Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 april 2003, nr. BWL/2003022205, houdende vaststelling van omrekeningsfactoren, van minimumafstanden voor veehouderijen en van de afstandsbepaling van veehouderijen tot een voor stank gevoelig object (Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden)Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebiedenDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op de artikelen 1, vierde lid, en 4, eerste lid, van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage22 april 2003De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerP.L.B.A. vanGeel

In deze regeling wordt verstaan onder:

bijlage:

bij deze regeling behorende bijlage;

wet:

Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden;

emissiepunt:

punt waar de lucht buiten het geheel of gedeeltelijk overdekt dierenverblijf of buiten de mestverwerkinginstallatie treedt, dan wel naar buiten wordt gebracht; begrenzing van het niet-overdekt dierenverblijf.

De afstand, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet is aangegeven in bijlage 2.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Eindnoten:

1. De stankemissie heeft betrekking op een stalperiode van maximaal drie maanden in de winter.

2. De omrekeningsfactor geldt inclusief opfok, zodat die opfok niet meetelt voor de berekening van de stankemissie.

3. Een stalsysteem met spoelgoten wordt niet gewaardeerd als emissiearme huisvesting maar als overige huisvesting.

4. a.e. is de afkorting van ammoniakemissie.

5. Voor opfokzeugen na de eerste dekking wordt de omrekeningsfactor voor fokzeugen gehanteerd.

De afstand bedraagt voor alle diercategorieën waarvoor in bijlage 1 geen omrekeningsfactoren is vastgesteld:

Omgevingscategorie I 100 meter

Omgevingscategorie II 100 meter

Omgevingscategorie III 50 meter

Omgevingscategorie IV 50 meter

Deze afstanden gelden niet voor de pelsdieren. Voor pelsdieren (nertsen en vossen) wordt de afstand als volgt bepaald.

In de berekening worden jongen en reuen buiten beschouwing gelaten.

Indien zowel nertsen als vossen, dan wel uitsluitend vossen worden gehouden, worden voor het bepalen van de afstand 10 vossen (fokmoeren) gelijkgesteld met 15 nertsen (fokteven). Indien (nadat de eventueel aanwezige vossen zijn omgerekend naar nertsen) meer dan 9000 fokteven worden gehouden, wordt de afstand voor elke extra 3000 fokteven met 25 meter extra vergroot.

Indien de pelsdieren in emissiearme huisvesting (a.e. ≤ 0,25 kg/dierplaats) worden gehouden, worden de afstanden uit de tabel voor de omgevingscategorieën III en IV met 25 meter verminderd.