Beleidsregel · BWBR0016099
Beleidsregel ontheffingverlening LZV
Gelet op artikel 4 van de Regeling ontheffingverlening Dienst Wegverkeer;
Besluiten:
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De directeur van de Dienst Wegverkeer,J.G.HakkenbergDe Minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H.PeijsDeze beleidsregel is van toepassing op vrachtautocombinaties waarvoor door de Ambtelijke adviescommissie LZV een positief advies, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV, is gegeven of ingetrokken.
Op basis van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV, keurt de Dienst Wegverkeer de vrachtautocombinatie overeenkomstig de in de bijlage opgenomen eisen.
Van deze keuring wordt schriftelijk bewijs geleverd.
De Dienst Wegverkeer verleent naar aanleiding van een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV en het bewijs van keuring als bedoeld in artikel 2, van deze beleidsregel een ontheffing:
- a.
als bedoeld in artikel 149, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 voor wegen in beheer van het Rijk;
- b.
als bedoeld in artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het mandaat dat door overige wegbeheerders aan de RDW is gegeven, daartoe strekt.
De Dienst Wegverkeer verleent ondersteuning bij de aanvraag voor ontheffingverlening bij de in artikel 149, eerste lid, onder b, c en d, van de Wegenverkeerswet 1994, genoemde bevoegde wegbeheerders voor alle weggedeelten, die deel uitmaken van een te rijden traject als bedoeld in de bijlage, onder II, van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV.
De kosten verbonden aan het aanvragen en verlenen van een ontheffing zijn voor rekening van de aanvrager.
Indien een positief advies van de Ambtelijke adviescommissie LZV, zoals bedoeld in artikel 4 van het Instellingsbesluit Ambtelijke adviescommissie LZV, wordt ingetrokken, wordt de ontheffing, bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregel, op overeenkomstige wijze ingetrokken.
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffingverlening LZV.
- 1.
Een vrachtautocombinatie bestaat uit een trekkende eenheid van de categorie N2 of N3 en een of meerdere eenheden van de categorie O3 of O4, bedoeld in bijlage II, van richtlijn nr. 70/156/EEG.
- 2.
De totale lengte van een vrachtautocombinatie mag inclusief uitrustingsdelen niet meer bedragen dan 25,25 m.
- 3.
Een vrachtautocombinatie heeft een minimale lengte van de laadruimte, bedoeld in bijlage 1, onder 1.7, van richtlijn nr. 96/53/EG, van tenminste 18,00 m. Indien als laadeenheden containers worden gebruikt, dient de vrachtautocombinatie geschikt te zijn voor het vervoer van 3 TEU.5
- 4.
Een vrachtautocombinatie vertoont onder alle omstandigheden een stabiel weggedrag.
- 5.
Het remsysteem van de voertuigen van een vrachtautocombinatie is voorzien van een antiblokkeersysteem en voldoet voor het overige tenminste aan richtlijn nr. 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 88/194/EEG.
- 6.
Een combinatie van oplegger en dolly wordt, met uitzondering van de totale lengte, beschouwd als een autonome aanhangwagen, bedoeld in bijlage 1, punt 2.2.3, van richtlijn 97/27/EG en dient te voldoen aan de eisen met betrekking tot de bijbehorende reminrichting.
- 7.
De breedte van het zichtveld, aansluitend aan de rechterzijde van een vrachtautocombinatie, bedraagt bij naar rechts doorrijden van een cirkel met een buitenstraal van 14,50 m, ten minste 5 m over de gehele lengte van de vrachtautocombinatie;.
- 8.
Een vrachtautocombinatie is geschikt voor de in de combinatie optredende krachten en belastingen. Indien de totale massa van de vrachtautocombinatie meer bedraagt dan 50.000 kg, zijn de trekkende voertuigen voorzien van een ontheffingsattest, waaruit de geschiktheid van het voertuig moet blijken voor de opgegeven waarde van de aangevraagde ontheffing.
- 9.
De totale massa van de vrachtautocombinatie mag niet meer bedragen dan bedoeld in artikel 5.18.18, tweede lid, onderdeel b, van het Voertuigreglement, tenzij het trekkend motorvoertuig is voorzien van een hulpwegrij-inrichting , bedoeld in bijlage I. punt 2.14, van richtlijn nr. 97/27/EG.
- 10.
Een samenstel beschikt over ten hoogste twee draaipunten.
- 11.
De voertuigen van een samenstel zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, en is uitgevoerd als een doorlopend vlak.
- 12.
Het trekkend motorvoertuig van een samenstel is voorzien van een afscherming aan de voorzijde als bedoeld in richtlijn nr. 2000/40/EG dan wel van een afscherming die dezelfde veiligheid biedt.
- 13.
De voertuigen van een samenstel zijn voorzien van opspatafschermingen, die voldoen aan richtlijn 91/226/EG.
- 14.
Het trekkend motorvoertuig beschikt over een motorvermogen van ten minste 5 x 10-3 kW per kg van de toegestane totale massa van een vrachtautocombinatie.
- 15.
Het trekkend motorvoertuig beschikt over een motor die voldoet aan de emissie-eisen voor voertuigen die een eerste registratie hadden na 1oktober 2001 (Euro-III, eisen, zoals vermeld in Rij A, van de tabellen onder 6.2.1, van richtlijn nr. 1999/96/EG) met uitzondering van trekkende voertuigen die hebben deelgenomen aan de eerder gehouden proef en voldeden aan de 'Voorwaarden voor proeven met langere en/of zwaardere vrachtwagens' (Stcrt. 1999, nr. 218).
- 16.
Indien het trekkende motorvoertuig is voorzien van zogenoemde 'super-singles' op de aangedreven as, is deze as voorzien van een Electronic Stability Programme (of daarmee gelijk te stellen inrichting) of een zogenaamde 'Inner Safety Tube'.
- 17.
Het trekkend motorvoertuig is voorzien van een brandstofverbruiksmeter of on-boardcomputer of boordcomputer, die in staat is per afgelegd traject het brandstofverbruik tot in tienden van liters nauwkeurig weer te geven.
- 18.
De voertuigen in een vrachtautocombinatie zijn voorzien van een doorlopende zijmarkering, bedoeld in ECE-reglement nr. 104, inclusief Amendment 1.
- 19.
De stuurinrichting van trekkende eenheden is aan de linkerzijde in de cabine aangebracht, bedoeld in bijlage I, punt 1.3, van richtlijn nr. 70/311/EEG.
- 20.
Het achterste voertuig van een vrachtautocombinatie is aan de achterzijde voorzien van een in retroreflecterend materiaal uitgevoerd waarschuwingsbord waarop de tekst 'Let op' en totale lengte in meters van de vrachtautocombinatie is vermeld.
- 21.
Een vrachtautocombinatie heeft een bestreken baan van ten hoogste 8 m, wanneer deze een cirkel rijdt met een buitenstraal van 14,50 m.
- 22.
De voertuigen die deel uitmaken van een vrachtautocombinatie zijn zonder aanpassingen in te zetten in een standaard toegelaten combinatie met uitzondering van voertuigen die hebben deelgenomen aan de eerder gehouden proef en voldeden aan de 'Voorwaarden voor proeven met langere en/of zwaardere vrachtwagens' (Stcrt. 1999, nr. 218).