Ministeriële regeling · BWBR0016004
Vakantieregeling WW
Gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag4 december 2003De Minister van Sociale Zaken en WerkgelegenheidA.J. deGeusVan vakantie genieten als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel j, van de Werkloosheidswet en artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen is sprake gedurende de periode waarover de werknemer of de uitkeringsgerechtigde:
- a.
verklaart vakantie te genieten;
- b.
niet verklaart vakantie te genieten, maar daarvan, gelet op de feitelijke omstandigheden, kennelijk sprake is.
In deze regeling wordt verstaan onder dagen: maandag tot en met vrijdag danwel dinsdag tot en met zaterdag.
Deze regeling berust mede op artikel 6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
De werknemer kan per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
De uitkeringsgerechtigde kan per kalenderjaar gedurende 20 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van 65 dagen voor de werknemer, bedoeld in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 7 en 8, eerste lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten.
In afwijking van het tweede lid geldt een termijn van 65 dagen voor de IOW-gerechtigde, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, en 7 van de Regeling vrijstelling verplichtingen sociale zekerheidswetten.
Op het aantal dagen, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, wordt in mindering gebracht:
- a.
vijf maal het aantal hele weken voor de eerste werkloosheidsdag in het desbetreffende kalenderjaar, gedeeld door 13;
- b.
het aantal dagen waarop de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, met uitzondering van vakantiedagen die tevens nationale of christelijke feestdagen zijn.
Op het aantal dagen, bedoeld in artikel 2, tweede en vierde lid, wordt in mindering gebracht:
- a.
vijf maal het aantal hele weken voor de eerste dag waarop recht op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen bestond in het desbetreffende kalenderjaar, gedeeld door 13;
- b.
het aantal dagen waarop de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar vakantie heeft genoten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, met uitzondering van vakantiedagen die tevens nationale of christelijke feestdagen zijn.
Het aantal dagen, berekend volgens de voorgaande artikelen, wordt rekenkundig op hele dagen afgerond.
De werknemer die op 31 december 2003 op grond van artikel 2, tweede lid, van de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 19), per kalenderjaar gedurende 13 weken vakantie kon genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet kan, in afwijking van artikel 2, eerste lid, in 2004 gedurende maximaal 65 dagen vakantie genieten met behoud van zijn recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, voorzover hij voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling verplichtingen daartoe is aangegaan.
De regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 1992, nr. 92342 (Stcrt. 19), wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Deze regeling wordt aangehaald als: Vakantieregeling WW en IOW.