Wijzigingen Officiële bron
Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 11 december 2003 Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven legsector 2003 Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999,

Besluit:

Zoetermeer 11 december 2003J.J.RamekersvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over en verstaat daarnaast onder:

De ondernemer die een opfokbedrijf bestemd voor een vermeerderingsbedrijf uitoefent en zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het Productschap.

De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer.

Indien tussentijds pluimvee van een vermeerderingsbedrijf wordt afgevoerd is de ondernemer verplicht het betreffende pluimvee af te voeren in bedrijfseigen kratten of containers.

Monsters van opfokdieren dienen te worden geanalyseerd op alle types Salmonella en genomen volgens onderstaande tabel:

De eendagskuikens worden onderzocht door middel van het bemonsteren van inlegvellen. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer, die een opfokvermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel D. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e. en S.t.

Wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende koppel fokdieren S.e./S.t. positief bleken dienen van de volgende uitkomst op het opfokbedrijf kuikens te worden bemonsterd die bij aankomst dood zijn (maximaal 60). Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die het opfokvermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel E. De monsters dienen te worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

Op een leeftijd van vier weken worden per stal 60 cloacamestmonsters genomen die tot twee monsters van ieder 30 worden gepoold.

Maximaal 21 dagen voor overplaatsing worden per stal 150 cloacamestmonsters genomen die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna te noemen GD) en wordt uitgevoerd door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD) of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

Alle monsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e. en S.t..

Bij verdenking op S.e. of S.t. vindt verificatie-onderzoek plaats door de GD. Het verificatie-onderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatie onderzoek bestaat uit het nemen van 60 bloedmonsters die tot 10 monsters van ieder 6 worden gepoold en uit het nemen van 150 mestmonsters die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold. Bij besmetting met S.e. of S.t. wordt het betrokken koppel opfok-vermeerderingsdieren onverwijld door de ondernemer geruimd.

Pluimvee dat vanwege een S.e. of S.t. besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e. of S.t. besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting. Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings - en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

Indien uit de analyse van de inlegvellen blijkt dat het koppel pluimvee verdacht wordt van een S.e. en/of S.t. besmetting dan dient de ondernemer de GD hierover te informeren, waarna het verificatie-onderzoek uitgevoerd zal worden.

De GD geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen één maand door aan het Productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD. De monstername geschiedt binnen 1 dag na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD. Als uit de resultaten van het verificatie- onderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e. en/of S.t. is besmet dan stelt de Voorzitter van het Productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslag van het onderzoek op Salmonella dat plaatsvindt op maximaal 14 dagen voor aflevering dient door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

Vermeerderingsdieren dienen bemonsterd te worden op alle types Salmonella volgens tabel 1. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden onder C, moeten de vermeerderingsdieren bemonsterd worden volgens tabel 1 of volgens tabel 2. N.B. De onderzoeksschema's zijn verschillend voor koppels pluimvee die al dan niet geënt zijn tegen S.e.

Indien het koppel pluimvee niet geënt is tegen S.e. worden bloedmonsters genomen van 1% van de dieren met een minimum van 30 monsters per stal en een maximum van 60 monsters per stal.

Indien het koppel wel is geënt tegen S.e. dan worden per stal 150 mestmonsters genomen, die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de GD en wordt uitgevoerd door het CBD of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

Alle monsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e. en S.t..

Indien het koppel pluimvee niet geënt is tegen S.e. worden op een leeftijd van 20 - 22 weken bloedmonsters genomen van 1% van de dieren met een minimum van 30 monsters per stal en een maximum van 60 monsters per stal.

Indien het koppel wel is geënt tegen S.e. dan worden per stal 150 mestmonsters genomen, die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de GD en wordt uitgevoerd door het CBD of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

Bloedmonsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van antistoffen tegen S.e en S.t.

Mestmonsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e. en S.t..

Wanneer gekozen wordt voor het bemonsteringsschema van tabel 2, moet tevens worden voldaan aan de voorwaarden van onderdeel C.

Wanneer de respectievelijke donsuitslagen, meconiumuitslagen dan wel uitslagen van onderzoek op liggenblijvers van de voorgaande uitkomst van het betreffende koppel vermeerderingsdieren S.e. of S.t. positief waren dienen bij de volgende uitkomst (na bekend worden van de positieve uitslag) van dit koppel pluimvee in de broederij naast het verrichte onderzoek 60 liggenblijvers te worden bemonsterd. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die de broederij uitoefent, volgens het Werkvoorschrift voor het nemen van monsters op de kuikenbroederij, zoals opgenomen in Bijlage III van het Hygiënebesluit kuikenbroederijen 1999. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

Vervolgens worden vanaf 26 weken donsmonsters, meconiummonsters of monsters van liggenblijvers genomen door de broederij. De respectievelijke donsmonsters, meconiummonsters of monsters van liggenblijvers worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die de broederij uitoefent, volgens het Werkvoorschrift voor het nemen van monsters op de kuikenbroederij, zoals opgenomen in Bijlage III van het Hygiënebesluit kuikenbroederijen 1999. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e./S.t.. Wanneer gekozen wordt voor het bemonsteringsschema van tabel 2, moet tevens worden voldaan aan de voorwaarden van onderdeel C.

Naast de reguliere door de broederijen uit te voeren bemonstering van dons, meconium of liggenblijvers dient, tenminste eens in de acht weken, de monstername van dons, van meconium of van liggenblijvers ook door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD ), of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts te geschieden. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de GD. Monsters dienen te worden genomen uit alle uitkomstkasten waar op dat moment redelijkerwijs kan worden bemonsterd op dons, meconium dan wel liggenblijvers. Voor uitkomstkasten, waarin slechts broedeieren aanwezig zijn van vermeerderingsdieren waarop eens in de vier weken mestonderzoek wordt uitgevoerd, is dit niet verplicht.

Indien monitoring van een vermeerderingskoppel geschiedt door middel van onderzoek op dons, meconium of liggenblijvers in de broederij dient de uitslag van dit onderzoek als de basis voor verdenking van besmetting met Salmonella. Bij verdenking van besmetting met: S.e. of S.t. vindt verificatie-onderzoek door de GD plaats. Het verificatie-onderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In het geval van een S.e. of S.t. is dit onmiddellijk na een positieve bevinding op het dons-, meconium-of liggenblijversonderzoek.

In het geval van een S.e. of S.t positieve bevinding verkrijgt de koppel vermeerderingsdieren onmiddellijk de status 'mogelijk besmet'. In principe vindt het verificatie-onderzoek binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking plaats. Het verificatie onderzoek bestaat uit het nemen van 60 bloedmonsters die tot 10 monsters van ieder 6 worden gepoold en uit het nemen van 150 mestmonsters die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold. Ingeval het koppel dieren geënt is worden er geen bloedmonsters genomen, maar worden er in totaal 300 mestmonsters genomen die tot 12 monsters van ieder 25 gepoold worden. Wanneer een koppel S.e./S.t. besmet is, wordt het betrokken koppel vermeerderingsdieren onverwijld geruimd door de ondernemer en mogen geen broedeieren meer worden afgeleverd.

Pluimvee dat vanwege een S.e. of S.t. besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e. of S.t. besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen. Reeds inde broederij ingelegde broedeieren geproduceerd door S.e. of S.t. besmette vermeerderingsdieren dienen te worden behandeld als categorie 2-materiaal in de tin van EU-verordening 1774/2002. De nog niet ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door het besmette koppel, mogen worden afgezet naar de eiproducten industrie of moeten een andere effectieve behandeling ondergaan.

Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen de met S.e. of S.t. besmette broedeieren te laten vernietigen.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken. Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Hertracerings-, monitorings - en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

De GD geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen één maand door aan het Productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD of het door de voorzitter van het Productschap erkende laboratorium. De monstername geschiedt binnen 1 dag na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD.

Als uit de resultaten van het verificatie-onderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e. en/of S.t. is besmet dan stelt de Voorzitter van het Productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslagen van het onderzoek op Salmonella dienen door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van inlegvellen zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella van opfok-vermeerderingsdieren bij aankomst.

De monsters worden genomen op het opfokvermeerderingsbedrijf door of namens de eigenaar.

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van dode kuikens zoals is voorgeschreven in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij vermeerderingsdieren bij aankomst op het opfokvermeerderingsbedrijf.

Leg: De monsters dienen te worden genomen wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende fokkoppel S.e./S.t. positief zijn.

Vlees: De monsters dienen te worden genomen wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende fokkoppel Salmonella positief zijn.

De monsters worden genomen op het opfokvermeerderingsbedrijf door of namens de eigenaar.