Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen personenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob) Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob De Minister van Verkeer en Waterstaat,

gelet op de artikelen 3, eerste en zesde lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en de artikelen 6, vierde en vijfde lid en 99, eerste lid, onder c, en tweede lid van de Wet personenvervoer 2000;

Besluit:

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,Roelf H. de Boer

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Deze beleidsregel heeft betrekking op:

De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.1.2, kunnen worden aangemerkt:

De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.2.2, kunnen worden aangemerkt:

De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien feiten en omstandigheden er op wijzen of redelijkerwijze doen vermoeden dat ter verkrijging van een vergunning een strafbaar feit is gepleegd.

De Minister neemt ingevolge een aanwijzing of vermoeden als bedoeld in artikel 2.3.1 uitsluitend gepleegde strafbare feiten in aanmerking die:

Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.3.2, kunnen worden aangemerkt:

De Minister kan een besluit tot weigering of intrekking van een vergunning waarbij ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid Wet Bibob of een aanwijzing of een vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid Wet Bibob is geconstateerd achterwege laten indien sprake is van andere, zwaarwegende belangen en omstandigheden.

Alvorens de Minister een advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Wet Bibob aanvraagt, maakt hij redelijkerwijze gebruik van andere, bij of krachtens de Wet Personenvervoer 2000 en de Algemene wet bestuursrecht toegestane middelen om te toetsen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die kunnen leiden tot toepassing van artikel 3, eerste of zesde lid van de Wet Bibob.

Onder de in artikel 4.2, onder a genoemde kenmerken van de aanvrager of houder van een vergunning of de omgeving waarbinnen hij zijn activiteiten verricht wordt verstaan:

Onder de in artikel 4.2, onder b genoemde gegevens uit gesloten of open bronnen wordt verstaan:

Onder de in artikel 4.2, onder c genoemde gedragingen van de aanvrager of houder van een vergunning wordt verstaan:

Onder de in artikel 4.2, onder d genoemde objectieve kenmerken wordt verstaan:

Onverminderd artikel 4.1 wordt een advies uitsluitend aangevraagd indien op een aanvrager of houder van een vergunning:

De Minister kan in bijzondere omstandigheden van deze beleidsregel afwijken voor zover dit gelet op het achterhalen, voorkomen of tegengaan van misbruik van een vergunning niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob.