Wijzigingen Officiële bron
Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 23 oktober 2003Hygiënebesluit fokbedrijven pluimveevleessector 2003Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999,

Besluit;

Voor het bestuur,J.J.RamekersvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris.

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.

Indien bij het pluimvee op het (op-)fokbedrijf in de pluimveevleessector bij twee koppels achtereen op de wijze zoals beschreven in het in Bijlage I opgenomen programma Salmonella is aangetoond, moet het (op-)fokbedrijf een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan overeenkomstig het model in Bijlage II opstellen en het betreffende plan uitvoeren.

De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer.

Indien tussentijds pluimvee van een fokbedrijf wordt afgevoerd is de ondernemer verplicht het betreffende pluimvee af te voeren in bedrijfseigen kratten of containers.

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van zijn publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Hygiënebesluit fokbedrijven pluimveevleessector 2003.

A. Opfokbedrijven waarvan het pluimvee bestemd is voor fokbedrijven

A.1. Monstername en analyse

Monsters op opfokbedrijven waarvan het pluimvee bestemd is voor fokbedrijven dienen genomen en onderzocht te worden op alle types Salmonella volgens onderstaande tabel:

De eendagskuikens worden onderzocht door middel van het bemonsteren van inlegvellen. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die het opfokbedrijf uitoefent volgens het protocol uit onderdeel C. De monsters worden geanalyseerd door een door de voorzitter van het productschap erkend laboratorium. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.

Wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende koppel elitedieren (d.w.z. ouders van fokdieren) Salmonella positief blijken, dienen van de volgende uitkomst op het opfokbedrijf kuikens te worden bemonsterd die bij aankomst dood zijn (maximaal 60).

Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die het opfokbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel D. De monsters dienen te worden geanalyseerd door een door de voorzitter van het productschap erkend laboratorium.

Op een leeftijd van vier weken worden per stal 60 cloacamestmonsters genomen die tot twee monsters van ieder 30 worden gepoold. Op maximaal 14 dagen voor overplaatsing worden per stal 150 cloacamestmonsters genomen die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna te noemen GD) en wordt uitgevoerd door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD) of een andere door het productschap aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

Alle monsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.

A.2. Actie bij positieve bevindingen

Bij verdenking van Salmonella wordt verificatieonderzoek uitgevoerd door de GD. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatieonderzoek bestaat uit het nemen van 300 mestmonsters die tot 12 monsters van ieder 25 worden gepoold. Indien de dieren verdacht worden van Salmonella paratyphi B var. java en daartegen geënt zijn, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 18 monsters van ieder 25 worden gepoold.

Bij een verdenking naar S.e. moeten 60 bloedmonsters worden genomen die gepoold worden tot 10 monsters van ieder 6 en 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van 25, tenzij de dieren tegen S.e. geënt zijn. Dan worden 300 mestmonsters genomen die gepoold worden tot 12 monsters van ieder 25.

Bij besmetting met S.e., S.t. moet het betrokken koppel dieren door de ondernemer onverwijld worden geruimd.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de GD of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting.

Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd. Getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

Pluimvee dat vanwege een S.e., S.t. besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e., S.t. besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen.

Indien een koppel pluimvee besmet is met een Salmonella niet zijnde S.e./S.t. (op basis van het mestonderzoek dan wel inlegvellen onderzoek) dan dient het koppel binnen zeven dagen na vaststelling van de besmetting met een daarop gerichte effectieve antibacteriële behandeling behandeld te worden. Om vast te stellen of het koppel weer vrij is neemt het CBD of een andere door het productschap aangewezen instantie/persoon 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25, tenzij binnen 2 weken na de behandeling reeds een mestonderzoek volgens onder A1 genoemd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd.

A.3. Doorgifte resultaten onderzoek

Indien uit de analyse van de inlegvellen blijkt dat het koppel pluimvee verdacht wordt van een Salmonella, dan dient de ondernemer de GD hierover onmiddellijk te informeren, waarna het verificatieonderzoek uitgevoerd zal worden.

De GD geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen 1 maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatieonderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD. De monstername geschiedt binnen 24 uur na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e./S.t. of Salmonella paratyphi B var. Java is besmet dan geeft het erkende laboratorium de besmetting, waarbij een identificatienummer van de pluimveehouder is vermeld (KIP-nummer), binnen 48 uur aan het productschap door. De melding moet gedaan worden vanaf de eerste constatering t/m de verificatiestap. De pluimveehouder is ervoor verantwoordelijk dat de uitslag wordt doorgegeven aan het productschap. Hij kan dit laten uitvoeren door het erkende laboratorium.

Als uit de resultaten van het verificatie-onderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e., S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslag van het onderzoek op Salmonella dat maximaal 14 dagen voor overplaatsing plaatsvindt, dient door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

B. Fokbedrijven

B.1. Monstername en analyse

Monsters op fokbedrijven dienen genomen en onderzocht te worden op alle types Salmonella volgens onderstaande tabel:

De ondernemer kan kiezen uit drie verschillende monsternamemethoden.

Ten eerste kunnen per stal 150 cloacaswabs genomen worden, die worden gepoold tot 6 monsters van ieder 25 swabs.

De ondernemer kan er ook voor kiezen het onderzoek uit te voeren middels het nemen van twee paar overschoentjes of twee dragswabs, zie E.

De monsters worden door een door het productschap erkend laboratorium onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella.

Eenmaal per vier weken moet de bemonstering over de overschoentjes of dragswabs door het CBD of een andere door het productschap aangewezen persoon/instantie of door een bevoegd dierenarts geschieden. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD. Deze monsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella. De monsters die genomen worden mogen van maximaal drie stallen gezamenlijk in één zak of pot worden aangeleverd bij het erkende laboratorium. Het laboratorium voert één analyse uit op het gepoolde monster. Bij constatering van een Salmonella-besmetting in het gepoolde monster moet in alle betrokken stallen een verificatie-onderzoek worden verricht en moeten de broedeieren van alle stallen logistiek gebroed worden. Zodra via verificatieonderzoek bekend is uit welke stallen de besmetting afkomstig is, worden alleen de broedeieren uit de na verificatie vastgestelde besmette stallen logistiek gebroed.

Wanneer Salmonella aanwezig is, moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.

B.2. Actie bij positieve bevindingen

Bij een op grond van het mestonderzoek geconstateerde verdenking van Salmonella wordt verificatieonderzoek uitgevoerd door de GD. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatieonderzoek bestaat uit het nemen van 300 mestmonsters die tot 12 monsters van ieder 25 worden gepoold. Indien de dieren verdacht worden van S. Java en daartegen geënt zijn moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 18 monsters van ieder 25 worden gepoold.

Bij een verdenking van S.e. moeten 60 bloedmonsters worden genomen die gepoold worden tot 10 monsters van ieder 6 en 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van 25, tenzij de dieren tegen S.e. geënt zijn. Dan worden 300 mestmonsters genomen die gepoold worden tot 12 monsters van ieder 25.

Bij besmetting met S.e., S.t. moet het betrokken koppel dieren onverwijld door de ondernemer worden geruimd en mogen geen broedeieren meer worden afgeleverd.

Pluimvee dat vanwege een S.e., S.t. besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e., S.t. besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen. Reeds in de broederij ingelegde broedeieren geproduceerd door S.e., S.t. besmette fokdieren, dienen te worden behandeld als categorie- 2 risicomateriaal, conform EU-verordening 1774/2002 . De nog niet ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door het besmette koppel, mogen worden afgezet naar de eiproductenindustrie of moeten een andere effectieve behandeling ondergaan. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen de met S.e., S.t. besmette broedeieren te laten vernietigen.

Indien een koppel pluimvee besmet is met een Salmonella niet zijnde S.e./S.t. (op basis van het mestonderzoek) dan dient het koppel binnen zeven dagen na vaststelling van de besmetting met een daarop gerichte effectieve antibacteriële behandeling behandeld te worden. Om vast te stellen of het koppel weer vrij van Salmonella is. neemt het CBD of een andere door het productschap aangewezen instantie/persoon 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25, tenzij binnen 2 weken na de behandeling reeds een mestonderzoek volgens onder BI genoemd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de GD of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting.

Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd. Getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

B.3. Doorgifte resultaten onderzoek

De GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen 1 maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatieonderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD. De monstername geschiedt binnen 24 uur na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e./S.t. of Salmonella paratyphi B var. Java is besmet dan geeft het erkende laboratorium de besmetting, waarbij een identificatienummer van de pluimveehouder is vermeld (KIP-nummer), binnen 48 uur aan het productschap door. De melding moet gedaan worden vanaf de eerste constatering t/m de verificatiestap. De pluimveehouder is ervoor verantwoordelijk dat de uitslag wordt doorgegeven aan het productschap. Hij kan dit laten uitvoeren door het erkende laboratorium.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e., S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslagen van het onderzoek op Salmonella dienen door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

C. Werkvoorschrift voor het nemen van monsters inlegvellen

Doel

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van inlegvellen zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella van opfokgrootouderdieren bij aankomst. De monsters worden genomen op het opfokgrootouderbedrijf door of namens de eigenaar.

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal en locatie te nemen monsters

Uitvoering monstername

Inzendformulier

Verzending monsters

D. Werkvoorschrift voor het nemen van dode kuikenmonsters

Doel:

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van dode kuikens zoals is voorgeschreven in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij opfokdieren bij aankomst op het opfokbedrijf.

De monsters dienen te worden genomen wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende elitekoppel (d.w.z. ouders van fokdieren) Salmonella positief zijn.

De monsters worden genomen op het opfokbedrijf door of namens de ondernemer.

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal en locatie te nemen monsters

Uitvoering monstername

Inzendformulier

Verzending monsters

Voorbewerking monstermateriaal dode kuikens.

D. Werkvoorschrift voor het nemen van mestmonsters voor Salmonella

Monstername met overschoentjes

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

Uitvoering monstername

Inzendformulier

Verzending monsters

Monstername met dragswabs

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

Uitvoering monstername

Inzendformulier

Verzending monsters

Tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan

Door de Productschappen Vee, Vlees en Eieren is sinds 1997 het Plan van Aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveevleessector van kracht. In het najaar van 2000 is, nadat de tot dan toe geformuleerde doelstellingen nog niet gehaald waren een verscherpt plan opgesteld. In het nieuwe plan, het Actieplan Salmonella en Campylobacter pluimveevlees 2000+ omvat een aantal verscherpingen waarbij tracering van de besmetting een belangrijk onderdeel zijn geworden. Daarom is ook het hierna beschreven protocol voor tracering-, monitoring- en bestrijding opgesteld.

Wanneer op een (op) fokbedrijf, (opfok) vermeerderingsbedrijf of een vleeskuikenbedrijf bij twee koppels achtereen een Salmonellabesmetting wordt geconstateerd, moet samen met de volgens de GVP-code erkende dierenarts of de Gezondheidsdienst voor Dieren een uitgebreid tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan voor het bedrijf worden opgesteld om de besmetting op het bedrijf te bestrijden en een herbesmetting te voorkomen. Dit plan dient te worden opgesteld in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren. De vleeskuikenhouder is van de verplichting om het plan in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren gereed te hebben uitgezonderd. Wanneer het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan niet succesvol blijkt te zijn, kan het PPE aanvullende eisen aan het bedrijf stellen wat betreft inrichting, bestrijdings- en beheersingsmaatregelen en de logistiek en bestemming van de dieren of eieren.

Dit handboek biedt een handleiding voor het traceren, monitoren en bestrijden van Salmonella op de bedrijven middels een op maat geschreven plan. Het plan zal per specifiek (besmet) bedrijf richting geven aan een nieuwe opzet waarbij de kans op (her)besmetting zoveel mogelijk wordt vermeden. Bedrijfsspecifieke aandachtspunten worden systematisch verzameld en als actiepunten naar de ondernemer toe vertaald.

Het handboek is een opstap tot het plan. De huidige situatie m.b.t. de werkwijze, werkvolgorde, goederenstroom, hygiëne, gedrag en denkwijze van de ondernemer wordt in kaart gebracht. Uitgangspunt bij de screening is de “Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999". Hierin staan een aantal productievoorwaarden zoals die sinds 1 november 1997 voor pluimveehouders gelden. De screening van het (besmette) bedrijf vindt plaats aan de hand van de checklist in het handboek. Door met de pluimveehouder de aandachtspunten van de checklist na te lopen, de ogen tijdens de rondgang op het bedrijf goed de kost te geven en aan de hand van de bedrijfsplattegrond na te gaan of de werkwijze en/of bedrijfsopzet voor verbetering vatbaar is, resulteert het plan in een aantal concrete actiepunten (bestrijdingsplan).

Met het uitvoeren van de actiepunten (en aanbevelingen) wordt een zo hoog mogelijke drempel voor (her)besmetting opgeworpen.

Voor de screening kan het pluimveebedrijf het beste de hulp van een extern deskundige inroepen. Hij/zij is niet bedrijfsblind en kan daardoor de valkuilen en besmettingsrisico's beter aangeven dan de ondernemer zelf.

Door middel van open vragen met: "Wat, waarom, en vooral hoe?", wordt er een audit gehouden bij de veehouder. Doel van dit gesprek is o.a. het gedrag van de pluimveehouder te leren kennen. Daartoe wordt het volgende geïnventariseerd:

Rondje zetten om wat van toepassing is bij (+/-):

Hoe denkt de pluimveehouder dat hij een besmetting met Salmonella heeft gekregen?

_______________________________________________

_______________________________________________

_______________________________________________

_______________________________________________

_______________________________________________

Teken een plattegrond waarop de bedrijfsgebouwen staan aangegeven. Eventueel met cijfer daarbij vermelden:

Bij het doorlopen van de checklisten dient de route van het voer en de eieren op de plattegrond te worden aangegeven.

Door middel van een checklist worden alle mogelijke risicobronnen met betrekking tot (her)besmetting van Salmonella systematisch doorgelopen. Daarbij wordt de bedrijfsplattegrond gebruikt om de route of plek van bepaalde dingen te bepalen.

Lees voordat u de checklist van het handboek toepast, eerst de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999" door, zodat de artikelen waaraan niet voldaan wordt, voldoende aandacht krijgen.

De eisen zoals die in de "Verordening Hygienevoorschriften Pluimveehouderij 1999" zijn gesteld, zijn in dit handboek cursief gedrukt. De daarbij bijbehorende vragen zijn met een sterretje aangegeven. Het bedrijf wordt verondersteld al aan deze productievoorwaarden te voldoen. Als dat inderdaad zo is, wordt "voldoet" omcirkeld. Als het bedrijf nog niet aan deze voorwaarden voldoet, is het per definitie een actiepunt.

De checklist is als volgt opgebouwd:

Bij de checklist is de volgende kolomindeling aangehouden:

Bedrijfshygiëne is de basis voor een goed tegenoffensief. Met de juiste hygiënemaatregelen is het risico op besmetting preventief in te dammen.

In de checklist wordt afgetast of het bedrijf voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en/of nog meer drempels kan opwerpen om (her)besmetting te voorkomen. De in de checklist aangeven onderdelen “Slecht” geven de actiepunten weer waarin het bedrijf zich dient te verbeteren.

Geeft op de plattegrond het schone en vuile gedeelte van het bedrijf aan.

Geeft op de plattegrond aan:

Geef op de plattegrond aan:

Bij het traceren dient men te letten op zaken die het bedrijf aan- en afvoert en de manier waarop de pluimveehouder hiermee op z'n bedrijf omgaat. Door bijvoorbeeld voor het voer na te gaan hoe dit het bedrijf binnen komt, hoe het is opgeslagen (en misschien zelfs weer van het bedrijf wordt afgevoerd) zijn mogelijk risicovolle besmettingsbronnen op te sporen.

Bij de checklist zijn de zaken aangetekend in de kolom "Slecht" aanleiding om het betreffende punt te gaan verbeteren.

Met de voorkant van de stal wordt gedoeld op die kant waar de voerruimte zich bevindt.

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Onder monitoring wordt het onderzoek verstaan wat is uitgevoerd bij het betreffende koppel. Dit is niet alleen als ze op het bedrijf komen, maar ook daarvoor en erna.

De actiepunten kunnen bestaan uit maatregelen zoals ze al volgens de "Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999" als bekend verondersteld mochten zijn, en uit aanvullende maatregelen c.q. aanbevelingen. Dit zijn aandachtspunten en maatregelen met het oog op de "uiterste zorgvuldigheid". Te beschouwen als “aanbevelingen”.

Daarbij kan men o.a. denken aan:

De volgende zaken gelden ten allen tijde:

In onderstaande tabellen wordt als samenvatting een overzicht van de diverse (belangrijkste) actiepunten en aanbevelingen weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen handelingen op (zeer) korte termijn en (iets) langere termijn.