a branch or sector in which the standard of conduct is laid down (often with respect to hygiene / food and feed safety), focussed on safeguarding of the quality and safety of animal feed.

For the animal feed sector these measures have been laid down in the Standard GMP Animal Feed.

A set of requirements, based on ISO-9000 and HACCP (Codex Alimentarius), concerning the quality system and control measures for quality control of animal feed and feed materials, and including a set of product specifications, which must be applied to by a GMP-certified company, issued by the Product Board Animal Feed.

A part of the management system focussed on specific process steps for fulfilling the quality and safety requirements of the feed material.

The entrepreneur who buys the feed material from a foreign supplier, and is certified by PDV according to the standard GMP Animal Feed. This entrepreneur can be a trader, or a producer/supplier of compound feed or feed materials.

The organisation or a person abroad which provides the feed material to a GMP certified purchaser

All materials, auxiliaries and other (by-)products, intended to be used for the production of animal feed.

All countries except The Netherlands

A risk which must be controlled using a specific control measure

A risk which must be controlled using a general control measure

Measures which control an identified risk to food or feed safety to such a degree that any risk to food is prevented, eliminated or reduced to an acceptable level.

A biological, chemical or physical contaminant in food or feed with possible adverse consequences for health.

Identification of possible hazards in the production process using process diagrams, product specifications of (produced) feed, literature and other information.

A process control system relating to food and feed safety which identifies hazards and quantifies risks. The risks are controlled using control measures.

The risk of a potential hazard is the result of the severity to health and the probability of occurrence.

The hazard identification and risk assessment form together the risk analysis (see also 4.3)

The collection and evaluation of information about a hazard in order to be able to decide whether this forms a risk for food and feed safety.

The step in the risk assesment which determines whether a hazard is a serious risk or not. It is the result of the severity to health and the probability of occurrence.

The use of supplementary information to check whether the HACCP system is (still) effective and whether it is being used as intended.

The supplier of feed materials for animal feed must always be aware of his responsibility for the feed and food safety of their feed materials (safety for the human and animal consumer). He is a part of the chain of food production: Feed for Food.

The supplier of feed materials for animal feed must implement a quality control system, which is based on HACCP-principles. The minimum requirements for this quality control system are laid down in this Standard. This quality control system must be documented.

The supplier compiles and maintains a manual which contains or refers to all the required documents (operating procedures, instructions, forms, and other documentation) necessary for operating the Quality Control System, described in this Standard. Also, in this manual at least the following documentation (derived from the HACCP principles) is included:

The supplier of feed materials being established abroad commits himself by contract to the GMP certified purchaser, to immediately make this document up-to-date if modifications must occur. He also guarantees to perform the above mentioned control measures and internal checks.

Documentation according to the quality control system plays an important role in maintaining a quality control system based on HACCP. Documentation ensures that the HACCP system is demonstrably present. Documents also provide information to employees about the tasksto be carried out and the agreements made within a company. There must be a clear, unambiguous structure in documents, instructions, forms and in the other documentation. For example the requirements to be laid down, the measures to be taken, etc. can be expressed in procedures, plans, instructions, other documents (like registration forms, specifications, etc).

A verification audit is periodically performed by an inspection body, accepted by the Product Board Animal Feed2. See also divisie 6.

There are a number of requirements relating to animal feed safety, which fall within the responsibilities of management. These include

Records must be kept of education, experience and training.

All feed materials shall be sold by contracts. These contracts shall clearly state the type, quantity, quality, price and position of goods sold. All terms shall be precise and unambiguous, preferable in accordance with recognised contractual terms.

The supplier must provide his client with the necessary information about the scope of his Quality Control System and other important information about the delivered feed

materials, so his client (the next part of the chain) can apply an adequate risk assessment himself.

A supplier shall be able to demonstrate appropriate methods for confirming and recording the type, quantity and quality of orders received.

In all cases, the goods provided shall be demonstrably equivalent to those contracted for supply.

These documents shall be clear and unambiguous. All relevant contractual and legal information must be included on delivery documents. For feed materials sold in bulk, this shall include Statutory Statements required under EU Labelling Regulations. Any information provided on delivery documents must be valid for the feed materials associated with them.

Traders must have a quality control system which is in compliance with the requirements mentioned in chapter 4.1. If necessary, also relevant requirements form chapter 5 must be met.

In the whole of the GMP+-chain it is necessary that all companies in that chain have the required quality assurance system in place. For foreign suppliers the minimum level of qualityassurance is laid down in this standard (the QC-standard).

When a supplier is not the first part of the GMP+ -feed chain (for example a trader) he mustmake sure he applies the relevant requirements of this standard. For instance requirementsconcerning:

Although a trader may not actually handle the feed materials he must apply the relevant HACCP-principles to analyse his process, to identify and assess the potential hazards, and to take the necessary steps to control all possible risks. This is especially important when a traderis responsible for any part of the handling of feed materials (for instance: storage or transport offeed materials). A trader must then demonstrable apply the relevant parts of this standard inhis quality system.

A trader must especially ensure that when he is delivering feed materials to a GMP+ - recognised company, he himself only buys these feed materials from a supplier of feed materials, who also is at least QC-verified. The trader must have procedures developed en documented to ensure that a GMP+-company only is supplied with at least QC-guaranteed feed materials. In his administration theremust be a demonstrable en clear separation between non-GMP - feed materials and GMP+- feed materials.

He needs to inform his customer with relevant information about the feed matehal so this customer can apply an adequate HACP-analyses himself

A trader must keep adequate recording and documentation procedures in order to verify compliance to this standard.

The requirements mentioned in divisie 4 are most essential for setting up and putting in place an adequate quality control system, which must be documented. Therefore, in this chapter these minimum requirements are more detailed mentioned.

A supplier must have demonstrably implemented these elements in his operational management.

The steps of a risk assessment are as follows:

Based on the drawn-up product specification and process specification the potential hazards and risks must be identified, which may influence the quality respectively safety of the product - when used as animal feed or ad material - for the human being (consumer of animal products),animal and environment. After identification of the hazards the critical points in the productionprocess are identified and documented.

When the hazards have been identified, it must be established in which process step(s) there will be a critical control point (CCP) and/or which other control measures are necessary. These CCP's must be defined and documented.

Very helpful for the documentation of the risk assessment process is the following table, which contains each step mentioned hereafter.

A supplier identifies which specifications his feed materials has to meet regarding quality respectively safety, and which additional (quality) requirements his buyer wants to be guaranteed.

This must include:

Information about feed materials and products is necessary for correct estimation of the hazards that could be present in the production process or which hazrds may be present in the final products (animal feed), for the animals and/or human beings. Product specifications will give a first indication of possible hazards.

It is also necessary for the supplier to be aware what the client's requirements are and what he has to comply with. For instance, if a client has certain demands about non-GM feed materials, the supplier also needs to make sure these requirements are guaranteed.

The supplier describes the production process, with all process steps and process conditions, also with help of process diagrams and added explanations.

The process specification is specific for each company. Symbols may be used for describing the process. A map with the facilities of a company may be of help for systematically mapping of the processes. The process definition includes the preceding process steps (like cultivation, harvesting, storage and transport) when the supplier is not the primary producer.

A production process specification offers insight into the actions, activities and conditions that a product undergoes in a company and the links that are ahead. Such a process specification also serves as a basis for the estimation of hazards that could possibly arise or develop.

In a production process specification is indicated, which process steps need to be followed to achieve a specified product. This also indicates which feed materials and technical auxiliaries are used, which semi manufacturers, co- and end products result during the process. Also insight is given as to how return flows are processed. Each process, production or processing step, must be shown separately in the process description.

The Product Board Animal Feed has made several general risk analysis as an example. Theserisk analysis can be obtained from the Product Board Animal Feed.

The supplier identifies and evaluates all possible hazards which may occur, and classifies these hazards as chemical, physical or microbiological. This must be done for each step of the production process.

The potential hazards must be derived from the process steps and -conditions. Normally chemical, (micro-)biological and physical hazards are distinguished. A classification is given hereafter, including descriptions and examples.

Hazards may occur when the product is contaminated with other substances by means of:

Especially the following (potential) hazards need attention:

In case ofdirect drying feed materials come in contact with combustion gasses. Depending of the quality of the fuel and the adjustment of the combustion installation undesirable substances can come into existence with which the feed materials can be contaminated. It concerns substances like DNMA (dinitrosomethylaminen), polyaromatic hydrocarbons, PCB's, dioxin, NOX and SOX.

In case of steam injection the quality of the steam is important because it come into contact with the feed materials. This steam quality is determined by the quality the water used in the boiler and the used technical aid agents, like corrosion preventing agents.

During the production and processing of food products and agricultural products technical (lubricants) and technological (acid regulator, binders, preservatives etc.) aid agents are often used. These aid agents can be incorporated in the co-products which are destined as feed material. Therefore, the safety of these aid agents is an important point of attention, especially whether they are of foodgrade. In cases where sanitisers are used, the supplier shall ensure that control systems provide the correct and effective dosing levels at all times. Dosing systems shall be calibrated by a competent person and calibration records maintained. Only food compatible sanitisers may be allowed to come into contact with feed materials.

Mycotoxins may come into existence during cultivation of the crops and during storage and processing of harvested products. Especially climate and storage conditions (moisture and temperature) are important. It is necessary to determine whether products are sensitive for mycotoxins or not and what the determining conditions are.

Transport is also an item which must be paid special attention to. The potential hazards can be chemical, microbiological and physical. These hazards can come from the environment or as a result of cross contamination with previous cargoes.

After hazard identification it is important to evaluate whether or not a hazard is a risk or not. The risk level has to be determined in order to determine the critical control points and the kind of control measure to be carried. The supplier determines the risk level, which is the result of the probability that a hazard will occur and the severity if it occurs.

When the risks have been identified and classified, it must be established in which process step(s) there will be a critical control point (CCP) (which may be of influence to the quality respectively safety of the product - when used as animal feed (feed material) - for the human being (consumer of animal products), animal and environment) and/or which other control measures are necessary. These CCP's must be defined and documented.

Four risk levels can be determined with the risk evaluation model. In the event of risk level 1, no measures are necessary. In the event of risk level 2, periodic measures - often activities to be performed just once - have to be carried out. Risk level 3 requires general control measures, such as hygiene programmes, maintenance and calibration, purchasing procedures, etc.These measures are often called Point of Attention (POA) or GMP measures. Most of them are already included in the GMP Standard Animal Feed. In the event of risk level 4, specific control measures are necessary for that particular situation.

The following model can be used:

Part of the CCP decision tree is the risk assessment. This determines which type of control measure is necessary to eliminate a hazard and/or to reduce the risk and to control it at an acceptable level. This assessment must be carried out for every process

Control measures can vary from technical/technological solutions to organisational and/or procedural measures. There are, therefore,various possibilities for controlling risks.

Based on the hazards and risk evaluation and the determination of the critical points in the production process, the supplier determines which control measures are necessary to eliminate the identified risks or to control them to an acceptable level. These control measures must be documented.

Especially when artificial drying, steam injection, technical or technological aid agents, or mycotoxins are critical points, control measures have to be made clear.

Control measures are necessary to reduce contamination of the products by unwanted substances and products. This can be done by documented en implemented instructions, working regulations, adjustment of process conditions, training of personnel, etc.

In the standard GMP Animal Feed the necessary (generic) control measures are incorporated. If relevant these must at least be applied. When based on risk analysis specific control measures will be necessary, these must be briefly indicated in the document.

Cultivation and harvest instructions are necessary to guarantee the quality of the feed material.It concerns for example preventing feed materials getting wet, preventing of fungus growth, prevention of presence of contamination (for example residues of pesticides).

Control measures for feed materials or animal feed which are sensitive to mycotoxins, must in all stages of cultivation, harvesting and storage of the basic products and storage of the processed feed materials be aimed at making the development of mould growth asunfavourable as possible (for example choice of race of crop, way of manufacturing, way of storage). Existing control measures are:

Cultivation

Storage

The supplier must also ensure that non-conforming feed material are clearly identified and segregated from both waste and conforming products in a manner that prevents inadvertent or accidental use, at all stages.

All incidences of non-conforming feed materials shall be recorded and decisions regarding actions to be taken shall only be made by nominated members of staff.

Non-conforming feed materials or product in process would normally be dealt with in one of the following ways:

Requirements for reprocessing non-conforming feed materials shall be documented and any affected feed material be re-evaluated on completion to ensure that the batch concerned meets specified requirements. Feed materials that do not fully meet a customer specification shall only be supplied if the customer is notified of the problem in writing and is prepared to accept them.

It may be necessary to (re)design, (re)construct and maintain buildings such that conditions within the building are suitable and do not adversely affect the quality, safety or integrity ofany feed materials either processed or kept in the building. The production, storage, transport and shipping used by the supplier shall be secure and prevent unauthorised access.

All equipment (such as sieves, screens, filters, separators, etc) used for processing, storing and transporting feed materials shall be fit for the purpose for which it is used.

Such equipment shall be subject to a program me of planned maintenance that ensures equipment is maintained in safe and hygienic working condition.

The supplier shall keep records of maintenance carried out on all critical equipment.

The supplier shall ensure that all intake and loading facilities are designed and constructed in a manner that maintains the quality and safety of feed materials.

Neither discharge nor loading shall be carried out in conditions such that inclement weather or risks of contamination may affect the raw materials or feed materials being handled. Intake and loading facilities shall be designed to ensure that access by birds and other pests is kept to an absolute minimum.

In the case of flat stores, facilities shall be organised to ensure that mud, snow and other potential contaminants carried by vehicles cannot adversely affect stored raw materials or feed materials. There shall be sufficient hardstanding (e.g. concreted area) at store entrances tolimit the tracking of water and mud into the store.

All conveying systems and handling equipment shall be maintained in a sufficiently clean and hygienic condition to avoid adversely affecting the feed materials they contact. Risk assessment procedures shall be used to identify and control any hazards that may arise. Records shall be kept detailing the time and nature of any cleaning undertaken.

Feed materials and products must be stored in such a way that they can be identified easily and that confusion with other damaging products is prevented. The way in which these items have to be treated by the supplier, must be included in an instruction.

During storage, rain and stained water must be prevented from entering. Even whilst they are empty, storage and loading compartments must be covered to prevent rain-entry and pollution through bird-droppings. The thereby deployed tarpaulins must be clean and dry. Prior to loading of feeds, the exterior of the vehicle, including chassis, must be cleared of all visible residues of the preceding load.

For transport of feed materials in general it applies that before loading, load compartments must be empty, clean, dry and free from any remnants and odours of previous cargoes, in order to prevent load contamination. This includes:

In order to comply with this, it may be necessary to clean the load compartment (before loadingof the feed materials). If cleaning is necessary, this must be done in a way that is adequate inrelation to the nature of the previous cargoes. Depending on this nature of the previous cargoes, this can implicate dry cleaning (e.g. with broom) or - if necessary - cleaning with waterand possibly cleansing agents or even disinfections. After this cleansing, the load compartmentmust be inspected for cleanness.

For road transport this (cleansing and) inspection may be carried out by the transporter /road haulage company (truck driver).

In case of ocean, river and rail freight an inspection of the cleanness of the load compartments(LCI = Load Compartment Inspection) has to be carried out before loading commences. Furthermore, the loading process has to be monitored/safeguarded, in order to maintain feed and food safety. This inspection and monitoring may be carried out by:

Furthermore, the load compartment must be adequately shielded to protect the transported cargo against influence from other transported goods and be provided with resources to cover the cargo during transport.

In general, hygienic conditions must constantly be preserved during transport. Pollution with undesired materials and products must be prevented. This includes that mingling with other products must be prevented. A specific point of attention is that, to obliterate the spread of BSE(Mad Cow Disease), all possible and necessary preventive measures must be taken to preclude contamination of feed materials through proteins, forbidden for ruminants.

For deliveries to GMP-certified companies the road transport must be certified according toGMP07

During all cultivation, harvest, storage and processing steps operations must be performed hygienically to make sure that the production environment and the personnel can not contribute to contamination of feed materials. It concerns instructions for personal hygiene, industrial clothing, treatment of chemicals, general company rules concerning this, etc. The methods of hygienic working must be documented.

A supplier must set and perform such measures, that adequate company hygiene is assured.The cleaning program must include company equipment where applicable, (company) areas and facilities, installations and (internal) transport systems. Cleaning programs must be documented, cleaning frequency and used cleaning agents must be registered, etc.

Any materials considered to be 'waste' shall be visually identified as such and promptly segregated in a manner that will eliminate the likelihood of accidental or inadvertent use. Waste material may not be collected or stored in any container that may be used for finished feed materials. In order to discourage pests and vermin, containers used to store waste materials shall be covered. They shall also be stored away from feed material storage or production areas and removed from site as frequently as practical.

All waste shall be disposed of legally.

A supplier must take measures for the exclusion of vermin and to determine and document a pest control program. It concerns barring out vermin during the cultivation and harvesting process as well as fighting vermin during storage of feed materials. When executing pest control programs, acceptable pest control methods and means must be used.

It is of importance in case of problems or questions afterwards, that products in the chain can be identified and traced. Therefore it is necessary that the grower, trader and manufacturer keep a detailed administration. In this administration the relevant data for effective tracing offeed materials is included.

Contamination or pollution of feed materials and products must be prevented where possible.Contamination can happen anywhere. Controls shall be in place to protect feed materials from contamination by foreign bodies.

In particular, intake points, processing equipment, conveying systems and storage facilities shall be designed and operated to minimise the possibility of ingress. Operatives, drivers and maintenance personnel shall all be trained and supervised so as to ensure that the risk of foreign materials ingress is kept to an absolute minimum.

Wherever possible, process and storage facilities shall be enclosed to avoid contact with potential contaminants as well as access for pests and vermin. Where this is not possible, appropriate controls shall be in place to ensure minimal risk to feed material integrity.

Especially adequate control measures must be taken and documented regarding the following fields:

Important is the quality of the fuel. Control measures could be taken for example in the form of forbidding unsuitable fuels and prevention of uncontrolled combustion. It is important to make clear in which way the quality of the fuels and the adjustment of the drying installation are guaranteed. Extensive control measures are

The supplier who adds technical and technological aid agents to the feed materials must apply certain control measures to prevent contamination of the feed materials

The supplier who uses steam in the production process of the feed materials must be sure that the feed materials are not contaminated due to the poor quality of the water he uses. It is important that there are specifications of:

In order to be able to check whether control measures are effective, the critical points in the production process and the products themselves are periodically inspected and sampled (monitoring). This must be done by a documented schedule (plan). All results of inspections, and controls must be recorded.

If from these tests it proves that the effectiveness is not sufficient, corrective measures must be taken for the realisation of the desired result. The monitoring and verification strategy, as well corrective measures have to be documented, as well as the way in which the buyers of the results are being informed.

The verification strategy must be based on the performed risk evaluation) and the risk parameters that are part of that. The results are an important source of information for the company and may play a role for the management of the processing. The verification strategy does not only comprise the process parameters and product parameters that are being monitored, but also the measuring frequencies and -methods. Basic assumption is that the measuring methods for the product quality are based on internationally standardised laborator/ methods and performed by qualified laboratories.

Following implementation of a quality control system it is important to plan the quality checks, sampling, analyses, registrations and inspections which must be carried out according to the quality control system. Schedules and/or plans are necessary for this. All results of inspections,and controls must be recorded.

It is necessary that the clients have insight in the measuring results, in order to be able to keep insight in the way of realisation of the risk control during the process. Apart from that it can be useful for the supplier involved to have insight in the development of the presence of critical substances on that particular chain level. The Product Board Animal Feed has a database available for unwanted substances and products, which is accessible via the internet online for whom are participating. A possibility is that participants supply data to the database under certain conditions. Participants can subscribe for this at the Product Board Animal Feed.

The manual, which consists of the previous steps, must be actualised for modifications in the production process. If there are no modifications, actualisation would be necessary at least every two years based on advancing insight.

It is also important to perform an evaluation preceding to the actualisation. This will also give input to the improvement cycle.

The customer must be informed when a feed material does not meet the agreed specifications. The supplier must also inform his customer when the scope of the QC- system has changed.

In the Standard GMP Animal Feed is stated that the QC-system and the contents of the manual must be verified at least once every two years, by an accepted inspection body3. Because most suppliers have started with the development and implementation of a Quality Control system recently, the verification frequency is for temporarily at least once a year.

This means at the start an initial audit, after one year a surveillance audit, etc, etc.

The inspection bodies for the verification audits accepted by the Product Board Animal Feed are published on its website, as well the procedure for acceptance of this bodies4.

The performance of a verification audit can be initiated by the supplier himself or the customer. Also other parties involved may initiate a verification audit.

All foreign feed material suppliers who are approved by the accepted inspection bodies, are published by the Product Board Animal Feed on its Internet site.

Also on the PDV-website (www.pdv.nl) a Frequent Asked Questionslist is published with information about the verification audits, for instance a guideline for the minimum length of time for an audit.

Toelichting

De in deze bijlage opgenomen productnormen zijn ten dele gebaseerd op in de Europese Unie of nationaal (Nederland) wettelijk vastgestelde normen voor producten, ten dele aanvullend vastgesteld in het kader van de GMP-regeling diervoedersector, in overeenstemming met de schakels in de dierlijke productieketen. Indien in een land andere nationale wettelijke normen van kracht zijn, zijn deze van toepassing.

Naast de normen uit deze tabel zijn ook de normen van toepassing zoals opgenomen in:

Dit reglement neem over de terminologie van de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2003, en verstaat voorts onder:

De Geschillencommissie beslist bij wege van bindend advies en bij meerderheid van stemmen. De schriftelijke uitspraak bevat onder meer de gronden voor de gegeven beslissing. Van de mening van een eventuele minderheid wordt in de uitspraak geen melding gemaakt leder der betrokken partijen ontvangt van de secretaris zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak.

De Geschillencommissie zal in haar beslissing mede bepalen hoe hoog de kosten van de behandeling van het geding zijn en wie deze kosten zal hebben te dragen, met dien verstande dat degene die geheel of grotendeels in het gelijk wordt gesteld, niet in de kosten van het geding kan worden veroordeeld. Onder kosten zijn mede begrepen de honorering en de verschotten van de leden van de

Geschillencommissie. Het ingevolge artikel 4, tweede lid, gestorte bedrag wordt afhankelijk van de beslissing verrekend dan wel teruggestort.

De certificatie-instelling is verplicht aan de Geschillencommissie alle gewenste inlichtingen te verstrekken en bescheiden te overleggen.

De hoogte van de vacatiegelden voor de leden van de Geschillencommissie wordt bij besluit van het bestuur van het productschap vastgesteld.

Dit reglement wordt aangehaald als "Geschillenreglement GMP".

Bij een dosering van meer dan 5 kg/ton is het maximum niveau evenredig lager.

De eisen zijn van toepassing voor voormengsels die zijn bestemd voor japanvoeders. Dit betekent dat een voormengselbereider de genoemde eisen niet behoeft toe te passen op voormengsels voor niet-japanvoeders.

Er mogen aan voeders voor scharrelvarkens geen toevoegingsmiddelen, behorend tot de in artikel 1 van de Verordening PDV diervoeders 2003 genoemde categorieën A en J, noch antibiotica op attest van de dierenarts worden toegevoegd.

Er mogen in het voer niet worden verwerkt:

De samenstelling van voeders voor Graskippen dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

Bij de bereiding van de hiervoor bedoelde diervoeders dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan ingeval de verslepingsgraad van de produktie-installatie volgens een door het Produktschap Diervoeder in het kader van Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2003 erkende methode is gemeten.

Er mag niet meer dan: