Wijzigingen Officiële bron
Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 11 december 2003 Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven pluimveevleessector 2003 Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999,

Besluit:

Zoetermeer 11 december 2003J.J.RamekersvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over en verstaat daarnaast onder:

Indien bij het pluimvee op een (opfok-)vermeerderingsbedrijf in de pluimveevleessector op de wijze zoals beschreven in het in Bijlage I opgenomen programma Salmonella is aangetoond, moet het (opfok-)vermeerderingsbedrijf een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan overeenkomstig het model in Bijlage II opstellen en het betreffende plan uitvoeren.

De ondernemer die een opfokbedrijf bestemd voor een vermeerderingsbedrijf uitoefent en zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het Productschap.

Indien tussentijds pluimvee van een vermeerderingsbedrijf wordt afgevoerd is de ondernemer verplicht het betreffende pluimvee af te voeren in bedrijfseigen kratten of containers.

Monsters van opfokdieren dienen te worden geanalyseerd op alle types Salmonella en genomen volgens onderstaande tabel:

De eendagskuikens worden onderzocht door middel van het bemonsteren van inlegvellen. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer, die een opfokvermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel D. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de hoofdgroepen en S.e./S.t.. Indien er twijfel bestaat ten aanzien van de oorzaak van de besmetting moet een nadere serotypering gedaan worden.

Wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende koppel fokdieren Salmonella positief bleken dienen van de volgende uitkomst op het opfokbedrijf kuikens te worden bemonsterd die bij aankomst dood zijn (maximaal 60).

Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die het opfokvermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel E. De monsters dienen te worden geanalyseerd door een door de voorzitter van het productschap erkend laboratorium.

Op een leeftijd van vier weken worden per stal 60 cloacamestmonsters genomen die tot twee monsters van ieder 30 worden gepoold.

Maximaal 21 dagen voor overplaatsing worden per stal 150 cloacamestmonsters genomen die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna te noemen GD ) en wordt uitgevoerd door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD) of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

Alle monsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e./S.t.. Indien er twijfel bestaat ten aanzien van de oorzaak van de besmetting moet een nadere serotypering gedaan worden.

Bij verdenking van Salmonella vindt verificatieonderzoek plaats door de GD. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatie onderzoek bestaat uit het nemen van 60 bloedmonsters die tot 10 monsters van ieder 6 worden gepoold en uit het nemen van 150 mestmonsters die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold. Bij besmetting met S.e., S.t. wordt het betrokken koppel opfokvermeerderingsdieren onverwijld door de ondernemer geruimd. Pluimvee dat vanwege een S.e., S.t. of besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e., S.t. of besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen.

Indien een koppel pluimvee besmet is met een Salmonella niet zijnde S.e./S.t. (op basis van het mestonderzoek) dan dient het koppel binnen zeven dagen na vaststelling van de besmetting met een daarop gerichte effectieve antibacteriële behandeling behandeld te worden. Om vast te stellen of het koppel weer vrij is neemt het CBD of een andere door het PPE aangewezen instantielpersoon 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25, tenzij binnen 2 weken na de behandeling reeds een mestonderzoek volgens onder A1 genoemd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderroek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting. Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomenlte ondernemen acties worden vastgelegd. Getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

Indien uit de analyse van de inlegvellen blijkt dat het koppel pluimvee verdacht wordt van een Salmonellabesrnetting, dan dient de ondernemer de GD (S.e./S.t.) of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium (overige Salrnonellae) hierover te informeren, waarna het verificatie-onderzoek uitgevoerd zal worden.

De GD (S.e./S.t.) of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium (overige Salmonellae) geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen één maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium. De monstername geschiedt binnen 1 dag na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium. Als uit de resultaten van het verificatie-onderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e.,S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslag van het onderzoek op Salmonella dat plaatsvindt op maximaal 14 dagen voor aflevering dient door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

Vermeerderingsdieren dienen bemonsterd te worden op alle types Salmonella volgens tabel 1. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden onder C, moeten de vermeerderingsdieren bemonsterd worden volgens tabel 1 of volgens tabel 2.

N.B. De onderzoeksschema's zijn verschillend voor koppels pluimvee die al dan niet geënt zijn tegen S.e.

Er dient volgens de in de tabel genoemde frequentie een mestonderzoek te worden uitgevoerd. Daarvoor worden per stal 150 monsters genomen die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs. De ondernemer kan er ook voor kiezen het onderzoek uit te voeren middels het nemen van twee paar overschoentjes of twee dragswabs zie D.

De monsters worden door een door het productschap erkend laboratorium onderzocht op aanwezigheid van Salmonella. De monsters die genomen mogen worden van maximaal drie stallen gezamenlijk in één zak of pot worden aangeleverd bij het erkende laboratorium. Het laboratorium voert één analyse uit op het gepoolde monster. Bij constatering van een Salmonella-besmetting in het gepoolde monster moet in alle betrokken stallen een verificatie-onderzoek worden verricht en moeten de broedeieren van alle stallen logistiek gebroed worden. Zodra via verificatie-onderzoek bekend is uit welke stallen de besmetting afkomstig is, worden alleen de broedeieren uit de na verificatie vastgestelde besmette stallen logistiek gebroed.

Eenmaal per acht weken moet de bemonstering over de overschoentjes of (drag)swabs door het CBD of een andere door het PPE aangewezen persoon/instantie of door een bevoegd dierenarts te geschieden. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD. Alle monsters worden geanalyseerd door het erkende laboratorium op de aan- of afwezigheid van Salmonella. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.

Wanneer de vermeerderingsdieren zijn gehuisvest in kooien kan de monstername op de navolgende wijze plaatsvinden. Van minimaal 150 dieren moet een mestmonster worden verkregen. Dit kan worden verzameld via de mestband. De mest moet verzameld worden in twee potten. Verdere analyse vindt plaats conform bijlage D.

Bij verdenking van Salmonella vindt verificatieonderzoek plaats door de GD. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatieonderzoek bestaat uit het nemen uit het nemen van 300 mestmonsters die tot 12 monsters van ieder 25 worden gepoold. Indien de dieren verdacht worden van S. java en daartegen geënt zijn, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 18 monsters van ieder 25 worden gepoold.

Bij een verdenking naar S.e. moeten 60 bloedmonsters worden genomen die gepoold worden tot 10 monsters van ieder 6 en 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van 25, tenzij de dieren tegen S.e. geënt zijn. Dan worden 300 mestmonsters genomen die gepoold worden tot 12 monsters van ieder 25.

Bij besmetting met S.e., S.t. moet het betrokken koppel dieren onverwijld door de ondernemer worden geruimd en mogen geen broedeieren meer worden afgeleverd.

Indien door middel van verificatieonderzoek geconstateerd is dat een koppel pluimvee met Salmonella is besmet en er wordt niet geruimd, dan dient het koppel binnen zeven dagen na vaststelling van de besmetting met een daarop gerichte effectieve antibacteriële behandeling behandeld te worden. Om vast te stellen of het koppel weer vrij is neemt het CBD of een andere door het PP€ aangewezen instantie/persoon 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25, tenzij binnen 2 weken na de behandeling reeds een mestonderzoek volgens onder B.1. genoemd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd. De pluimveehouder kan bij een salmonellabesmetting te allen tijde er voor kiezen het koppel te ruimen.

Pluimvee dat vanwege een S.e. of S.t. besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e., S.t. besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen. Reeds in de broederij ingelegde broedeieren geproduceerd door S.e., S.t. besmette vermeerderingsdieren dienen te worden behandeld als categorie 2-materiaal conform Verordening (EG) nr. 1774/2002. De nog niet ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door het besmette koppel, mogen worden afgezet naar de eiproductenindustrie of moeten een andere effectieve behandeling ondergaan.

Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen de met S.e., S.t. besmette broedeieren te laten vernietigen.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken.

Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd. Getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

De GD (S.e./S.t.) of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium (overige Salmonellae) geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen één maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium. De monstername geschiedt binnen 1 dag na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e./S.t. of Salmonella paratyphi B var Java is besmet dan geeft het erkende laboratorium de besmetting, waarbij een identificatienummer van de pluimveehouder is vermeld (KIP-nummer), binnen 48 uur aan het productschap door. De melding moet gedaan worden vanaf de eerste constatering t/m de verificatiestap. De pluimveehouder is ervoor verantwoordelijk dat de uitslag wordt doorgegeven aan het productschap. Hij kan dit laten uitvoeren door het erkende laboratorium.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e., S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslagen van het onderzoek op Salmonella dienen door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van inlegvellen zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella van opfokvermeerderingsdieren bij aankomst.

De monsters worden genomen op het opfokvermeerderingsbedrijf door of namens de eigenaar.

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van dode kuikens zoals is voorgeschreven in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij vermeerderingsdieren bij aankomst op het opfokvermeerderingsbedrijf. De monsters dienen te worden genomen wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende fokkoppel Salmonella positief zijn.

De monsters worden genomen op het opfokvermeerderingsbedrijf door of namens de eigenaar.

Door de Productschappen Vee, Vlees en Eieren is sinds 1997 het Plan van Aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveevleessector van kracht. In het najaar van 2000 is, nadat de tot dan toe geformuleerde doelstellingen nog niet gehaald waren een verscherpt plan opgesteld. In het nieuwe plan, het Actieplan Salmonella en Campylobacter pluimveevlees 2000+ omvat een aantal verscherpingen waarbij tracering van de besmetting een belangrijk onderdeel zijn geworden. Daarom is ook het hierna beschreven protocol voor tracering-, monitoring- en bestrijding opgesteld.

Wanneer op een (op)fokbedrijf, (opfok)vermeerderingsbedrijf of een vleeskuikenbedrijf bij twee koppels achtereen een Salmonella besmetting wordt geconstateerd, moet samen met een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige een uitgebreid tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan voor het bedrijf worden opgesteld om de besmetting op het bedrijf te bestrijden en een herbesmetting te voorkomen. Dit plan dient te worden opgesteld in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren. De vleeskuikenhouder is van de verplichting om het plan in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren gereed te hebben uitgezonderd.

Wanneer het tracerings-, monitorings- en bestrijdingcplan niet succesvol blijkt te zijn, kan het PPE aanvullende eisen aan het bedrijf stellen wat betreft inrichting, bestrijdings- en beheersingsmaatregelen en de logistiek en bestemming van de dieren of eieren.

Dit handboek biedt een handleiding voor het traceren, monitoren en bestrijden van Salmonella op de bedrijven middels een op maat geschreven plan. Het plan zal per specifiek (besmet) bedrijf richting geven aan een nieuwe opzet waarbij de kans op (her)besmetting zoveel mogelijk wordt vermeden. Bedrijfsspecifieke aandachtspunten worden systematisch verzameld en als actiepunten naarde ondernemer toe vertaald.

Het handboek is een opstap tot het plan. De huidige situatie m.b.t. de werkwijze, werkvolgorde, goederenstroom, hygiëne, gedrag en denkwijze van de ondernemer wordt in kaart gebracht. Uitgangspunt bij de screening is de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999". Hierin staan een aantal productievoorwaarden zoals die sinds 1 november 1997 voor pluimveehouders gelden. De screening van het (besmette) bedrijf vindt plaats aan de hand van de checklist in het handboek. Door met de pluimveehouder de aandachtspunten van de checklist na te lopen, de ogen tijdens de rondgang op het bedrijf goed de kostte geven en aan de hand van de bedrijfsplattegrond na te gaan of de werkwijze en/of bedrijfsopzet voor verbetering vatbaar is, resulteert het plan in een aantal concrete actiepunten (bestrijdingsplan).

Met het uitvoeren van de actiepunten (en aanbevelingen) wordt een zo hoog mogelijke drempel voor (her)besmetting opgeworpen.

Voor de screening kan het pluimveebedrijf het beste de hulp van een extern deskundige inroepen. Hij/zij is niet bedrijfsblind en kan daardoor de valkuilen en besmettingsrisico's beter aangeven dan de ondernemer zelf.

Door middel van open vragen met: "Wat, waarom, en vooral hoe?", wordt er een audit gehouden bij de veehouder. Doel van dit gesprek is o.a. het gedrag van de pluimveehouderte leren kennen. Daartoe wordt het volgende geïnventariseerd:

Rondje zetten om wat van toepassing is bij (+/-):

Teken een plattegrond waarop de bedrijfsgebouwen staan aangegeven. Eventueel met cijfer daarbij vermelden:

Bij het doorlopen van de checklisten dient de route van het voer en de eieren op de plattegrond te worden aangegeven.

Door middel van een checklist worden alle mogelijke risicobronnen met betrekking tot (her)besmetting van Salmonella systematisch doorgelopen. Daarbij wordt de bedrijfsplattegrond gebruikt om de route of plek van bepaalde dingen te bepalen.

Lees voordat u de checklist van het handboek toepast, eerst de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999" door, zodat de artikelen waaraan niet voldaan wordt, voldoende aandacht krijgen. De eisen zoals die in de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999" zijn gesteld, zijn in dit handboek cursief gedrukt. De daarbij bijbehorende vragen zijn met een sterretje aangegeven. Het bedrijf wordt verondersteld al aan deze productievoorwaarden te voldoen. Als dat inderdaad zo is, wordt "voldoet" omcirkeld. Als het bedrijf nog niet aan deze voorwaarden voldoet, is het per definitie een actiepunt.

De checklist is als volgt opgebouwd:

Bij de checklist is de volgende kolomindeling aangehouden:

Bedrijfshygiëne is de basis voor een goed tegenoffensief. Met de juiste hygiënemaatregelen is het risico op besmetting preventief in te dammen.

In de checklist wordt afgetast of het bedrijf voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en/of nog meer drempels kan opwerpen om (her)besmetting te voorkòmen. De in de checklist aangeven onderdelen "Slecht" geven de actiepunten weer waarin het bedrijf zich dient te verbeteren.

Geeft op de plattegrond het schone en vuile gedeelte van het bedrijf aan.

Geeft op de plattegrond aan:

Geef op de plattegrond aan:

- plaats waar de ratten en muizen met gif worden gevoerd.

Bij het traceren dient men te letten op zaken die het bedrijf aan- en afvoert en de manier waarop de pluimveehouder hiermee op z'n bedrijf omgaat. Door bijvoorbeeld voor het voer na te gaan hoe dit het bedrijf binnen komt, hoe het is opgeslagen (en misschien zelfs weer van het bedrijf wordt afgevoerd) zijn mogelijk risicovolle besmettingsbronnen op te sporen.

Bij de checklist zijn de zaken aangetekend in de kolom "Slecht" aanleiding om het betreffende punt te gaan verbeteren.

Met de voorkant van de stal wordt gedoeld op die kant waar de voerruimte zich bevindt.

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Onder monitoring wordt het onderzoek verstaan wat is uitgevoerd bij het betreffende koppel. Dit is niet alleen als ze op het bedrijf komen, maar ook daarvoor en erna.

De actiepunten kunnen bestaan uit maatregelen zoals ze al volgens de "Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999" als bekend verondersteid mochten zijn, en uit aanvullende maatregelen c.q. aanbevelingen. Dit zijn aandachtspunten en maatregelen met het oog op de "uiterste zorgvuldigheid". Te beschouwen als "aanbevelingen'.

Daarbij kan men o.a. denken aan:

De volgende zaken gelden ten allen tijde:

In onderstaande tabellen wordt als samenvatting een overzicht van de diverse (belangrijkste) actiepunten en aanbevelingen weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen handelingen op (zeer) korte termijn en (iets) langere termijn.

In dit artikel wordt een protocol beschreven dat algemeen toepasbaar is en dient te worden ingevuld op basis van de specifieke bedrijfssituatie. Hiermee wordt onder meer bedoeld dat de te kiezen middelen en doseringen door de pluimveehouder zelf moeten worden ingevuld. Uiteraard is het raadzaam om deskundig advies in te winnen over de keuze van het materiaal, zodat de verschillende middelen goed op elkaar zijn afgestemd en niet contraproductief werken. Daarnaast hangt de werkwijze af van het type pluimvee en de daarbij horende staltypen.

Over reinigen en ontsmetten bestaan veel verschillende meningen bij mensen die in de pluimveehouderij werkzaam zijn. De meningen lopen uiteen van 'alles moet steriel zijn als in een operatiekamer' tot 'alleen met water reinigen is genoeg'. De verordeningen van de Productschappen Pluimvee en Eieren schrijven echter bepaalde werkwijzen voor die kunnen bijdragen tot de vermindering van de Salmonella- en Campylobacterbesmettingen van het eindproduct: pluimveevlees of eieren. In de bestrijding van deze bacteriën speelt de reiniging en ontsmetting van stallen terecht, een belangrijke rol. Toch is dit niet de enige reden om goed te ontsmetten. Allerlei ongewenste ziektekiemen voor de dieren zelf dienen ook te worden gedood. Bij elke nieuwe koppel dient er met een schone lei te worden begonnen, waarbij ook de insleep vanuit de omgeving van de stallen moet worden voorkomen. Er bestaat geen algemeen geldende "beste" methode waarop een stal dient te worden gereinigd en ontsmet. Wel zijn er tal van specifieke zaken waarmee rekening moet worden gehouden en die in de loop van de jaren verwateren of worden vergeten. In dit artikel staan vele zaken die uiteraard bekend en voor de hand liggend zijn, maar er wordt getracht uw geheugen op te frissen en uzelf scherp te houden.

De werkzaamheden rondom het schoonmaken en ontsmetten van pluimveestallen komt in grote lijnen hierop neer:

Reinigen en ontsmetten zijn twee afzonderlijke handelingen. De aanwezigheid van organisch vuil, maar vooral van vet staat een goede ontsmetting in de weg. Organisch materiaal inactiveert ontsmettingsmiddelen en vet is een prima beschermer van micro-organismen. Alleen als er loog wordt gebruikt, weliswaar met in achtneming van voldoende inweektijd, zouden ze in één procesgang kunnen worden uitgevoerd.

Algemeen geldt echter, als zowel een reinigings- als een desinfectiemiddel wordt gebruikt, moeten de beide middelen op elkaar zijn afgestemd. Deze informatie is te verkrijgen bij de leverancier van de middelen.

Voor een goede reiniging van de stal en directe omgeving is het van belang dat de werkzaamheden in de juiste volgorde worden uitgevoerd. Het water dat voor de reiniging wordt gebruikt dient minimaal geschikt te zijn als drinkwater voor vee, om te voorkomen dat er stoffen in zitten die de reiniging negatief beïnvloeden.

Probeer allereerst vast te stellen wat de aard is van de inwendige vervuiling van het systeem. Dit kan gedaan worden door het systeem op enkele plaatsen te ontkoppelen.

Ruwweg kan dit bestaan uit organisch vuil (bacteriën, algen en schimmels) of anorganisch (kalksteen). Organische aanslag kan worden verwijderd met een alkalisch reinigingsmiddel of waterstofperoxide; anorganische aanslag moet worden bestreden met een zuur reinigingsmiddel (pas op voor corrosie). Tijdens de reiniging dient de stal c.q. de watertemperatuur minimaal 10 OC te bedragen.

Werkwijze reiniging drinkwatersysteem

Nippel- en cupsystemen en centrale leidingen:

Drinktorens en losse cups:

Onderdompelen in de reinigingcvloeistof (kalkoplossend) en 2 tot 6 uur in laten werken. Daarna onder druk afspuiten met een koude waterstraal. Bij ernstige vervuiling met een harde borstel reinigen.

Daarna de nippelleidingen volzetten met een ontsmettingsmiddel, de benodigde tijd laten staan en met schoon drinkwater naspoelen. Controleer hierbij desgewenst of alle ontsmettingsmiddel weg is.

De drinktorens dompelen of afsproeien met een ontsmettingsmiddel, waarna ze worden nagespoeld met schoon drinkwater.

Ontsmetting kan gedaan worden met verschillende ontsmettingsmiddelen, die elk één of meerdere werkzame stoffen bevatten. Om een goede werkzaamheid tegen Salmonella paratyphi B var. Java te verkrijgen wordt ontsmetting met formalinehoudende middelen geadviseerd. Voor de meeste middelen geldt dat de stal zeer goed gereinigd moet zijn, omdat de werkzame stof door vuilresten onwerkzaam wordt gemaakt. Ontsmetting kan uitgevoerd worden met de aanwezige reinigingsapparatuur. Er moet echter geen hoge druk gebruikt worden. De beste resultaten worden behaald door een combinatie van een ontsmetting van de vloer, de opgaande wand en de inlaatkleppen met de hogedrukreiniger gevolgd door een ruimteontsmetting met een hoge druk vernevelaar.

Het doel van de monstername is Salmonella paratyphi B var. Java te vinden, het is derhalve van belang om gericht te zoeken naar zichtbaar vuile oppervlakken. Deze worden bemonsterd, aangezien het niet zinvol is om schone oppervlakken te swabben.

Soms is het zinvol om meer swabs te nemen van andere dan de hier genoemde plaatsen; hierbij geldt steeds weer dat er gericht gezocht dient te worden. Dergelijke plaatsen kunnen in de directe omgeving van de stallen liggen, bijvoorbeeld de voerdistributiel weegplaats.

Het is uiteraard van belang om een visuele beoordeling van de stallen en inventaris uit te voeren. Hierbij moet ook de aanwezigheid van ongedierte, zoals kevers en larven worden meegenomen.

Bij het nemen van swabmonsters in de stallen die met Salmonella paratyphi B var. Java besmet waren, dienen tenminste 50 swabs genomen te worden bijvoorbeeld op de volgende plaatsen (dit laatste is enigszins afhankelijk van de betreffende praktijksituatie).

Voorts monstername van losliggend vuil en schraapsel van risicoplaatsen, zoals de binnenzijde van de voervijzel, bedrijfsschoeisel en kieren van afvoerputten. Het te nemen aantal swabs is afhankelijk van de hoeveelheid aangetroffen materiaal.

Voor de analyse mogen 25 swabs worden gepoold.