Circulaire · BWBR0016249
Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen
Met deze circulaire maken de ministers van Verkeer en Waterstaat (VenW) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) hun beleid bekend over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Sommige geadresseerden van deze circulaire vallen niet onder de verantwoordelijkheid van een van deze bewindspersonen. Hen wordt gevraagd om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om zowel vervoersbesluiten als omgevingsbesluiten.
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen was aanvankelijk gebaseerd op de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Dit beleid is inmiddels geëvalueerd. In de Nota vervoer gevaarlijke stoffen is naar deze resultaten verwezen.
In het Vierde Nationaal Milieu Beleidsplan (NMP-4) is een wettelijke verankering van de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangekondigd. Bij deze wettelijke verankering zullen de resultaten van voormelde evaluatie worden betrokken. Tot het moment van realisatie van deze verankering wordt in deze circulaire het beleid met betrekking tot risiconormering geoperationaliseerd en verduidelijkt. Daarmee treedt deze circulaire in de plaats van de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. De werkingsduur van deze circulaire loopt tot uiterlijk 31 juli 2012. Wanneer voornoemde wettelijke verankering wordt gerealiseerd, zal de circulaire echter worden ingetrokken.
Met de inwerkingtreding van deze circulaire kan aan het licht komen dat in het verleden een andere interpretatie van de risicobenadering is aangehouden, dan op grond van de circulaire wordt aanbevolen. Het is zelfs mogelijk dat de risicobenadering helemaal niet is toegepast. In dergelijke situaties dient alles wat redelijkerwijs mogelijk is te worden gedaan om de ontstane situatie alsnog met deze circulaire in overeenstemming te brengen. In elk geval moet in overleg met alle betrokken bestuursorganen worden nagegaan op welke andere wijze de veiligheidssituatie geoptimaliseerd kan worden. Daarbij dient tevens aandacht te worden besteed aan de bestrijding van een onverhoopt incident en de mate waarin personen tijdig een veilig heenkomen kunnen zoeken.
In deze circulaire is zoveel mogelijk aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Daarbij gaat het onder meer om:
- •
De uitwerking van de normen voor het plaatsgebonden risico (voorheen: individueel risico) en de toepassing daarvan;
- •
De wijze waarop met een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico moet worden omgegaan;
- •
Het betrekken van zelfredzaamheid en hulpverlening bij de afweging van het groepsrisico;
- •
De vaststelling van een lijst van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
In deze circulaire wordt de risicobenadering uitgewerkt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen valt niet binnen het toepassingsbereik. Dit betekent dat deze circulaire niet ziet op bijvoorbeeld stuwadoorsinrichtingen, terminals of emplacementen. Evenmin is hieronder het vervoer over de weg op andere dan openbare wegen begrepen. Als het gaat om binnenwateren is de circulaire van toepassing op die binnenwateren waarop ook de Binnenschepenwet of het Binnenvaart politiereglement van toepassing is.
Onder 'gevaarlijke stoffen' worden, met uitzondering van het vervoer door buisleidingen, die stoffen verstaan die in het kader van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, sub 1 tot en met 9, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (verder te noemen: WVGS) als gevaarlijk moeten worden beschouwd. Meer in het bijzonder zijn dit de stoffen, preparaten en voorwerpen4 die krachtens artikel 3 van de WVGS zijn aangewezen. Deze stoffen zijn te vinden in de bijlagen bij de verdragen die zijn gesloten voor de verschillende vervoermodaliteiten, te weten het ADR (wegvervoer)5, het ADNR (binnenvaart)6 en het RID (spoorvervoer)7. Deze bijlagen zijn tevens opgenomen als bijlage 1 bij de verschillende Nederlandse regelingen, te weten de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG) en de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG).
Bij het vervoer door buisleidingen worden onder 'gevaarlijke stoffen' die stoffen verstaan die op grond van artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer moeten worden beschouwd als ontplofbaar, oxiderend, zeer licht ontvlambaar, licht ontvlambaar, zeer vergiftig of vergiftig.
In het kader van de risicobenadering zijn steeds die stoffen bepalend die een risico van een zwaar ongeval opleveren. Dit risico wordt in belangrijke mate bepaald door de schadelijke eigenschappen van de desbetreffende stof, de omvang van het transport en de kwetsbaarheid van de omgeving. Voorbeelden van schadelijke eigenschappen zijn giftigheid, brandbaarheid of explosiviteit. Veel voorkomende stoffen die deze eigenschappen bezitten zijn brandbare gassen (zoals propaan), brandbare vloeistoffen (zoals benzine) en giftige gassen (zoals ammoniak).
Op 19 augustus 2009 heeft het kabinet het ontwerp-Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) toegezonden aan de Tweede Kamer. Dat ontwerpbesluit is op 28 augustus 2009 voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2009, nr. 12819). Het ontwerpbesluit regelt onder meer de externe-veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het externe-veiligheidsbeleid voor buisleidingen wordt daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. De regels in het ontwerpbesluit zijn gericht tot de exploitant van een buisleiding en het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening.
Op grond van het Bevb zal voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen de risicobenadering gaan gelden. Dit houdt in dat voorzien wordt in een basisveiligheidsniveau voor elke burger in de vorm van een grenswaarde en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en dat een verantwoordingsplicht gaat gelden voor het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening ten aanzien van het groepsrisico.
De beleidsinformatie die is opgenomen in de circulaires voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is inmiddels verouderd. Het gaat hierbij om de circulaire ‘Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen' van 26 november 1984 en de circulaire ‘Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie' van 24 april 1991.
Ten aanzien van de veiligheidsafstanden die zijn opgenomen in deel E van het Structuurschema Buisleidingen (Kamerstukken II, 1984–1985, 17 375, nrs. 37–38) voor leidingstroken zal in de Structuurvisie buisleidingen een nader besluit worden genomen. Die structuurvisie wordt in 2010 verwacht.
Deze circulaire gaat alleen over de bescherming van personen die in de omgeving van infrastructuur verblijven. Zij heeft geen betrekking op de bescherming van verkeersdeelnemers, zoals bestuurders of reizigers. Deze maken deel uit van het risicoveroorzakende systeem: de infrastructuur met de daarop plaatsvindende vervoershandelingen. Hierop is gewoonlijk de term 'interne veiligheid' van toepassing. Overigens kunnen verkeersdeelnemers in het kader van de herziening van het groepsrisico wel in de afweging worden meegenomen. Hiervoor wordt verwezen naar de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ (uitgave november 2007) die door de Ministeries van BZK, VROM en VenW in samenwerking met de medeoverheden is opgesteld.
Bij beslissingen over ondertunneling of overkapping moet specifiek naar de externe en interne veiligheidssituatie worden gekeken. Als er sprake is van een EV probleem, dan zijn de risiconormen uit deze circulaire van toepassing. Er moet worden afgezien van het overbouwen van infrastructuur waarbij zonder enige extra bescherming werk- of woonfuncties boven de infrastructuur worden gerealiseerd, tenzij de betreffende objecten aan de normen in deze circulaire voldoen.
Deze circulaire besteedt in kwantitatieve zin geen aandacht aan letselschade door ongevallen. Voor het in beeld brengen en beoordelen van dergelijke risico's zijn tot op heden geen of nauwelijks bruikbare instrumenten ontwikkeld. Omdat deze risico's wel van belang kunnen zijn, moeten ze in overleg met de verantwoordelijke diensten geïnventariseerd worden en bij ramp- en ongevalsbestrijding en hulpverlening worden betrokken.
De nota RNVGS is destijds tot stand gekomen in overleg met een groot aantal betrokkenen. Dit waren onder andere de ministeries van BZK, en van Economische Zaken, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de DCMR Milieudienst Rijnmond, enkele gemeentes en het bedrijfsleven. Deze afstemming heeft geleid tot een breed draagvlak voor het in de nota RNVGS neergelegde beleid.
In grote lijnen is het beleid dat ten grondslag ligt aan deze circulaire niet gewijzigd ten opzichte van de nota RNVGS. Deze circulaire kan op instemming rekenen van de ministeries van BZK, van VROM, en van Economische Zaken en is afgestemd met vertegenwoordigers van het IPO en van de VNG. Ook vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zijn betrokken bij de totstandkoming van de circulaire.
In hoofdstuk 2 wordt allereerst ingegaan op het externe veiligheidsbeleid in het algemeen en het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het bijzonder dat zijn beslag heeft gekregen in de zogenaamde risicobenadering. In de hoofdstukken daarna worden achtereenvolgens de drie stappen van de risicobenadering uitgewerkt. Zo gaat hoofdstuk 3 in op de identificatie van risico's, besteedt hoofdstuk 4 aandacht aan de normstelling en de toetsing aan de normen en wordt in hoofdstuk 5 uiteengezet op welke wijze je de risico's kunt reduceren bij overschrijding van de risiconormen. In hoofdstuk 6 wordt tenslotte stilgestaan bij de toepassing van de risicobenadering bij onder andere vervoersbesluiten en omgevingsbesluiten.
Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:
- a.
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
- b.
het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen);
- c.
het gebruik van luchthavens.
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden.
Het beleid voor externe veiligheid is een onderdeel van het integraal veiligheidsbeleid dat valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van BZK. Dit integraal veiligheidsbeleid omvat pro-actie, preventie, preparatie, repressie en nazorg. De minister van VROM is belast met de interdepartementale coördinatie van het externe veiligheidsbeleid. De minister van VenW is primair verantwoordelijk voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Op grond van de risicobenadering worden grenzen gesteld aan de risico's gelet op de kwetsbaarheid van de omgeving en vice versa. De toepassing van de risicobenadering heeft dus primair betrekking op de onderdelen pro-actie, de preventie en de preparatie van de veiligheidsketen. In deze circulaire wordt de risicobenadering verder uitgewerkt.
De risicobenadering bestaat uit vier onderdelen:
- 1.
identificatie van de risico's;
- 2.
risicoanalyse;
- 3.
toetsing van de risico's aan normen;
- 4.
risicoreductie en aspecten van zelfredzaamheid en hulpverlening.
Alvorens deze onderdelen verder toe te lichten, wordt eerst ingegaan op het begrip 'risico'.
Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de toetsing van risico's aan de norm, waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op risicoreductie en aspecten van zelfredzaamheid en hulpverlening.
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij meestal geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De diverse niveaus van het plaatsgebonden risico worden geografisch weergegeven door zogenaamde iso-risicocontouren (lijnen) om de activiteit (infrastructuur of buisleiding). Daarbij verbindt elke lijn plaatsen in de omgeving van een risicovol object of een transportas met een even hoog plaatsgebonden risico.
In de figuur is de iso-contour voor het plaatsgebonden risico van 10-6 en de iso-contour voor het plaatsgebonden risico van 10-7 weergegeven.
Het groepsrisico is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale het aantal doden logaritmisch is weergegeven. De volgende figuur illustreert dit.
De kromme lijnen geven de verschillende 'externe veiligheidsscores' weer van bijvoorbeeld nieuwe infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen. De rechte lijn geeft de oriëntatiewaarde (OW) van het groepsrisico weer. Aan de rechterkant van deze lijn is sprake van een overschrijding van deze oriëntatiewaarde.
Om te kunnen bepalen of het vervoer van gevaarlijke stoffen over een bepaalde route voldoet aan de externe veiligheidsnormen, moeten eerst het plaatsgebonden risico en het groepsrisico worden berekend. Om de risico's te kunnen berekenen zijn gegevens nodig over bijvoorbeeld vervoersstromen en ruimtelijke ontwikkelingen. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 3.2.
Het is niet altijd nodig om hiervoor een gedetailleerde, tijdrovende en dure kwantitatieve risicoanalyse uit de voeren. In ‘Guidelines for Quantitative Risk Assessment’, uitgave december 2005 (PGS 3, het zogenaamde Paarse Boek) wordt van een specifiek routedeel aangegeven op welke drie wijzen het risiconiveau inzichtelijk kan worden gemaakt, waarbij de mate van nauwkeurigheid toeneemt:
- 1.
Een eerste indruk van de risiconiveaus kan worden verkregen aan de hand van de risicoatlassen, het Risico Register Gevaarlijke Situaties (RRGS) of door het aantal transportbewegingen per jaar te vergelijken met de drempelwaarden, de zogenoemde vuistregels. De vuistregels gelden alleen voor elementaire situaties. Als uit de verkeerssituatie of anderszins blijkt dat er geen sprake is van een elementaire situatie, dan moet worden doorgegaan naar stap 2.
- 2.
Als op basis van het voorgaande niet duidelijk is of er sprake is van een externe veiligheidsprobleem, dan kan het risico op betrekkelijk eenvoudige manier worden ingeschat met behulp van het risicoberekeningsprogramma RBMII (zie www.rbmii.nl);
- 3.
De RBMII is een gestandaardiseerde kwantitatieve risicoanalyse. Als deze onvoldoende uitsluitsel biedt, dient in overleg met betrokken bestuursorganen een meer op de situatie toegesneden kwantitatieve risicoanalyse worden toegepast. Hierbij kunnen de kennisinstituten op het gebied van externe veiligheid worden geraadpleegd.
Zoals gezegd, moet voorafgaand hieraan informatie worden verzameld om mogelijke risico's te kunnen identificeren9. Hierop wordt nu ingegaan.
Om de verschillende stappen van risico-identificatie te doorlopen, moet informatie worden verzameld over vervoersstromen, ruimtelijke ontwikkelingen en risico's.
Bij nieuwe infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen zijn gegevens nodig over te verwachten vervoerstromen en bevolkingsdichtheden. Bij bestaande situaties gaat het vooral om gegevens over huidige vervoersstromen en bevolkingsdichtheden. Dat neemt niet weg dat ook bij bestaande situaties rekening moet worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om redelijkerwijs te voorziene veranderingen in vervoersstromen en/of bevolkingsdichtheden. Hierbij kan in principe worden uitgegaan van een periode van tien jaar. Soms is het echter nodig om verder vooruit te kijken, denk bijvoorbeeld aan het eindbeeldonderzoek van ROBEL (2020). Daarnaast dient altijd rekening te worden gehouden met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen waarvan de realisatie voldoende aannemelijk is. Daarbij kan het zowel gaan om relevante nieuwe bedrijvigheid in de nabijheid van een route of om woningbouw.
Gegevens over de kans op ongevallen hebben veelal betrekking op de verkeersveiligheid. Gegevens over effecten hebben bijvoorbeeld betrekking op de uitvoering van infrastructuur en de kwetsbaarheid van de omgeving. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten en in de bevolkingsdichtheid, maar bijvoorbeeld ook in reeds van kracht zijnde, maar nog niet gerealiseerde bestemmingen die de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten10 mogelijk maken.
Over de aard en omvang van huidige en toekomstige vervoersstromen, ruimtelijke ontwikkelingen, de infrastructuur en de kans en effecten van eventuele ongevallen zijn reeds veel gegevens beschikbaar.
Voor gegevens over: | Kun je terecht bij11: |
De aard en omvang van huidige en toekomstige vervoersstromen | Risicoatlassen Ministerie van Verkeer en Waterstaat, provincies RRGS, RIVM |
Rijksinfrastructuur | Regionale directies en de Dienst Verkeer en Scheepvaart van Rijkswaterstaat |
Vervoer per spoor | Prorail |
Overige infrastructuur | De desbetreffende infrabeheerder |
De aard van de in buisleidingen vervoerde gevaarlijke stoffen en de daaraan verbonden risico’s | De beheerder/eigenaar van de buisleiding |
De omgeving: (beperkt) kwetsbare objecten, ruimtelijke ontwikkelingen en bevolkingsdichtheden | Gemeenten |
Indien de benodigde gegevens over de aard en omvang van vervoersstromen niet of onvoldoende beschikbaar zijn of als de gegevens niet meer actueel of te weinig gedetailleerd zijn, dan moeten deze alsnog worden geïnventariseerd, bijvoorbeeld door het houden van tellingen. Informatie hierover is verkrijgbaar bij Rijkswaterstaat. Tellingen worden hoofdzakelijk bij het wegvervoer verricht.
In beginsel wordt aangenomen dat gegevens over vervoersstromen die ouder zijn dan vijf jaar, niet meer actueel zijn. Dit sluit aan bij ons advies de externe veiligheidsrisico's elke vijf jaar tegen het licht te houden en biedt tevens de mogelijkheid het externe veiligheidsbeleid te monitoren (zie paragraaf 6.2).
Om ook een goed beeld van ruimtelijke ontwikkelingen te hebben is het van belang dat bestemmingsplannen actueel zijn, dat wil zeggen niet ouder dan tien jaar.
Een eerste indruk van de risico's kan worden verkregen aan de hand van de risicoatlassen die in opdracht van het ministerie van VenW zijn opgesteld en verwerkt zullen worden in het RRGS. Als er geen actuele risicoatlas beschikbaar is, dan kan een algemeen beeld van de risico's worden verkregen door vervoersstromen te vergelijken met de zogenaamde vuistregels. Deze vuistregels zijn vastgelegd in deel 2, hoofdstuk 1, van de 'Guidelines for quantitative risk assessment', het zogenaamde Paarse Boek, dat verkrijgbaar is bij de SDU Uitgeverij. De vuistregels vinden hun oorsprong in de Handreiking externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen die in opdracht van onder andere de ministeries van VROM en VenW door de VNG is uitgegeven in 1998. De Handreiking is te vinden op de internetsite van het ministerie van VenW (www.minvenw.nl). De Handreiking zal nog worden geactualiseerd naar aanleiding van deze circulaire.
Om de vuistregels te kunnen toepassen zijn gegevens over aard en omvang van de vervoerstromen nodig. Deze zijn verkrijgbaar bij de in paragraaf 3.2.2 genoemde instanties.
Indien het (geprognosticeerde) aantal transportbewegingen per jaar op een route lager is dan de in het Paarse Boek vermelde drempelwaarden, is het niet noodzakelijk het externe veiligheidsrisico te kwantificeren. In die gevallen bestaat er formeel gezien geen extern veiligheidsprobleem, ofschoon altijd de kans aanwezig is dat er ongevallen plaatsvinden waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Indien de drempelwaarden worden overschreden of in de specifieke situatie niet van toepassing zijn, dient het risico te worden gekwantificeerd. In de volgende paragraaf wordt nader hierop ingegaan.
Let op: de vuistregels gelden alleen voor elementaire situaties. Als uit de verkeerssituatie of anderszins blijkt dat er geen sprake is van een elementaire situatie, dan moet het externe veiligheidsrisico gekwantificeerd worden (zie paragraaf 3.4).
Indien de gegevens in de risicoatlassen of de toepassing van de vuistregels leiden tot een vermoeden of zekerheid van een situatie waarbij externe veiligheid van belang is, dient de initiatiefnemer het risico met behulp van een specifiek rekenprogramma te kwantificeren. Voor betrekkelijk eenvoudige situaties is het rekenprogramma RBMII geschikt.
In aanvulling op het BEVI onderzoekt VROM de mogelijkheden om te komen tot een unificatie van de rekenmodellen. Kan er één model worden aangewezen om alle risicoberekeningen mee uit te voeren? Ook voor het vervoer van gevaarlijke stoffen kan worden bezien of dit wenselijk is.
De gestandaardiseerde risicoberekeningmethodiek is niet voor alle situaties onverkort toepasbaar. Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld van plaatselijke aard, kunnen naast andere overwegingen aanleiding zijn voor het uitvoeren van een specifieke risicoanalyse die meer op de situatie is toegesneden. Hierbij kan gedacht worden aan een verdiepte wegligging of een overkapping van een weg die geen absolute maar wel enigszins bescherming biedt voor de omgeving.
Bij deze risicoanalyses dient gebruik te worden gemaakt van het Paarse Boek. Voor de berekening van de invloed van de blootstelling aan toxische stoffen, warmtestraling en overdruk op de mens wordt verwezen naar ‘Methoden voor het bepalen van mogelijke schade’, uitgave maart 2005 (PGS 1, het zogenaamde Groene Boek). De modellen waarmee de uitstroming en de verspreiding van gevaarlijke stoffen in de omgeving kan worden bepaald, zijn opgenomen in ‘Methods for the calculation of physical effects’, uitgave 2005 (PGS 2, het zogenaamde Gele Boek). Voor meer specifieke situaties zoals de verspreiding van een giftige stof door een verdiepte ligging kunnen aparte studies worden geraadpleegd12. Voor het bepalen van de kans op het optreden van bepaalde ongevalsscenario's kunnen 'Methods for determining and processing probabilities'geraadpleegd worden, het zogenaamde Rode Boek (PGS 4, uitgave december 2005). Deze boeken zijn verkrijgbaar bij de SDU Uitgeverij.
Alvorens over te gaan op een specifieke risicoanalyse dient overleg plaats te vinden met de andere betrokken bestuursorganen waaronder de beheerders van infrastructuur zoals Rijkswaterstaat en Prorail. Als de gestandaardiseerde risicoberekeningmethodiek niet toereikend is, kunnen ook de kennisinstituten op het gebied van externe veiligheid geraadpleegd worden. Hierbij gaat het om het Centrum voor Externe Veiligheid en Vuurwerk (CEV) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Bouwdienst (BWD) en de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat.
In de praktijk kunnen vragen rijzen over de berekeningen van risico's. De volgende tabel geeft aan voor welk type vragen men bij welke instanties terecht kan.
Vragen over: | Kennisinstituut13: |
Te gebruiken modellen voor de berekening van de effecten en de schade | Bouwdienst, Rijkswaterstaat |
CEV | |
Wetenschappelijke onderwerpen of complexe situaties | CEV |
Vervoersspecifieke kansschattingen | DVS |
Rekenprotocollen kunnen ervoor zorgen dat alleen enkele complexe risicosituaties aan de kennisinstituten hoeven te worden voorgelegd. Dergelijke rekenprotocollen worden opgesteld voor elke vervoersmodaliteit.
Bij de normstelling voor het plaatsgebonden risico en het gebruik van het groepsrisico zijn de volgende definities van belang:
- a.
Vervoersbesluit: besluit als bedoeld in paragraaf 6.1.1 ten aanzien waarvan de risicobenadering wordt toegepast.
- b.
omgevingsbesluit: besluit als bedoeld in paragraaf 6.1.2 ten aanzien waarvan de risicobenadering wordt toegepast.
- c.
kwetsbaar object: object opgenomen in bijlage 2 van deze circulaire.
- d.
beperkt kwetsbaar object: object opgenomen van bij bijlage 2 van deze circulaire.
- e.
geprojecteerd kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object: nog niet aanwezig kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object dat op grond van het voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is.
- f.
infrastructuur: een openbare weg, een openbaar binnenwater, een buisleiding of een spoorweg gelegen buiten het terrein van een inrichting. Als het gaat om een spoorweg op een emplacement dat onderdeel is van het landelijke spoornet, dan valt een doorgaand transport eveneens onder deze definitie.
In de volgende tabel wordt weergegeven welke normen voor het plaatsgebonden risico op de verschillende situaties van toepassing zijn.
Vervoersbesluit | Omgevingsbesluit | ||
Bestaande situatie | Grenswaarde PR 10-5 | Grenswaarde PR 10-5 | |
Streven naar PR 10-6 | Streven naar PR 10-6 | ||
Nieuwe situatie | Kwetsbaar | Grenswaarde PR 10-6 | Grenswaarde PR 10-6 |
Beperkt kwetsbaar | Richtwaarde PR 10-6 | Richtwaarde PR 10-6 |
Zoals in de inleiding is aangegeven, sluit deze circulaire voor onder andere de aard van de normstelling aan bij de systematiek van het BEVI. In het Besluit wordt voor de kwaliteitseisen voor het plaatsgebonden risico onderscheid gemaakt tussen grenswaarden en richtwaarden. Deze begrippen worden in de Wet milieubeheer als volgt gedefinieerd:
- •
'Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op het in de maatregel aangegeven tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste moet worden instandgehouden.'
- •
'Een richtwaarde geeft de kwaliteit aan die op het in de maatregel aangegeven tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk moet worden instandgehouden.'
Dit komt erop neer dat grenswaarden bij de uitoefening van een aangewezen wettelijke bevoegdheid in acht moeten worden genomen, terwijl met richtwaarden zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden.
Het onderscheid tussen grenswaarden en richtwaarden wordt in deze circulaire aangehouden met betrekking tot kwetsbare objecten enerzijds en beperkt kwetsbare objecten anderzijds. Dit onderscheid heeft dus betrekking op de geadviseerde 'hardheid' van de besluitvorming.
Er is niet alleen onderscheid tussen grenswaarden en richtwaarden, maar ook in de hoogte van de normen voor het plaatsgebonden risico tussen bestaande en nieuwe situaties. Op dit punt volgt de circulaire de nota RNVGS in plaats van het BEVI.Ook dit onderscheid heeft betrekking op de geadviseerde 'hardheid' van de besluitvorming.
Onder bestaande situaties wordt verstaan:
voor de transportroute:
- o
bestaande transportstroom
- o
voor de omgeving van de transportroute:
- o
bij vigerend bestemmingsplan: ontwikkelingen waarin het plan voorziet;
- o
indien er geen vigerend bestemmingsplan is: fysiek aanwezige situatie;
- o
vervangende nieuwbouw.
- o
Onder nieuwe situaties wordt verstaan:
voor de transportroute:
- o
een nieuwe route;
- o
een significante wijziging van de transportstroom op een bestaande route.
- o
punt voor de omgeving van de transportroute:
- o
bij vigerend bestemmingsplan: ontwikkelingen waarin het plan niet voorziet;
- o
indien er geen vigerend bestemmingsplan is: elk nieuwbouwinitiatief dat geen vervangende nieuwbouw is.
- o
In bestaande situaties mag het plaatsgebonden risico nooit groter zijn dan 10-5 in het gebied rondom de infrastructuur, de buisleiding en de krachtens wettelijk voorschrift of zakelijk recht direct daaraan verbonden zone als daarin kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn.
Indien het plaatsgebonden risico in het gebied waarin een (geprojecteerd) kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object is gelegen, hoger is dan 10-6, dan dient naar een vermindering van het risico te worden gestreefd14. Dit kan tot uitdrukking worden gebracht in bijvoorbeeld strategische besluitvorming van vervoerseconomische of planologische aard.
In navolging van de nota RNVGS kunnen er bijzondere omstandigheden zijn waarbij het bevoegd gezag op basis van een integrale belangenafweging van grenswaardes kan afwijken. Dit besluit moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de betrokken ministers die dit in overleg met betrokken partijen zullen beoordelen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het gaat om:
- •
een voor een stad of regio zeer belangrijke ruimtelijke ontwikkeling;
- •
een situatie waarin er niet meer zou kunnen worden vervoerd;
- •
een situatie waarbij door toepassing van de normen de externe veiligheidsproblematiek elders (sterk) toeneemt.
Afwijking van een richtwaarde is bij alle beperkt kwetsbare objecten mogelijk vanwege zwaarwegende belangen op het gebied van vervoer, ruimtelijke ordening en economie (verder te noemen: gewichtige redenen). Afwijking is tevens toegestaan bij het opvullen van kleine open gaten in bestaand stedelijk gebied of vervangende nieuwbouw in het kader van de herstructurering van stedelijk gebied.
Afwijking is primair een verantwoordelijkheid van het ter zake van een besluit aangewezen bevoegde gezag. Daarbij dient voorafgaand overleg met alle betrokken bestuursorganen plaats te vinden. In de motivering bij het betrokken besluit moet worden aangegeven waarom wordt afgeweken van de norm.
Als op termijn door bepaalde ontwikkelingen de veiligheidssituatie zal verbeteren, kan tijdelijk worden afgeweken van de normen voor het plaatsgebonden risico. Het gaat dan om ontwikkelingen zoals verplaatsing of aanleg van infrastructuur of uit andere hoofde ingezette sanering van bebouwing. Het anticiperen op de verbetering van de veiligheidssituatie mag alleen plaatsvinden voor ontwikkelingen waarvan is vastgelegd dat zij binnen vijf jaar worden gerealiseerd.
Indien bij de inwerkingtreding van deze circulaire het vastgestelde plaatsgebonden risico groter is dan 10-6, dient het standstillbeginsel te worden toegepast. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico in ieder geval niet verder mag toenemen en moet naar een vermindering van het risico worden gestreefd.
De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment gemeten per kilometer en per jaar:
- •
10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers;
- •
10-6 voor een ongeval met ten minste 100 slachtoffers;
- •
10-8 voor een ongeval met ten minste 1000 slachtoffers;
- •
enz. (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde).
Bij de toetsing moet worden bezien of de kans per kilometer route of tracé op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan bovengenoemde oriëntatiewaarden. Deze oriëntatiewaarden gelden in alle situaties, dus voor zowel vervoersbesluiten als omgevingsbesluiten en in zowel bestaande als nieuwe situaties.
Bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of een toename van het groepsrisico, moeten beslissingsbevoegde overheden het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het vervoersbesluit of omgevingsbesluit. Dit is in het bijzonder van belang in verband met aspecten van zelfredzaamheid en hulpverlening.
Er moet altijd worden nagegaan of door het treffen van maatregelen niet alsnog aan de oriëntatiewaarde kan worden voldaan of dat de toename van het groepsrisico niet kan worden verminderd15. Als dit niet mogelijk blijkt te zijn, dan dient in overleg met betrokken overheden te worden gestreefd naar een zo laag mogelijk risico uit hoofde van het ALARA-beginsel (As Low As Reasonably Achievable).
Over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico moet verantwoording worden afgelegd. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Daarbij moet steeds in overleg worden getreden met andere betrokken overheden over de te volgen aanpak. Het bestuur van de veiligheidsregio of – indien nog geen veiligheidsregio is gevormd – het bestuur van de regionale brandweer dient in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen over het groepsrisico, de zelfredzaamheid en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
In de motivering bij het betrokken besluit moeten de volgende gegevens worden opgenomen:
- •
het groepsrisico;
- •
indien van toepassing: het eerder vastgestelde groepsrisico;
- •
een aanduiding van het invloedsgebied16;
- •
de aanwezige dichtheid van personen en de in de toekomst redelijkerwijs voorzienbare dichtheid per hectare in dit invloedsgebied;
- •
een aanduiding van de vervoersstromen, in termen van de aard en de omvang van gevaarlijke stoffen die specifiek bijdragen aan de overschrijding van de oriëntatiewaarde, alsmede een aanduiding in hoofdlijnen van de bijdrage van de verschillende transportstromen aan het groepsrisico;
- •
een aanduiding van de redelijkerwijs voorzienbare vervoerstromen in de toekomst (periode van tien jaar) met in begrip van een aanduiding van de invloed daarvan op het groepsrisico;
- •
de bijdrage in hoofdlijnen van de aanwezige en van de redelijkerwijs voorzienbare toekomstige (periode van tien jaar) (beperkt) kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico;
- •
de mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico, zowel nu als in de toekomst (periode van tien jaar), met betrekking tot het vervoer en de ruimtelijke ontwikkelingen en de voor- en nadelen hiervan;
- •
de mogelijkheden van de voorbereiding op de bestrijding van en de beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen;
- •
de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de route of het tracé om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.
Ten behoeve van de verantwoording hebben de Ministeries van BZK, VROM en VenW in samenwerking met de medeoverheden een ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ opgesteld, waarin ook de elementen zelfredzaamheid en hulpverlening zijn opgenomen.
Bij overschrijding van de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn in beginsel altijd risicoreducerende maatregelen nodig. Bij overschrijding van de richtwaarden voor het plaatsgebonden risico moet eveneens gestreefd worden naar risicoreductie. Hier is echter geen sprake van een resultaatsverplichting. Ook bij overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of een toename van het groepsrisico moet worden nagegaan of risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden. In paragraaf 5.3 wordt beschreven wie welke maatregel moet nemen.
Bij het nemen van maatregelen voor het verminderen van het groepsrisico moet worden uitgegaan van een integrale benadering van de problematiek van externe veiligheid. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met de diverse factoren die bijdragen aan een geconstateerde overschrijding van de normen van het groepsrisico. Dit houdt in dat niet alleen moet worden gekeken naar het vervoer, het verkeer, de infrastructuur of de ruimtelijke ordening, maar ook naar de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Vooral in verband met de zelfredzaamheid en de hulpverlening kan het van belang zijn de secundaire effecten (bijvoorbeeld gevaar van instorting) en de potentiële aard en omvang van de effecten (aantal gewonden en aard van de verwondingen) van een ongeval in beschouwing te nemen.
Ook de beoordeling of en zo ja, welke groepsrisicoverminderende maatregelen moeten worden getroffen, moet integraal plaatsvinden. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de kosten van die maatregelen, maar ook moeten de maatschappelijke baten van die maatregelen in beschouwing worden genomen. Dit houdt in dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de bijdrage van de activiteit aan de Nederlandse economie, maar ook met de baten die verbonden zijn aan het treffen van maatregelen, denk bijvoorbeeld aan een vergroting van de mogelijkheden van het ruimtegebruik. Bij de maatschappelijke kosten gaat het om de kosten van het indirect ruimtegebruik en de maatregelen die op kosten van de overheid moeten worden gerealiseerd om dat ruimtegebruik te minimaliseren. Bij de afweging kan gebruik worden gemaakt van de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico'.
Als het niet mogelijk blijkt te zijn risicoreducerende maatregelen te treffen, dan dient te worden gestreefd naar een zo laag mogelijk risico uit hoofde van het ALARA-beginsel (As Low As Reasonably Achievable).
Zoals in de vorige paragraaf is toegelicht moet over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico verantwoording worden afgelegd.
Risicoreducerende maatregelen zijn onder te verdelen in bron- en effectgerichte maatregelen of een combinatie daarvan17. Bij vervoersbesluiten moeten in beginsel maatregelen aan de bron worden getroffen. Daarbij kan het ook gaan om maatregelen die door aanpassingen in de omgeving de consequenties van een mogelijk ongeval beperken, zogenaamde maatregelen in de sfeer van de overdracht.
Brongerichte maatregelen zijn maatregelen ten aanzien van het vervoer los van de (inter)nationale specifieke regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij kan worden gedacht aan:
- •
een besluit tot vaststelling van een route voor gevaarlijke stoffen op grond van hoofdstuk III van de WVGS;
- •
verkeersmaatregelen zoals snelheidsbeperking, verkeersbegeleiding, railgeleiding, scheiding van verkeersstromen, beveiliging van kruisingen en verbetering van infrastructuur;
- •
maatregelen in de sfeer van het vestigingsbeleid, veiligheidsmanagement en transportbesparing.
De regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen heeft een overwegend internationale grondslag. Dit kan de mogelijkheden tot het treffen van aanvullende maatregelen op nationaal niveau beperken. Dit geldt in het bijzonder voor de mogelijkheden tot het stellen van beperkingen of aanvullende eisen aan het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook bij het routeren van het vervoer van gevaarlijke stoffen dient het internationale aspect in de gaten te worden gehouden. Verkeersmaatregelen en maatregelen in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen voor het scheepvaartverkeer op de Rijn, de Lek en de Waal, worden genomen door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart te Straatsburg. Dit volgt uit de Akte van Mannheim die rechtstreeks doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde.
Ook op nationaal niveau kunnen beperkingen van juridische aard aan de orde zijn, bijvoorbeeld op grond van de Wegenverkeerswet. Aan een verkeersmaatregel zal in bepaalde gevallen naast een externe veiligheidsbelang, ook een verkeersveiligheidsbelang ten grondslag moeten liggen.
Soms zijn ook maatregelen in de sfeer van de overdracht mogelijk zoals bepaalde overkapping- of tunnelconstructies. Deze kunnen de gevolgen van een eventueel ongeval in de omgeving beperken. Bij dit type maatregelen moeten echter wel de gevolgen voor de veiligheid van verkeersdeelnemers (interne veiligheid) betrokken worden. Daarmee wordt aangesloten bij het advies van Raad van Verkeer en Waterstaat en de VROM-Raad 'Verantwoorde risico's, veilige ruimte'18.
Bij effectgerichte maatregelen gaat het onder andere om beperkingen aan ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van een bestaande transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het kan gaan om een plaatsgebonden, maar ook om generieke beperking. Van een generieke beperking is sprake indien de beperkingen gelden langs de gehele transportroute of een belangrijk deel daarvan. Een voorbeeld van een generieke beperking doet zich voor bij het ondergronds transport van aardgas en brandbare vloeistoffen waarvoor een vaste set van veiligheidszones is afgesproken.
Er hoeven in principe geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Dit laat onverlet dat bestuursorganen in verband met de mogelijke effecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen, die soms verder reiken dan de genoemde 200 meter, wel andere maatregelen kunnen overwegen. Indien nodig moeten bij de overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (mede) als gevolg van de kwetsbaarheid van de omgeving buiten dit gebied, wel andere beperkingen worden getroffen. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om maatregelen in de sfeer van de zelfredzaamheid van de bevolking, zoals het belang van goede vluchtwegen, slimme bouwvoorschriften en specifieke voorlichting. Dergelijke maatregelen kunnen overigens ook aan de orde zijn als er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico.
Als uitvloeisel van het beginsel 'de veroorzaker betaalt', moeten maatregelen worden getroffen door degene die de risico's veroorzaakt dan wel doet vergroten. Dit geldt zowel in nieuwe als bestaande situaties. Indien de toename van risico's worden veroorzaakt door ontwikkelingen verband houdend met het vervoer, dan rust de plicht tot vermindering van de risico's aan de vervoerskant. Is de overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico veroorzaakt door ontwikkelingen van planologische aard, dan moet de oplossing voor het verminderen van het risico vooral worden gevonden door het bestuursorgaan dat de meeste verantwoordelijkheid voor de bouwontwikkelingen draagt.
Toepassing van de risicobenadering vindt plaats bij zowel vervoersbesluiten als omgevingsbesluiten.
De toepassing van de risicobenadering dient plaats te vinden bij besluiten op grond van:
- a.
hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 in verband met de aanleg van bepaalde infrastructuur of buisleidingen;
- b.
een besluit op grond van de Tracéwet;
- c.
de vaststelling van een tracé anders dan op grond van de Tracéwet, zoals op grond van verordeningen vanwege een provincie, gemeente of waterschap;
- d.
de vaststelling van een wegaanpassingsbesluit op grond van de Spoedwet wegverbreding;
- e.
de vaststelling van een besluit tot verandering of aanpassing van een weg anders dan op grond van de Tracéwet, bijvoorbeeld op grond van een verordening vanwege een provincie, gemeente of waterschap;
- f.
de wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet in verband met het daarover brengen van kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten;
- g.
de Spoorwegwet in verband met het naast of boven de hoofdspoorweg oprichten of aanbrengen van kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten zijnde bouwwerken, andere opstallen of werken;
- h.
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen in het kader van de vaststelling van een bepaalde routeringsregeling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
- i.
artikel 95 van het Mijnbouwbesluit in verband met een, al dan niet in overeenstemming met de minister van Defensie of de minister van VenW door de minister van Economische Zaken te verlenen vergunning voor het aanleggen van een pijpleiding dan wel artikel10. 1 of 10.2 van de Mijnbouwregeling juncto 6.3 van NEN 3650 in verband met de te stellen eisen aan de eigenschappen, aanleg, ligging en het onderhoud van een pijpleiding;
- j.
een op voordracht van de Minister van VROM door de Kroon te verlenen concessie op grond van artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht of Belemmeringenwet Verordeningen ter zake van de vaststelling van een tracé voor de aanleg of in gebruik name van een buisleiding dan wel een te verlenen beschikking op grond van een provinciale of andersoortige verordening voor de aanleg of in gebruik name of het gebruik van een buisleiding;
- k.
titel 8.1 van de Wet milieubeheer, in verband met de beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van goederen van en naar de inrichting (in de onmiddellijke omgeving van de inrichting).
Deze opsomming heeft betrekking op de uitoefening van bevoegdheden in verband met te treffen maatregelen aan de 'bron'. Dat deze opsomming zo uitgebreid is hangt samen met de eigen structuur van de regelgeving voor verkeer en vervoer. Deze is gericht op afzonderlijke onderwerpen (aanleg en gebruik van infrastructuur, verkeer en vervoer) en op afzonderlijke modaliteiten.
Overigens is deze opsomming niet limitatief. Ook bij andere vormen van besluitvorming, zoals de verkeersregelgeving, kan (een deel van) de risicobenadering worden toegepast. Daarnaast kunnen met de toepassing van de risicobenadering verkregen gegevens ook worden gebruikt in het kader van de informatieplicht van gemeenten naar burgers. Deze informatieplicht is neergelegd in het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen op grond van de Wet rampen en zware ongevallen.
Toepassing van de risicobenadering moet plaatsvinden bij de volgende besluiten:
- a.
de vaststelling van een bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- b.
een projectbesluit, bedoeld in de artikelen 3.10, eerste lid, 3.27, eerste lid, en 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- c.
de vaststelling van een inpassingsplan, bedoeld in de artikelen 3.26, eerste lid, en 3.28, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- d.
de wijziging, uitwerking of ontheffing van een bestemmingsplan of het stellen van nadere eisen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- e.
de ontheffing van een bestemmingsplan, bedoeld in de artikelen 3.22, eerste lid, en 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- f.
de vaststelling van een beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
- g.
het geven van een aanwijzing, bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening;
- h.
de ontheffing van een in de bouwverordening gegeven voorschrift, bedoeld in artikel 11 van de Woningwet.
Ook deze opsomming is niet limitatief.
Plaatsgebonden risico
Bij de in paragraaf 6.1.2 genoemde omgevingsbesluiten die ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken langs wegen en vaarwegen die deel uitmaken van Basisnet Weg of Basisnet Water kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven.
Bij Basisnet Weg gelden namelijk de afstanden die in bijlage 5 bij deze circulaire zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor de situaties waarin de afstand ‘0’ is vermeld, betekent dit dat het plaatsgebonden risico vanwege dat vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
Ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen langs binnenvaarwegen die deel uitmaken van Basisnet Water zijn in bijlage 6 bij deze circulaire de vaarwegen onderverdeeld in ‘rode’ en ‘zwarte’ vaarwegen. Op zowel rode als zwarte vaarwegen worden veel brandbare vloeistoffen getransporteerd. Op zwarte vaarwegen wordt alleen gebruik gemaakt van binnenvaartschepen en op de rode vaarwegen bovendien van zeeschepen. Bij rode en zwarte vaarwegen is er, met name uit pragmatische overwegingen, voor gekozen om lijnen vast te stellen die vrijwel overeen komen met de rand van de vaarweg. Deze gelden als risicolijn waar het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over die vaarweg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Tussen deze risicolijnen is bebouwing in beginsel niet toegestaan. De ligging van de risicolijn zal in 2010 in digitale kaarten worden vastgelegd. Tot die tijd kan de ligging van de risicolijn worden opgevraagd bij de Dienst Verkeer en Scheepvaart van Rijkswaterstaat. Voor niet in bijlage 6 genoemde vaarwegen, die door de binnenvaart worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, gelden geen afstanden. Op die vaarwegen mag er van uit worden gegaan dat het plaatsgebonden risico op het water kleiner is dan 10-6 per jaar.
Voor veel locaties langs vaarwegen is het onwaarschijnlijk dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in de toekomst dusdanig zal groeien dat het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar daadwerkelijk de risicolijn zal bereiken. In bijzondere omstandigheden is afwijking van de risicolijnen dan ook mogelijk. Voorwaarde daarbij is dat uit het advies van Rijkswaterstaat blijkt dat ook gelet op de vervoersverwachtingen voor de desbetreffende vaarweg het plaatsgebonden risico ter hoogte van het te bouwen object of de bouwplannen niet meer bedraagt dan 10-6. Dit advies laat overigens de mogelijke noodzakelijke toestemming van de vaarwegbeheerder in verband met andere aspecten dan externe veiligheid – bijvoorbeeld in het kader van de Waterwet – onverlet.
Voor alle in paragraaf 6.1.2 genoemde omgevingsbesluiten die ter inzage worden gelegd na 1 januari 2010 dienen de bijlagen 5 en 6 te worden toegepast, op de wijze als hierboven vermeld.
Groepsrisico
De beoordeling en verantwoording van het groepsrisico, bedoeld in paragraaf 4.3, dient alleen plaats te vinden bij de omgevingsbesluiten die in paragraaf 6.1.2 in de onderdelen a tot en met c zijn genoemd. Dit laat uiteraard onverlet dat bij de voorbereiding van de aldaar in de onderdelen d tot en met h genoemde besluiten moet worden voldaan aan eisen van een zorgvuldige (ruimtelijke) besluitvorming. Indien het besluit daartoe aanleiding geeft, zal het bestuursorgaan dat het besluit vaststelt derhalve in de motivering moeten ingaan op de mogelijke gevolgen van dat besluit voor het groepsrisico.
Wat de berekening van het groepsrisico betreft dient voor bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen 5 en 6 genoemde wegen en vaarwegen, uit te worden gegaan van de in die bijlagen vermelde vervoercijfers. Die vervoercijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het vervoer. De in bijlage 5 vermelde vervoercijfers hebben alleen betrekking op LPG. Dit laat onverlet dat de omvang van het invloedsgebied mede wordt bepaald door andere gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied wordt derhalve ook voor de in bijlage 5 genoemde wegen bepaald door de gevaarlijke stof die over de betreffende weg wordt vervoerd met grootste 1% letaliteitsgrens (voor het begrip invloedsgebied zie paragraaf 4.3, noot 16).
Gegevens omtrent het gerealiseerde vervoer kunnen eventueel worden betrokken bij de planning van de te nemen veiligheidsverhogende maatregelen.
Voor niet in bijlage 6 genoemde binnenvaarwegen behoeft het groepsrisico niet beoordeeld en verantwoord te worden, omdat de hoeveelheden gevaarlijke stoffen die over deze vaarwegen worden vervoerd niet of nauwelijks van invloed zijn op het groepsrisico.
Indien het ontwerp voor een bestemmingsplan, inpassingsplan of projectbesluit ter inzage is gelegd vóór 1 januari 2010, dan wordt het aan het oordeel van het bestuursorgaan dat het plan of besluit vaststelt, overgelaten of de motivering van dat plan of besluit met het oog op de verantwoording van het groepsrisico alsnog wordt aangepast aan de in de bijlagen 5 en 6 bij deze circulaire opgenomen vervoercijfers. Dit laat uiteraard onverlet dat een dergelijk plan of besluit moet voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening respectievelijk een goede ruimtelijke onderbouwing, zoals beschreven in paragraaf 4.3.
De risicobenadering wordt idealiter ook toegepast zonder dat daaraan een bepaald besluit ten grondslag ligt, bijvoorbeeld bij bestaande infrastructuur. Het initiatief hiervoor rust bij de beheerder van de infrastructuur. In ieder geval zal de minister van VenW zorgdragen voor een periodieke inventarisatie van de risico's rond de door het Rijk beheerde infrastructuur. Dit sluit aan bij de werkzaamheden in het kader van de zogenaamde risicoatlassen.
Door elke vijf jaar de risico's in bestaande situaties te inventariseren, kunnen tijdig eventuele externe veiligheidsproblemen worden gesignaleerd. Het kan soms verstandig zijn om de risico's eerder opnieuw te inventariseren, bijvoorbeeld als het vermoeden bestaat dat deze substantieel zijn toegenomen. Zo kunnen vervoerstromen aanzienlijk zijn toegenomen of kan nieuwbouw nabij infrastructuur of buisleidingen plaatsvinden in gebieden waarvoor een bestemmingsplan ontbreekt of is verouderd.
Bij de toepassing van de risicobenadering moet worden gezorgd voor adequate bestuurlijke afstemming en waar nodig voor inspraak. Problemen en denkbare oplossingen kunnen betrekking hebben op een groot gebied en op meerdere routes en tracés. Bovendien kunnen door een bestuursorgaan voorgenomen oplossingen van grote invloed zijn op de mogelijkheden en risico's in andere gebieden en kan bestuurlijke afstemming onnodige bestuurlijke lasten voorkomen.
Het uiteindelijke doel is te komen tot een optimalisering van de veiligheid. In deze zin zou de circulaire dan ook moeten worden toegepast. Een goede afstemming is van belang, in alle fases van de risicobenadering, dus zowel bij de voorbereiding als bij de toepassing daarvan. Verder is een integrale aanpak van de problemen geboden.
Gezien het voorgaande kan het soms handig zijn één bestuursorgaan, in overleg met alle andere betrokken bestuursorganen, een coördinerende rol te geven bij de benodigde bestuurlijke afstemming. Dit kan bijvoorbeeld het Rijk, de provincie of de beheerder van infrastructuur zijn. Dit is afhankelijk van de aard en omvang van de problemen en de mogelijke oplossingen.
De coördinerende rol is vooral van regisserende, organisatorische en procesmatige aard. In hoofdlijnen gaat het om het tot stand brengen en vormgeven van de juiste overlegkaders, het begeleiden en stimuleren van de invulling, uitvoering en het tot een goed einde brengen van de verschillende besluitvormingsprocessen. Ook kan het aangewezen coördinerende bestuursorgaan erop toezien dat de gemaakte afspraken tussen betrokkenen ook daadwerkelijk worden nagekomen.
Ook betrokkenheid van burgers en bedrijven kan geboden zijn. Bij de toepassing van de risicobenadering kunnen namelijk hun belangen in het geding zijn.
In verband met bestuurlijke afstemming en inspraak wordt gewezen op procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure biedt de mogelijkheid de risicobenadering met betrokkenheid van burgers en bedrijven ook toe te passen bij de voorbereiding van besluiten. Vooral de toepassing van de risicobenadering voor bestaande infrastructuur leent zich bij uitstek voor inspraak van burgers en bedrijven. Het is dan ook raadzaam om de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 op dergelijke besluiten van toepassing te verklaren.
Als het besluit, waarbij de risicobenadering toegepast wordt, (mede) betrekking heeft op de aanleg van een nieuwe dan wel wijziging van een bestaande buisleiding, dan moet voor aardgasleidingen gebruik worden gemaakt van de circulaire 'Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen' en voor brandbare vloeistoffen van de circulaire 'Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, en K3-categorie' (actie 2; zie ook § 1.3.3). Indien het besluit geen betrekking heeft op andere modaliteiten en/of buisleidingen, dan hoeft er in het kader van deze circulaire geen verdere actie ondernomen te worden en kan zonodig in aanvulling op het besluit overlegd worden met de eigenaar van de buisleiding (actie 7f). Heeft het besluit wel mede betrekking op andere modaliteiten en / of buisleidingen, dan dient de risicobenadering verder gevolgd te worden.
Om een risico-inschatting te kunnen maken op basis van een risicoregister en / of vuistregels moeten de aard en de omvang van de vervoerstromen bekend zijn (zie ook § 3.2). Als het besluit (mede) betrekking heeft op:
- •
de aanleg van nieuwe infrastructuur, dan moeten de aard en omvang van de vervoerstromen geschat worden (actie 3a);
- •
een wijziging van bestaande infrastructuur of een ruimtelijke ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten of in het geval de risicobenadering wordt toegepast op een bestaande situatie, dan dient eerst vastgesteld te worden of de situatie is opgenomen in een actueel risicoregister (risicoatlas / RRGS); is dit niet het geval, dan moet vastgesteld worden of er op een andere wijze actuele gegevens bestaan omtrent aard en omvang van transportstromen; als er geen actuele gegevens beschikbaar zijn, dan moeten aard en omvang van transportstromen bepaald worden door middel van:
- -
tellingen als het gaat om transport over de weg;
- -
navraag bij Prorail als het gaat om transport over spoor;
- -
navraag bij de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van Rijkswaterstaat als het gaat om transport over water en
- -
navraag bij de eigenaar van de buisleiding als het gaat om buisleidingtransporten (actie 3b).
- -
Als de risico's kunnen worden ingeschat met behulp van een risicoregister en/of de vuistregels, dan moet op basis van deze risico-inschatting (actie 4) vastgesteld worden of er mogelijk sprake is van een overschrijding van de norm voor het PR en/of een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR dan wel een significante toename van het GR (zie ook § 3.3).
Als zowel de norm voor het PR als de oriëntatiewaarde voor het GR niet worden overschreden en er is waarschijnlijk ook geen sprake van een significante toename in het GR, dan hoeven er geen maatregelen te worden genomen (actie 7b). Als een risico-inschatting niet mogelijk is, of uit een risico-inschatting blijkt dat er sprake is van een mogelijke overschrijding van de norm voor het PR en / of een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR dan wel een significante toename van het GR, dan moet er verder worden gerekend.
Indien het gebruik van RBMII is toegestaan voor een bepaalde situatie, dan moet op basis van een RBMII risicoberekening (actie 5) worden vastgesteld of er mogelijk een overschrijding is van de norm voor het PR en/of een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR dan wel een significante toename van het GR (zie ook § 3.4). Als zowel de norm voor het PR als de oriëntatiewaarde voor het GR niet worden overschreden en er is ook geen sprake van een significante toename van het GR, dan zijn er geen risicoreducerende maatregelen noodzakelijk (actie 7c). Als de norm voor het PR en/of de oriëntatiewaarde voor het GR mogelijk wel worden overschreden of er is mogelijk sprake van een significante toename van het GR dan kan besloten worden om een aanvullende specifieke risicoanalyse uit te voeren. In ieder geval moet een specifieke risicoanalyse worden uitgevoerd in situaties waarbij RBMII niet gebruikt mag worden. Bij een specifieke risicoanalyse moet gebruik worden gemaakt van de richtlijnen zoals die zijn neergelegd in de PGS 3, 1, 2 en 4 (actie 6; zie ook § 3.5).
Als uit de resultaten van een RBMII risicoberekening en/of een (eventueel aanvullende) specifieke risicoanalyse blijkt dat de norm voor het PR wordt overschreden, dan moeten er in principe risicoreducerende maatregelen worden getroffen (actie 7a; zie voor normen voor het PR § 4.2 en voor risicoreducerende maatregelen hoofdstuk 5). Indien risicoreducerende maatregelen niet mogelijk zijn, dan moet in principe negatief worden beslist (actie 7e; zie ook § 4.2.3 voor het gemotiveerd mogen afwijken van de norm voor het PR).
Als blijkt dat zowel de norm voor het PR als de oriëntatiewaarde voor het GR niet worden overschreden en er is ook geen sprake van een significante toename van het GR, dan zijn er geen risicoreducerende maatregelen noodzakelijk (actie 7d). Als alleen de oriëntatiewaarde voor het GR wordt overschreden of er is sprake van een significante toename van het GR (zie ook § 4.3), dan moet beoordeeld worden of risicoreducerende maatregelen redelijkerwijs mogelijk zijn. Als deze mogelijk zijn, dan moeten deze worden toegepast (actie 7a; zie ook hoofdstuk 5). Als deze niet mogelijk zijn, dan moet dit bij het betreffende besluit met voldoende gegevens gemotiveerd worden (actie 7e; zie § 4.3).
Het stroomschema waarin genoemde stappen worden samengevat, staat op de volgende pagina's. In bijlage 3 is een overzicht van risicoreducerende maatregelen, hun wettelijke grondslag en de uitvoerders van de maatregelen opgenomen.
De begrippen 'kwetsbaar object' en 'beperkt kwetsbaar object' spelen een rol bij de toetsing van het plaatsgebonden risico aan de normen. De vraag is wat onder deze begrippen moet worden verstaan en evenzo wat niet als een kwetsbaar object wordt beschouwd.
Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt gemaakt om pragmatische redenen. Het is niet mogelijk en gaat voorbij aan andere belangen zoals vervoer en ruimtelijke ordening, om helemaal geen bestemmingen toe te laten in de risicozone. Door het genoemde onderscheid wordt de kwetsbaarheid in de directe omgeving van risico opleverende activiteiten echter waar mogelijk beperkt.
Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is gebaseerd op de gedachte dat sommige maatschappelijke groepen meer bescherming nodig hebben dan andere. Op de eerste plaats gaat het daarbij om woningen omdat veel personen worden geacht daar langdurig te verblijven. Op de tweede plaats verdienen bepaalde groepen uit hoofde van hun ontwikkeling of fysieke/mentale gesteldheid bijzondere bescherming zoals kinderen, ouderen en zieken. Ook de mate van en de kans op langdurige aanwezigheid van bepaalde groepen personen in een object, de functionele binding van objecten ten opzichte van de risico opleverende activiteit en de aanwezigheid van adequate vluchtmogelijkheden zijn bepalend voor het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Tot nu toe circuleerden in beleidsnota's over externe veiligheid verschillende lijsten met (beperkt) kwetsbare objecten. Met bijgaande lijst wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de lijst die is opgenomen in het BEVI.
Toelichting op de hiervoor gegeven lijsten
- a.
woningen, niet zijnde woningen als bedoeld in categorie II onder a 1°;
- b.
gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
- 1°.
ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
- 2°.
scholen;
- 3°.
gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
- 1°.
- c.
gebouwen waarin grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
- 1°.
kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object;
- 2°.
complexen, waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt, en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per object, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
- 1°.
- d.
kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
- a.
- 1°.
verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare;
- 2°.
dienst- en bedrijfswoningen van derden en
- 3°
lintbebouwing, voor zover deze loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op de contouren van het plaatsgebonden risico van een route of tracé;
- 1°.
- b.
kantoorgebouwen, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
- c.
hotels en restaurants, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
- d.
winkels, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
- e.
sporthallen, zwembaden en speeltuinen;
- f.
sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet in categorie I onder d vallen;
- g.
bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet in categorie I onder c vallen;
- h.
objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en
- i.
objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval;
- j.
objecten, zoals wegrestaurants over of naast een weg en passagiersstations, die een functionele binding hebben met de risico opleverende activiteit.
Inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer waarin gevaarlijke stoffen in voor de externe veiligheid niet te verwaarlozen hoeveelheden aanwezig zijn of kunnen zijn. Het gaat daarbij in ieder geval om:
- a.
een inrichting waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;
- b.
een inrichting die bestemd is voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
- c.
een door de minister van VROM bij regeling aangewezen spoorwegemplacement dat wordt gebruikt voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen;
- d.
andere door de minister van VROM bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen dan inrichtingen als bedoeld onder a tot en met c, waarvan het plaatsgebonden risico hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer;
- e.
een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
- f.
een inrichting waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kg per opslaggebouw, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d;
- g.
een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een inhoud van meer dan 400 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d;
- h.
vervoersassen.
Objecten die tot de hierboven genoemde inrichtingen behoren of een functionele binding daarmee hebben, zoals een bedrijfskantoor, een kantine of een aan het bedrijf verbonden school, vallen niet in deze categorie. Deze objecten moeten overigens wel worden betrokken bij de berekening van het groepsrisico.
Om te bepalen of een object als kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of niet kwetsbaar dient te worden beschouwd, moet worden uitgegaan van de hoofdfunctie van het object. In veel gevallen zullen in een gebouwencomplex of op een terrein meerdere activiteiten worden uitgeoefend. Indien het om diverse als zelfstandig te beoordelen activiteiten gaat, moet voor de bepaling van de kwetsbaarheid worden uitgegaan van de meest kwetsbare functie in dat gebouw of op dat terrein.
Als een (beperkt) kwetsbaar object slechts gedeeltelijk in het gebied ligt waarin het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 of 10-5 dan wordt dit object geacht in zijn geheel in dit gebied te liggen.
Onder een woning wordt begrepen een verblijfsruimte van een gebouw of een deel van een gebouw dat voor permanente bewoning is bestemd. Dus ook met woningen vergelijkbare objecten zoals asielzoekerscentra, woonboten, penitentiaire inrichtingen, gevangenissen en andere verblijfsinstellingen vallen hieronder. Een vakantiewoning die vrijwel het hele jaar in gebruik is, moet tevens aan een woning gelijk worden gesteld. Overigens dient het wel steeds te gaan om ruimten die ook daadwerkelijk voor bewoning bedoeld zijn. Het illegaal gebruik van bijvoorbeeld bedrijfspanden voor woningdoeleinden valt niet hieronder.
Bij de interpretatie van het begrip onderwijsinstelling moet uiteraard worden gedacht aan instellingen voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Niet alle objecten met een (gedeeltelijke) onderwijsfunctie vallen echter onder het begrip onderwijsinstelling. Denk bijvoorbeeld aan centra voor educatie en cursussen of voor instellingen voor alleen beroeps- of volwassenenonderwijs.
Gebouwen zoals kantoorpanden waarin zich gewoonlijk gedurende een groot deel van de dag veel personen bevinden, worden als kwetsbaar bestempeld. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van het bruto vloeroppervlak. Showrooms vallen niet hieronder.
Infrastructurele objecten met een voor de samenleving vitale waarde worden als beperkt kwetsbaar beschouwd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij telefooncentrales, vluchtleidingscentra of centra voor essentiële datacommunicatie. Deze objecten verdienen uit hoofde van deze circulaire alleen bescherming als zij in zekere mate kwetsbaar zijn vanwege de bij een mogelijk ongeval vrijkomende gevaarlijke stoffen. Zo zullen deze objecten vooral gevaar lopen bij een explosie en niet per se bij het vrijkomen van giftige stoffen. De beoordeling daarvan moet per geval plaatsvinden.
Deze circulaire geeft tevens een oplossing voor objecten die niet met zoveel woorden zijn opgenomen in de categorieën I of II. Zo kan worden voorkomen dat bepaalde objecten ten onrechte niet als kwetsbaar of beperkt kwetsbaar worden aangeduid. Daarbij kan gedacht worden aan jeugdherbergen, conferentieoorden en buurthuizen. De mate van kwetsbaarheid van deze objecten moet worden bepaald aan de hand van de gemiddelde verblijfstijd en de in een object aanwezige personen. Indien dit overeenkomt met een van de objecten in categorie I of II, dan moet het betreffende object worden ingedeeld in dezelfde categorie als het object waarmee dit overeenkomt. Zo moet een object waarin zich bijvoorbeeld hoofdzakelijk kwetsbare groepen als minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten bevinden, worden aangeduid als een kwetsbaar object. Hierbij kan gedacht worden aan het gebruik van een ijsbaan of een bioscoop door minderjarigen.
Als (beperkt) kwetsbaar moeten niet alleen de reeds aanwezige objecten worden beschouwd, maar ook de zogenaamde geprojecteerde objecten. Dit zijn objecten die nog niet aanwezig zijn, maar waarvan de realisatie op grond van het bestemmingsplan wel aannemelijk is.
Deze circulaire gaat ook in op bedrijventerreinen. Om de bereikbaarheid en bedrijvigheid in dit land niet te veel te verstoren zijn bedrijventerreinen met een bepaalde bestemming uitgezonderd van de werking van deze circulaire. Hierbij gaat het om gronden waaraan een bestemming is gegeven die de mogelijkheid van vestiging van inrichtingen als bedoeld in categorie III, onder f, insluit. Hierbij gaat het om inrichtingen waarin activiteiten met of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit zijn dus bedrijven die zelf een bepaald risico met zich meebrengen. Het voorgaande geldt ook voor gronden die in een gemeentelijk structuurplan, een gemeentelijke verordening of een daarop gebaseerd besluit voor de vestiging van dergelijke bedrijven zijn aangewezen. Deze mogelijkheid wordt geboden omdat in de praktijk vaak geen (actueel) bestemmingsplan aanwezig is voor deze gronden.
Voorwaarde om objecten op bedrijventerreinen niet als (beperkt) kwetsbaar te beschouwen, is dat in het besluit op grond waarvan bovengenoemde bedrijven zijn toegelaten de mogelijkheid van vestiging van bepaalde ondernemingen wordt uitgesloten. Hierbij gaat het om ondernemingen op het gebied van horeca, post, telecommunicatie en zakelijke dienstverlening alsmede financiële instellingen en instellingen op het gebied van onderwijs, zorg, cultuur, sport en recreatie. Een uitzondering hierop zijn ondernemingen en instellingen die een functionele binding hebben met een op diezelfde gronden gevestigde inrichting. In dat geval moeten deze ondernemingen en instellingen als onderdeel van die inrichting worden beschouwd. Een voorbeeld hiervan is een bedrijfsrestaurant dat alleen de op het terrein aanwezige bedrijven bedient of een school die aan een bedrijf verbonden is.
Overigens geldt de eis van een functionele binding niet voor objecten die bestemd zijn voor bijvoorbeeld kinderopvang voor (onder andere) de werknemers van de betrokken bedrijven. Dergelijke objecten moeten gewoon als kwetsbaar object worden beschouwd. Dit betekent dat degenen die werkzaam zijn in de niet als kwetsbaar bestempelde bedrijven geen bescherming ontlenen aan de normstelling voor het plaatsgebonden risico. Wel moet rekening worden gehouden met hun aanwezigheid in verband met het groepsrisico en de voorbereiding op de ramp- en ongevalbestrijding. Dit geldt ook voor bedrijventerreinen waarvoor in het bestemmingsplan, een gemeentelijk structuurplan of krachtens een gemeentelijk verordening een regeling is gegeven die de vestiging van dergelijke bedrijven insluit.
De volgende tabel vermeldt (beperkt) kwetsbare objecten en correctiefactoren voor de berekening van het groepsrisico in gevallen waarin dat risico wordt veroorzaakt door een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d, van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen.
Objecten | Correctiefactoren |
Kwetsbaar | |
Woonbestemmingen | 1,1 |
Onderwijsinstellingen | 2,5 |
Gezondheidsinstellingen | 1,3 |
Kinderopvang en dagverblijven | 1,9 |
Gevangenissen | 1,3 |
Beperkt kwetsbaar | |
Kantoren, bedrijven en instellingen zonder bebouwing | 2,2 |
Sport- en recreatieaccommodatie | 2,2 |
Stadions | 14 |
Aanleghavens voor passanten en jachthavens | 4,2 |
Volkstuinen | 2,9 |
Kampeerterreinen | 2,4 |
Dagrecreatiegebieden | 6,1 |
Winkels | 1,5 |
Horeca | 1,4 |
Parkeerterreinen | 10 |
Stations | 1,2 |
Kerken | 6,5 |
Theaters, bioscopen, zalencentra en buurthuizen | 1,6 |
Crematoria en uitvaartcentra | 2,4 |
Brandweerkazernes | 2,0 |
Objecten met een hoge infrastructurele waarde | - |
Dit overzicht is niet limitatief.
Situatie | Type maatregel | Wettelijke grondslag | Wie moet de maatregel namen? Uitgangspunt: de veroorzaker |
Bestaande infra of RO | Maatregelen aan of op de infrastructuur, de inrichting daarvan en maatregelen of voorzieningen ter regeling van het verkeer e.d. | Beheerder van de infra:
| |
Routering | Bevoegd gezag:
| ||
Maatregelen in de ruimtelijke ordening (maatregelen aan gebouwen, functie/indeling van gebouwen/gebied) | Bestemmingsplan | Bevoegd gezag RO:
| |
Maatregelen in de sfeer van de voorbereiding van de ramp- en ongevalbestrijding (rampbestrijdingsplannen, etc.) |
| ||
Aanleg of wijziging nieuwe infra | Maatregelen aan tracé | Tracéwet voor rijksinfra behalve voor wegaanpassing (SWV) Provinciale of gemeentelijke verordening Buitenwettelijk tracébesluit | Initiatiefnemer van aanleg of wijziging van infra |
Maatregelen aan of op de infrastructuur, de inrichting daarvan en maatregelen of voorzieningen ter regeling van het verkeer e.d | Beheerder van de infra:
| ||
Routering | Bevoegd gezag:
| ||
Maatregelen in de sfeer van de voorbereiding van de ramp- en ongevalbestrijding (rampbestrijdingsplannen, etc.) |
| ||
Aanleg of wijziging buisleidingen | Maatregelen aan ligging en uitvoering leiding in het kader van de vergunning | NEN 3650 concessie |
|
Maatregelen in de sfeer van de voorbereiding van de ramp- en ongevalbestrijding (rampbestrijdingsplannen, etc.) |
| ||
Nieuwe ontwikkelingen m.b.t. (beperkt) kwetsbare objecten nabij bestaande infra | Verbieden of beperken van (omvang) nieuwe kwetsbare projecten | Bestemmingsplan |
|
Maatreglen in de ruimtellijke ordening (maatregelen aan gebouwen, functie/indeling van gebouwen/gebied) | Bestemmingsplan |
| |
Maatregelen in de sfeer van de voorbereiding van de ramp- en ongevalbestrijding (rampbestrijdingsplannen, etc.) |
|
De risicoatlassen zijn te vinden op de website van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat: www.verkeerenwaterstaat.nl
Postbus 1
3720 BA Bilthoven
Telefoon: 030-2749111
Faxnummer: 030-2742971
www.rivm.nl
Van den Burghweg 1
2628 CS Delft
Postbus 5044
2600 GA Delft
Telefoon 088-7982222
Fax 088-7982999
Griffioenlaan 2
3526 LA Utrecht
Postbus 20000
3502 LA Utrecht
Telefoon: 030-2857600
Faxnummer: 030-2883103
www.minvenw.nl/rws/bwd/home
Zuidersingel 3
8911 AV Leeuwarden
Postbus 2301
8901 JH Leeuwarden
Telefoon: 058-2344344
Faxnummer: 058-2344123
Gildemeesterplein 1
6826 LL Arnhem
Postbus 9070
6800 ED Arnhem
Telefoon: 026-3688911
Faxnummer: 026-3634897
Zuiderwagenplein 2
Postbus 600
8200 AP Lelystad
Telefoon: 0320-299111
Faxnummer: 0320-234300
Zoomstede 15
3431 HK Nieuwegein
Postbus 650
3430 AR Nieuwegein
Telefoon: 030-6009500
Faxnummer: 030-6052060
Toekanweg 7
2035 LC Haarlem
Postbus 3119
2001 DC Haarlem
Telefoon: 023-5301301
Faxnummer: 023-5301302
Boompjes 200
3011 XD Rotterdam
Postbus 556
3000 AN Rotterdam
Telefoon: 010-4026200
Faxnummer: 010-4047927
Koestraat 30
4331 KX Middelburg
Postbus 5014
4330 KA Middelburg
Telefoon: 0118-686000
Faxnummer: 0118-686231
Zuidwal 58
5211 JK 's-Hertogenbosch
Postbus 90157
5200 MJ 's-Hertogenbosch
Telefoon: 073-6817817
Faxnummer: 073-6123954
Avenue Ceramique 125
6221 KV Maastricht
Postbus 25
6200 MA Maastricht
Telefoon: 043-3294444
Faxnummer: 043-3525136
De Inktpot
Moreelsepark 3
3511 EP Utrecht
Postbus 2038
3500 GA Utrecht
T 030-2357104
F 030-2359056
www.prorail.nl
Velin
Postbus 90154
5000 LG Tilburg
T 013-5944767
Wegvak | Naamgeving | Veiligheidszone gemeten vanaf het midden van de weg | Vervoershoeveelheid GF3 voor het berekenen van het GR | Bijzonderheden |
Rijksweg A1 | ||||
N1 | A1: Knp. Watergraafsmeer – Knp. Diemen | 0 | 4000 | |
N2 | A1: Knp. Diemen – Knp. Muiderberg | 0 | 4000 | |
N3 | A1: Knp. Muiderberg – Knp. Eemnes | 0 | 4000 | |
U1 | A1: Knp. Eemnes – afrit 10 (Soest) | 0 | 4000 | |
U91 | A1: afrit 10 (Soest) – afrit 12 (Bunschoten) | 0 | 4000 | |
U81 | A1: afrit 12 (Bunschoten) – afrit 13 (Amersfoort Noord) | 1 | 3932 | |
U90 | A1: afrit 13 (Amersfoort Noord) – Knp. Hoevelaken | 3 | 3998 | |
G1 | A1: Knp. Hoevelaken – afrit 15 (Barneveld) | 0 | 4000 | |
G63 | A1: afrit 15 (Barneveld) – afrit 17 (Stroe) | 0 | 4000 | |
G72 | A1: afrit 17 (Stroe) – afrit 18 (Kootwijk) | 0 | 4000 | |
G64 | A1: afrit 18 (Kootwijk) – afrit 19 (Hoenderloo) | 0 | 4000 | |
G71 | A1: afrit 19 (Hoenderloo) – Knp. Beekbergen | 0 | 4000 | |
G2 | A1: Knp. Beekbergen – afrit 23 (Deventer) | 15 | 4000 | |
O2 | A1: afrit 23 (Deventer) – afrit 24 (Deventer Oost) | 12 | 4000 | |
O113 | A1: afrit 24 (Deventer Oost) – afrit 26 (Lochem) | 12 | 4000 | |
O3 | A1: afrit 26 (Lochem) – afrit 28 (Rijssen) | 0 | 3000 | |
O76 | A1: afrit 28 (Rijssen) – Knp. Azelo | 0 | 3000 | |
O4 | A1: Knp. Azelo – Knp. Buren | 0 | 4000 | |
O5 | A1: Knp Buren – afrit 30 (Hengelo) | 0 | 3000 | |
O6 | A1: afrit 30 (Hengelo) – afrit 32 (Oldenzaal) | 0 | 3000 | |
O7 | A1: afrit 32 (Oldenzaal) – afrit 33 (Oldenzaal Zuid) | 0 | 3000 | |
O8 | A1: afrit 33 (Oldenzaal Zuid) – Grens Duitsland | 0 | 1500 | |
Rijksweg A2/N2 | ||||
N4 | A2: Knp Amstel- Knp Holendrecht 1 | 0 | 3000 | |
N5 | A2: Knp. Holendrecht 1 – Knp. Holendrecht 2 | 0 | 3000 | |
U12 | A2: Knp. Holendrecht 2 – afrit 4 (Vinkeveen) | 0 | 4000 | |
U13 | A2: afrit 4 (Vinkeveen) – afrit 5 (Breukelen) | 0 | 4000 | |
U73 | A2: afrit 5 (Breukelen) – afrit 6 (Ring Utrecht Noord) | 0 | 4000 | |
U14 | A2: afrit 6 (Ring Utrecht Noord) – afrit 7 (Oog in Al) | 0 | 3012 | |
U88 | A2: afrit 7 (Oog in Al) – Knp. Oudenrijn | 0 | 3164 | |
U15 | A2: Knp. Oudenrijn – afrit 9 (Nieuwegein) | 0 | 3000 | |
U84 | A2: afrit 9 (Nieuwegein) – Knp. Everdingen | 0 | 3000 | |
G88 | A2: Knp. Everdingen – afrit 12 (Everdingen) | 0 | 4000 | |
G29 | A2: afrit 12 (Everdingen) – Knp. Deil | 0 | 4000 | |
B59 | A2: Knp. Deil – afrit 19 (Kerkdriel) | 0 | 4544 | |
B107 | A2: afrit 19 (Kerkdriel) – Knp. Empel | 0 | 4000 | |
B60 | A2: Knp. Empel – Knp. Hintham | 0 | 4000 | |
B61 | A2: Knp. Hintham – afrit 21 (Veghel) | 0 | 4182 | |
B105 | A2: afrit 21 (Veghel) – Knp. Vught | 0 | 4000 | |
B62 | A2: Knp. Vught – Knp. Ekkersweijer | 0 | 4000 | |
B7 | A2/A58: Knp. Ekkersweijer – Knp. Batadorp | 0 | 4000 | |
B63 | A2: Knp. Batadorp – afrit 30 (Eindhoven Centrum) | 21 | 4421 | |
B106 | A2: afrit 30 (Eindhoven Centrum) – Knp. De Hogt | 26 | 4557 | |
B72 | A2/A67: Knp. De Hogt – afrit 33 (Waalre) | 33 | 8400 | |
B104 | A2/A67: afrit 33 (Waalre) – Knp. Leenderheide | 43 | 9570 | |
B64 | A2: Knp. Leenderheide – afrit 34 (Valkenswaard) | 0 | 4000 | |
B65 | A2: afrit 34 (Valkenswaard) – afrit 39 (Nederweert) | 0 | 4000 | |
L38 | A2: afrit 39 (Nederweert) – afrit 40 (Kelpen) | 0 | 4000 | |
L39 | A2: afrit 40 (Kelpen) – afrit 41 (Grathem) | 0 | 4000 | |
L40 | A2: afrit 41 (Grathem) – afrit 44 (St. Joost) | 14 | 2175 | |
L41 | A2: afrit 44 (St. Joost) – afrit 45 (Echt) | 17 | 1625 | |
L84 | A2: afrit 45 (Echt) – afrit 47 (Born) | 17 | 1673 | |
L85 | A2: afrit 47 (Born) – afrit 48 (Urmond) | 17 | 1967 | |
L86 | A2: afrit 48 (Urmond) – Knp. Kerensheide | 0 | 3000 | |
L42 | A2: Knp. Kerensheide – afrit 50 (Maastricht-Aachen) | 0 | 3000 | |
L43 | A2: afrit 50 (Maastricht-Aachen) – afrit 51 (Meerssen) | 0 | 3000 | |
L44 | A2: afrit 51 (Meerssen) – Knp. Kruisdonk | 0 | 1000 | |
L45 | A2: Knp. Kruisdonk – N2 (Pres. Rooseveltweg/Terblijterweg/Viaductweg) | 0 | 1000 | |
L46 | N2: Pres. Rooseveltweg/Terblijterweg/Viaductweg – Pres. Rooseveltlaan/Scharnerweg/Wilhelminasingel | 0 | 1000 | Wegtype binnen bebouwde kom |
L47 | N2: Pres. Rooseveltlaan/Scharnerweg/Wilhelminasingel – Knp. Europaplein | 0 | 1000 | Wegtype binnen bebouwde kom |
L48 | A2: Knp. Europaplein – afrit 58 (Eijsden) | 0 | 1000 | |
L92 | A2: afrit 58 (Eijsden) – Grens België | 0 | 1000 | |
Rijksweg N3 | ||||
Z98 | N3: A15 – Burg. Keijzerweg (Papendrecht) | 32 | 8316 | Snelweg met verhoogde ongeval Frequentie |
Z115 | N3: Burg. Keijzerweg (Papendrecht) – Baanhoekweg/Merwedestraat (Dordrecht) | 33 | 8435 | Snelweg met verhoogde ongeval Frequentie |
Z97 | N3: Baanhoekweg/Merwedestraat (Dordrecht) – A16 | 47 | 9725 | Snelweg met verhoogde ongeval frequentie. Na aanpassing aansluiting A16 kan dit wegdeel beschouwd worden als snelweg en geldt een zone van 21 meter |
Rijksweg A4 | ||||
N6 | A4: Knp. De Nieuwe Meer – Knp. Badhoevedorp | 0 | 3000 | |
N87 | A4: Knp. Badhoevedorp – Knp. De Hoek (incl. Schipholtunnel) | 0 | 3000 | Categorie A tunnel |
N7 | A4: Knp. De Hoek – afrit 3 (Hoofddorp) | 0 | 3000 | |
N84 | A4: afrit 3 (Hoofddorp) – afrit 4 (Nieuw Vennep) | 0 | 4000 | |
N85 | A4: afrit 4 (Nieuw Vennep) – Knp. Burgerveen | 0 | 4000 | |
Z6 | A4: Knp. Burgerveen – afrit 6a (Zoeterwoude Rijndijk) | 0 | 2162 | |
Z118 | A4: afrit 6a (Zoeterwoude Rijndijk) – afrit 7 (Zoeterwoude Dorp) | 12 | 2163 | |
Z7 | A4: afrit 7 (Zoeterwoude Dorp) – Knp. Prins Clausplein | 13 | 4000 | |
Z8 | A4: Knp. Prins Clausplein – Knp. Ypenburg | 23 | 3743 | |
Z9 | A4: Knp. Ypenburg – afrit 12 (Den Haag Zuid) | 0 | 1000 | |
Z10 | A4: afrit 12 (Den Haag Zuid) – afrit 13 (Den Hoorn) | 0 | 1000 | |
Z33 | A4: afrit 13 (Den Hoorn) – afrit 14 (Delft) | 0 | 500 | |
Z11-1 | A4: Knp. Kethelplein – afrit 16 (Vlaardingen oost) | 23 | 500 | |
Z11-2 | A4: afrit 16 (Vlaardingen oost) – knp. Benelux (incl. Beneluxtunnel) | 23 | 0 | Categorie C tunnel |
B24 | A4 & N259: Halsterseweg/Randweg Noord/Randweg West – Knp. Zoomland | 0 | 1000 | |
B1 | A4/A58: Knp. Zoomland – afrit 30 (Hoogerheide) | 25 | 3851 | |
B127 | A4/A58: afrit 30 (Hoogerheide) – Knp. Markiezaat | 30 | 5715 | |
B35 | A4: Knp. Markiezaat – Grens België | 22 | 3098 | |
Rijksweg A5 | ||||
N90 | A5: A5/A9 (Kp. Raasdorp – A4/A5 (Kp. De Hoek) | 0 | 3000 | |
Rijksweg A6 | ||||
F1 | A6: Knp. Muiderberg – afrit 3 (Almere Stad West) | 0 | 3000 | |
F39 | A6: afrit 3 (Almere Stad West) – afrit 5 (Almere Stad) | 0 | 3000 | |
F41 | A6: afrit 5 (Almere Stad) – afrit 6 (Almere Buiten West) | 0 | 3000 | |
F56 | A6: afrit 6 (Almere Buiten West) – Knp. Almere | 0 | 3000 | |
F42 | A6: Knp. Almere – afrit 8 (Almere Buiten Oost) | 0 | 4000 | |
F34 | A6: afrit 8 (Almere Buiten Oost) – afrit 10 (Lelystad) | 0 | 4000 | |
F35 | A6: afrit 10 (Lelystad) – afrit 11 (Lelystad Noord) | 0 | 4000 | |
F36 | A6: afrit 11 (Lelystad Noord) – afrit 13 (Urk) | 0 | 4000 | |
F37 | A6: afrit 13 (Urk) – afrit 14 (Emmeloord) | 0 | 4000 | |
F38 | A6: afrit 14 (Emmeloord) – Knp. Emmeloord | 0 | 4000 | |
F47 | A6: Knp. Emmeloord – afrit 15 (De Munt) | 0 | 3000 | |
F2 | A6: afrit 15 (De Munt) – Knp. Joure | 0 | 3000 | |
Rijksweg A7/N7 | ||||
N33 | A7: Knp Zaandam – afrit 6 (Purmerend Noord) | 0 | 4000 | |
N34 | A7: afrit 6 (Purmerend Noord)- afrit 7 (Avenhorn) | 0 | 3000 | |
N82 | A7: afrit 7 (Avenhorn) – afrit 8 (Hoorn) | 0 | 3000 | |
N81 | A7: afrit 8 (Hoorn) – afrit 9 (Hoorn Noord) | 0 | 1500 | |
N108 | A7: afrit 9 (Hoorn Noord) – afrit 12 (Middenmeer) | 0 | 1500 | |
N35 | A7: afrit 12 (Middenmeer) – afrit 13 (Wieringerwerf) | 0 | 1500 | |
N80 | A7: afrit 13 (Wieringerwerf) – afrit 14 (Den Oever) | 0 | 1500 | |
Fr30 | A7: afrit 14 (Den Oever) – Knp. Zurich | 0 | 1000 | |
Fr6 | A7: Knp. Zurich – N7 (Stadsrondweg Zuid Sneek) | 0 | 1000 | |
Fr5 | N7: A7 – N354 | 0 | 1000 | |
Fr4 | N7/A7: N354 – Knp. Joure | 0 | 1000 | |
Fr3 | A7: Knp. Joure – Knp. Heerenveen | 0 | 3000 | |
Fr2 | A7: Knp. Heerenveen – afrit 29 (De Haven) | 0 | 3000 | |
Fr33 | A7: afrit 29 (De Haven) – Knp. Drachten = afrit 30 (Oosterwolde) | 0 | 3000 | |
Gr1 | A7: Knp. Drachten = afrit 30 (Oosterwolde) – afrit 36 (Groningen West) | 0 | 1500 | |
Gr31 | A7: afrit 36 (Groningen West) – Knp. Julianaplein | 0 | 1500 | |
Gr30 | A7 : Knp Julianaplein – Knp Europaplein | 12 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Gr2 | A7: Knp. Europaplein – afrit 44 (Veendam) | 0 | 1500 | |
Gr3 | A7: afrit 44 (Veendam) – afrit 45 (Scheemda) | 0 | 1000 | |
Gr29 | A7: afrit 45 (Scheemda) – Grens Duitsland | 0 | 1000 | |
Rijksweg A8 | ||||
N31 | A8: Knp. Coenplein – afrit 1 (Oostzaan) | 0 | 4000 | |
N91 | A8: afrit 1 (Oostzaan) – Knp. Zaandam | 0 | 4000 | |
N99 | A8: Knp. Zaandam – afrit 2 (Zaandijk) | 0 | 1500 | |
N32 | A8: afrit 2 (Zaandijk) – N246 | 0 | 1500 | |
Rijksweg A9/N9 | ||||
N29 | N9: N250 (De Kooy) – N503 (bij Schagerbrug) | 0 | 500 | |
N28 | N9: N503 (bij Schagerbrug) – ringweg Alkmaar (Huiswaarderweg) | 0 | 500 | |
N27 | N9: Huiswaarderweg – Vkp Kooimeer | 0 | 500 | |
N26 | A9: Vkp Kooimeer -afrit 10 (Castricum) | 0 | 1500 | |
N25 | A9: afrit 10 (Castricum) – Knp. Beverwijk | 0 | 1500 | |
N24-1 | A9: Knp. Beverwijk – afrit 8 Beverwijk | 0 | 1500 | |
N24-2 | A9: afrit 8 Beverwijk – Knp. Velsen (incl. Wijkertunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
N23 | A9: Knp. Velsen – Knp. Rottepolderplein | 0 | 3000 | |
N22 | A9: Knp. Rottepolderplein – Knp. Raasdorp | 0 | 4000 | |
N88 | A9: Knp. Raasdorp – Knp. Badhoevedorp | 0 | 3000 | |
N86 | A9: Knp. Badhoevedorp – afrit 5 (Amstelveen) | 0 | 3000 | |
N21 | A9: afrit 5 (Amstelveen) Knp. Holendrecht 2 | 0 | 3000 | |
N5 | A2/A9: Knp. Holendrecht 2 – Knp. Holendrecht 1 | 0 | 3000 | |
N20 | A9: Knp. Holendrecht 1 – afrit 1 (S113, Gaasperplas) | 0 | 3000 | |
N107 | A9: afrit 1 (S113, Gaasperplas) – Knp. Diemen | 0 | 3000 | |
Rijksweg A10 | ||||
N15 | A10: Knp Coenplein – afrit S101 (Westpoort 2000-3000) (inclusief Coentunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
N98 | A10: afrit S101 (Westpoort 2000-3000) – afrit S102 (Westpoort 3000-9000) | 0 | 1000 | |
N14 | A10: afrit S102 (Westpoort 3000-9000) – afrit S103 (Haarlem) | 0 | 1329 | |
N13 | A10: afrit S103 (Haarlem) – Knp. De Nieuwe Meer | 0 | 2759 | |
N12 | A10: Knp. De Nieuwe Meer – Knp Amstel | 0 | 3912 | |
N11 | A10: Knp Amstel – Knp Watergraafsmeer | 0 | 2517 | |
N18-1 | A10: Knp Watergraafsmeer – afrit S114 (Zeeburg) | 0 | 2562 | |
N18-2 | A10: afrit S114 (Zeeburg) – afrit S115 (Nieuwendam) (incl. Zeeburgertunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
N17 | A10: afrit S115 (Nieuwendam) – afrit S116 (Volendam) | 0 | 4000 | |
N16 | A10: afrit S116 (Volendam) – Knp. Coenplein | 0 | 4000 | |
Rijksweg N11 | ||||
Z22 | N11: A4 – afrit N209 (Hazerswoude Rijndijk) | 0 | 1500 | |
Z119 | N11: afrit N209 (Hazerswoude Rijndijk) – afrit N207 (Alphen aan den Rijn) | 0 | 1500 | |
Z21 | N11: afrit N207 (Alphen aan den Rijn) – afrit N458 (Bodegraven) | 0 | 1500 | |
Z20 | N11: afrit N458 (Bodegraven) – A12 | 0 | 1500 | |
Rijksweg A12 | ||||
Z16 | A12: N44 (Benoordenhoutseweg) – Knp. Prins Clausplein | 0 | 0 | Routering, geen gebruiksruimte GF3 |
Z17 | A12: Knp. Prins Clausplein – afrit 7 (Zoetermeer) | 0 | 1500 | |
Z124 | A12: afrit 7 (Zoetermeer) – afrit 9 (Zevenhuizen) | 0 | 1500 | |
Z135 | A12: afrit 9 (Zevenhuizen) – Knp. Gouwe | 0 | 1500 | |
Z18 | A12: Knp. Gouwe – afrit 11 Gouda | 26 | 8486 | |
Z137 | A12: afrit 11 (Gouda) – afrit 12a (Bodegraven) | 26 | 8649 | |
Z19 | A12: afrit 12a (Bodegraven) – afrit 14 (Woerden) | 26 | 8432 | |
U85 | A12: afrit 14 (Woerden) – afrit 15 (De Meern) | 26 | 8466 | |
U86 | A12: afrit 15 (De Meern) – Knp. Oudenrijn | 28 | 8468 | |
U9 | A12: Knp. Oudenrijn – afrit 18 (Hoograven) | 25 | 6855 | |
U93 | A12: afrit 18 (Hoograven) – Knp. Lunetten | 23 | 7055 | |
U10 | A12: Knp. Lunetten – afrit 19 (Bunnik) | 0 | 4000 | |
U94 | A12: afrit 19 (Bunnik) – afrit 20 (Driebergen) | 0 | 4000 | |
U79 | A12: afrit 20 (Driebergen) – afrit 21 (Maarn) | 0 | 4000 | |
U80 | A12: afrit 21 (Maarn) – afrit 22 (Maarsbergen) | 0 | 4000 | |
U11 | A12: afrit 22 (Maarsbergen) – afrit 23 (Veenendaal) | 0 | 4000 | |
G8 | A12: afrit 23 (Veenendaal) – Knp. Maanderbroek | 0 | 4000 | |
G66 | A12: Knp. Maanderbroek – afrit 24 (Wageningen) | 0 | 4000 | |
G9 | A12: afrit 24 (Wageningen) – Knp. Grijsoord | 0 | 4000 | |
G10 | A12/A50: Knp. Grijsoord – Knp. Waterberg | 21 | 5138 | |
G11 | A12: Knp. Waterberg – Knp. Velperbroek | 16 | 3428 | |
G12 | A12: Knp. Velperbroek – Knp. Oud-Dijk | 0 | 4000 | |
G13 | A12: Knp Oud-Dijk – Grens Duitsland | 0 | 3000 | |
Rijksweg A13 | ||||
Z29 | A13: Knp. Ypenburg – afrit 9 (Delft) | 17 | 3639 | |
Z113 | A13: afrit 9 (Delft) – afrit 10 (Delft Zuid) | 17 | 3200 | |
Z30 | A13: afrit 10 (Delft Zuid) – afrit 11 (Berkel en Rodenrijs) | 16 | 2829 | |
Z114 | A13: afrit 11 (Berkel en Rodenrijs) – Knp. Kleinpolderplein | 6 | 2717 | |
Rijksweg N14 | ||||
Z53 | N14: A4 afrit 8 Leidschendam – N44 Wassenaar (incl. Sytwendetunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
Rijksweg A15/N15 | ||||
Z65 | N15: Maasvlakte – afrit 10 | 16 | 7022 | |
Z66 | N15: afrit 10 – afrit 12 (Brielle) | 40 | 10289 | |
Z126-1 | A15: afrit 12 (Brielle) – afrit 13 (Rozenburg) (incl. Thomassentunnel) | 15 | 0 | Categorie C tunnel |
Z126-2 | A15: afrit 13 (Rozenburg) – afrit 15 ( Havens) | 49 | 11676 | |
Z67 | A15: afrit 15 (Havens) – afrit 16 (Spijkenisse) | 51 | 11579 | |
Z69 | A15: afrit 16 (Spijkenisse) – afrit 17 (Hoogvliet) (incl. Botlektunnel) | 0 | 0 | Categorie D tunnel |
Z70 | A15: afrit 17 (Hoogvliet) – Knp. Benelux | 74 | 25176 | |
Z71 | A15: Knp. Benelux – afrit 18 (Pernis) | 80 | 38060 | |
Z72 | A15: afrit 18 (Pernis) – afrit 19 (Rotterdam Charlois) | 80 | 31529 | |
Z73 | A15: afrit 19 (Rotterdam Charlois) – Knp. Vaanplein | 80 | 31638 | |
Z74 | A15: Knp. Vaanplein – Knp. Ridderkerk Noord | 80 | 39917 | |
Z55 | A15/A16: Knp. Ridderkerk Noord – Knp. Ridderkerk Zuid | 66 | 17334 | |
Z75 | A15: Knp. Ridderkerk Zuid – afrit 21 (Hendrik Ido Ambacht ) | 63 | 18516 | |
Z76 | A15: afrit 21 (Hendrik Ido Ambacht) – A15 afrit 22 (Alblasserdam) (incl. Noordtunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
Z78 | A15: afrit 22 (Alblasserdam) – afrit 23 (Papendrecht/N3) | 68 | 23048 | |
Z79 | A15: afrit 23 (Papendrecht/N3) – afrit 27 (Gorinchem) | 46 | 13059 | |
Z80 | A15: afrit 27 (Gorinchem) – Knp. Gorinchem | 41 | 13595 | |
G14 | A15: Knp. Gorinchem – Knp. Deil | 32 | 9956 | |
G15 | A15: Knp. Deil – afrit 33 (Tiel) | 26 | 9173 | |
G78 | A15: afrit 33 (Tiel) – afrit 34 (Echteld) | 38 | 11754 | |
G16 | A15: afrit 34 (Echteld) – Knp. Valburg | 30 | 10044 | |
G17 | A15: Knp. Valburg – Knp. Ressen | 8 | 4000 | |
Rijksweg A16 | ||||
Z54 | A16: Knp. Terbregseplein – afrit 25 (Rotterdam Centrum) | 38 | 11421 | |
Z134 | A16: afrit 25 (Rotterdam Centrum) – Knp. Ridderkerk Noord | 58 | 16263 | |
Z55 | A15/A16: Knp. Ridderkerk Noord – Knp. Ridderkerk Zuid | 66 | 17334 | |
Z56-1 | A16: Knp. Ridderkerk Zuid – afrit 22 Zwijndrecht | 26 | 500 | |
Z56-2 | A16: afrit 22 Zwijndrecht – afrit 21 (Dordrecht) (incl. Drechttunnel) | 26 | 0 | Categorie C tunnel |
Z57 | A16: afrit 21 (Dordrecht) – afrit 20 (Randweg Dordrecht) | 22 | 500 | |
Z58 | A16: afrit 20 (Randweg Dordrecht) – Knp. Klaverpolder | 45 | 9047 | |
B37 | A16: Knp. Klaverpolder – Knp. Zonzeel | 33 | 6519 | |
B38 | A16: Knp. Zonzeel – afrit 17 (Prinsenbeek) | 28 | 5466 | |
B39 | A16: afrit 17 (Prinsenbeek) – Knp Princeville | 33 | 5364 | |
B108 | A16: Knp. Galder – Grens België | 8 | 4000 | |
Rijksweg A17 | ||||
B11 | A17: Knp. Klaverpolder – afrit 26 (Industrie Moerdijk) | 27 | 3627 | |
B12 | A17: afrit 26 (Industrie Moerdijk) – afrit 25 (Zevenbergen) | 16 | 3345 | |
B100 | A17: afrit 25 (Zevenbergen) – Knp. Noordhoek | 20 | 4011 | |
B13 | A17: Knp. Noordhoek – afrit 21 (Roosendaal Noord) | 17 | 2118 | |
B99 | A17: afrit 21 (Roosendaal Noord) – Knp. De Stok | 19 | 3122 | |
Rijksweg A18/N18 | ||||
G18 | A18: Knp. Oud-Dijk – afrit 4 (Doetinchem Oost) | 0 | 4000 | |
G19 | A18: afrit 4 (Doetinchem Oost) – afrit 5 (Varsseveld) | 0 | 4000 | |
G20 | N18: afrit 5 Varsseveld – afrit N319 Groenlo | 0 | 1000 | |
G21 | N18: afrit N319 (Groenlo) – afrit N822 (Eibergen) | 0 | 1000 | |
G22 | N18: afrit N822 (Eibergen) – afrit N347 (Haaksbergen) | 0 | 1000 | |
O35 | N18: afrit N347 (Haaksbergen) – A35 | 0 | 1000 | |
Rijksweg A20 | ||||
Z122 | A20: afrit N223 (bij Maasdijk) – afrit 6 (Maasdijk) | 0 | 1000 | |
Z48 | A20: afrit 6 (Maasdijk) – Knp. Kethelplein | 0 | 1000 | |
Z49 | A20: Knp. Kethelplein – Knp. Kleinpolderplein | 20 | 1050 | |
Z50 | A20: Knp. Kleinpolderplein – afrit 14 (Rotterdam Centrum) | 10 | 3656 | |
Z125 | A20: afrit 14 (Rotterdam Centrum) – Knp. Terbregseplein | 11 | 3656 | |
Z51 | A20: Knp. Terbregseplein – afrit 17 (Nieuwerkerk aan de Yssel) | 32 | 10952 | |
Z136 | A20: afrit 17 (Nieuwerkerk aan de Yssel) – Knp. Gouwe | 22 | 8847 | |
Rijksweg A22 | ||||
N83 | A22: Knp. Beverwijk – afrit Beverwiijk | 0 | 1500 | |
N93 | A22: afrit Beverwijk – afrit IJmuiden (incl. Velsertunnel) | 0 | 0 | Categorie D tunnel |
N89 | A22: afrit IJmuiden – Knp. Velsen | 0 | 3000 | |
Rijksweg A27 | ||||
F3 | A27: Knp. Almere – afrit 36 (Almere Stad) | 0 | 4000 | |
F43 | A27: afrit 36 (Almere Stad) – Knp. Eemnes | 0 | 4000 | |
N67 | A27: Knp. Eemnes – afrit 33 (Hilversum) | 0 | 4000 | |
N97 | A27: afrit 33 (Hilversum) – afrit 32 (Bilthoven) | 0 | 4000 | |
U87 | A27: afrit 32 (Bilthoven) – afrit 31 (Ring Utrecht Noord) | 0 | 4000 | |
U89 | A27: afrit 31 (Ring Utrecht Noord) – Knp. Rijnsweerd | 0 | 4000 | |
U6 | A27: Knp. Rijnsweerd – Knp. Lunetten | 23 | 7298 | |
U7 | A27: Knp. Lunetten – Knp. Everdingen | 10 | 5832 | |
Z128 | A27: Knp. Everdingen – afrit 25 (Noordeloos) | 16 | 5424 | |
Z100 | A27: afrit 25 (Noordeloos) – Knp. Gorinchem | 14 | 5040 | |
Z99 | A27: Knp. Gorinchem – afrit 24 (Avelingen) | 16 | 4764 | |
B41 | A27: afrit 24 (Avelingen) – Knp. Hooipolder | 12 | 4000 | |
B134 | A27: Knp. Hooipolder – afrit 19 (Oosterhout) | 0 | 3000 | |
B42 | A27: afrit 19 (Oosterhout) – afrit 16 (Breda Noord) | 0 | 4000 | |
B109 | A27: afrit 16 (Breda Noord) – afrit 15 (Breda) | 0 | 4000 | |
B110 | A27: afrit 15 (Breda) – Knp. Annabosch | 0 | 4000 | |
B101 | A27/A58: Knp. Annabosch – afrit 14 (Ulvenhout) | 23 | 3771 | |
B4 | A27/A58: afrit 14 (Ulvenhout) – Knp. Galder | 24 | 3950 | |
Rijksweg A28 | ||||
D5 | A28: Knp. Julianaplein – afrit 36 (Zuidlaren) | 0 | 1500 | |
D26 | A28: afrit 36 (Zuidlaren) – afrit 34 (Assen Noord) | 0 | 1500 | |
D4 | A28: afrit 34 (Assen Noord) – afrit 32 (Assen Zuid) | 0 | 3000 | |
D3 | A28: afrit 32 (Assen Zuid) – afrit 31 (Westerbork) | 0 | 3000 | |
D31 | A28: afrit 31 (Westerbork) – afrit 27 (Fluitenberg) | 0 | 3000 | |
D29 | A28: afrit 27 (Fluitenberg) – Knp. Hoogeveen | 0 | 3000 | |
D2 | A28: Knp. Hoogeveen – Knp. Lankhorst | 0 | 4000 | |
O111 | A28: Knp. Lankhorst – afrit 22 (Nieuwleusen) | 18 | 3314 | |
O12 | A28: afrit 22 (Nieuwleusen) – afrit 21 (Ommen) | 3 | 2075 | |
O112 | A28: afrit 21 (Ommen) – afrit 20 (Zwolle Noord) | 13 | 2895 | |
O11 | A28: afrit 20 (Zwolle Noord) – afrit 18 (Zwolle-Zuid) | 13 | 3093 | |
O114 | A28: afrit 18 (Zwolle-Zuid) – Knp. Hattemerbroek | 13 | 3293 | |
G62 | A28: Knp. Hattemerbroek – afrit 13 (Lelystad) | 0 | 4000 | |
G61 | A28: afrit 13 (Lelystad) – afrit 12 (Ermelo) | 5 | 3696 | |
G60 | A28: afrit 12 (Ermelo) – afrit 9 (Nijkerk) | 16 | 6902 | |
G31 | A28: afrit 9 (Nijkerk) – Knp. Hoevelaken | 20 | 8781 | |
U82 | A28: Knp. Hoevelaken – afrit 6 (Leusden Zuid) | 14 | 6795 | |
U2 | A28: afrit 6 (Leusden Zuid) – afrit 5 (Maarn) | 14 | 6570 | |
U3 | A28: afrit 5 (Maarn) – afrit 3 (Den Dolder) | 16 | 7011 | |
U83 | A28: afrit 3 (Den Dolder) – Knp. Rijnsweerd | 13 | 6707 | |
Rijksweg A29 | ||||
Z88 | A29: Knp. Vaanplein – afrit 21 (Oud Beijerland) (Heinenoordtunnel) | 0 | 0 | Categorie D tunnel |
Z133 | A29: afrit 21 (Oud Beijerland) – Knp. Hellegatsplein | 0 | 1000 | |
B19 | A29/A59: Knp. Hellegatsplein – Knp. Sabina | 0 | 3000 | |
B20 | A29: Knp. Sabina – afrit 24 (Dinteloord) | 0 | 1000 | |
Rijksweg A30 | ||||
G32 | A30: A1 – afrit 4 (Barneveld Zuid) | 0 | 4000 | |
G67 | A30: afrit 4 (Barneveld Zuid) – afrit 2 (Ede) | 0 | 4000 | |
G68 | A30: afrit 2 (Ede) – afrit 1 (Industriegebied Ede) | 0 | 4000 | |
G85 | A30: afrit 1 (Industriegebied Ede) – Knp. Maanderbroek | 0 | 4000 | |
Rijksweg A31/N31 | ||||
Fr8 | A31: Knp. Zurich – afrit 22 (Marssum) | 0 | 1000 | |
Fr9 | N31: afrit 22 (Marssum) – afrit N359 (Boksum) | 0 | 1000 | |
Fr10 | N31: afrit N359 (Boksum) – A32 (Leeuwarden) | 0 | 1000 | |
Fr11 | N31: A32 (Leeuwarden) – afrit N913 (Garijp) | 0 | 1000 | |
Fr37 | N31: afrit N913 (Garijp) – afrit N356 (Nijega) | 0 | 1000 | |
Fr32 | N31: afrit N356 (Nijega) – afrit N369 (Drachten) | 0 | 1500 | |
Fr36 | N31: afrit N369 (Drachten) – Knp. Drachten (A7) | 0 | 1500 | |
Rijksweg A32 | ||||
Fr15 | A32: Leeuwarden – Knp. Heerenveen | 0 | 1500 | |
Fr31 | A32: Knp. Heerenveen – afrit 8 (Wolvega) | 0 | 1500 | |
O18 | A32: afrit 8 (Wolvega) – afrit 7 (Steenwijk Noord) | 0 | 3000 | |
O115 | A32: afrit 7 (Steenwijk Noord) – afrit 5 (Steenwijk Zuid) | 0 | 3000 | |
O116 | A32: afrit 5 (Steenwijk Zuid) – afrit 4 (Havelte) | 0 | 3000 | |
O19 | A32: afrit 4 (Havelte) – Knp. Lankhorst | 0 | 3000 | |
Rijksweg N33 | ||||
Gr5 | N33: Eemshaven – afrit N997 (bij Holwierde) | 0 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Gr6 | N33: afrit N997 (bij Holwierde) – afrit N360 (Appingedam) | 0 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Gr7 | N33: afrit N360 (Appingedam) – afrit N362 (bij Opwierde) | 15 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Gr8 | N33: afrit N362 (bij Opwierde) – A7 | 9 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Gr9* | N33: A7 – afrit N366 (Veendam) | 20 | 1500 | * Wijzigt van buiten bebouwde kom naar autosnelweg vanwege aanpassingen (Veiligheids zone komt na aanpassingen te vervallen) |
D15* | N33: afrit N366 (Veendam) – N34 (Gieten) | 20 | 1500 | |
D14* | N33: N34 (Gieten) – A28 | 15 | 1500 | |
Rijksweg N34 | ||||
O95 | N34: N48 (Ommen) – afrit N347 (Ommen) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O96 | N34:afrit N347 (Ommen) – N36 (bij Rheezerveen) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Rijksweg N35/A35 | ||||
O59 | N35: (Zwolle) – afrit N348 (Raalte, Ommerweg) | 0 | 500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O60 | N35: afrit N348 (Raalte, Ommerweg) – afrit N347 (Nijverdal) | 0 | 0 | Geen gebruiksruimte GF3 |
O62 | N35: afrit N347 (Nijverdal) – afrit N350 (Wierden) | 0 | 500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O63 | N35: afrit N350 (Wierden) – N36 | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O120 | A35: N36 – afrit N349 (Almelo) | 0 | 1500 | |
O28 | A35: afrit N349 (Almelo) – Knp. Azelo | 0 | 1500 | |
O4 | A1/A35: Knp. Azelo – Knp. Buren | 0 | 4000 | |
O22 | A35: Knp. Buren – afrit 28 (Delden) | 0 | 3000 | |
O128 | A35: afrit 28 (Delden) – afrit 27 (Ind. Twentekanaal) | 0 | 1500 | |
O23 | A35: afrit 27 (Ind. Twentekanaal) – afrit 26 (Enschede West) | 0 | 1500 | |
O24 | A35/N35: afrit 26 (Enschede West) – Grens Duitsland | 0 | 1500 | |
Rijksweg N36 | ||||
O40 | N36: N34 (bij Rheezerveen) – afrit N341 (Westerhaar-Vriezeveensewijk) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O39 | N36: afrit N341 (Westerhaar-Vriezeveensewijk) – afrit N748 (Vriezenveen) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O38 | N36: afrit N748 (Vriezenveen) – A35 (Almelo) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Rijksweg A37/N37 | ||||
D7 | A37: Knp. Hoogeveen – afrit 1 (Hoogeveen Oost) | 0 | 1500 | |
D30 | A37: afrit 1 (Hoogeveen Oost) – Knp. Holsloot | 0 | 1500 | |
D8 | N37: Knp. Holsloot – afrit N376 (bij Veenoord) | 0 | 1500 | |
D28 | N37: afrit N376 (bij Veenoord) – Duitse Grens | 0 | 1500 | |
Rijksweg A44 | ||||
N9 | A44: Knp. Burgerveen – afrit 3 (Noordwijkerhout) | 0 | 3000 | |
Z1 | A44: afrit 3 (Noordwijkerhout) – afrit 9 (Leiden Zuid) | 0 | 3000 | |
Z2 | A44: afrit 9 (Leiden Zuid) – Wassenaar | 0 | 3000 | |
Rijksweg N48 | ||||
D6 | N48: Knp. Hoogeveen – afrit N377 (Balkbrug) | 0 | 500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
O43/O118 | N48: afrit N377 (Balkbrug) – N34 (Ommen) | 0 | 500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Rijksweg N50/A50 | ||||
F26 | N50: Knp. Emmeloord – afrit N352 (Ens) | 0 | 1500 | |
O52 | N50: afrit N352 (Ens) – afrit N307 (Kampen) | 0 | 1500 | |
O123 | N50: afrit N307 (Kampen) – afrit N764 (Kampen) | 0 | 1500 | |
O124 | N50: afrit N764 (Kampen) – Knp. Hattemerbroek | 0 | 1500 | |
G3 | A50: Knp. Hattemerbroek – Knp. Beekbergen | 0 | 3000 | |
G4 | A50: Knp. Beekbergen – Knp. Waterberg | 11 | 2309 | |
G10 | A12/A50: Knp. Waterberg – Knp Grijsoord | 21 | 5138 | |
G5 | A50: Knp. Grijsoord – Knp. Valburg | 7 | 3150 | |
G6 | A50: Knp. Valburg – Knp. Ewijk | 18 | 4932 | |
G65 | A50: Knp. Ewijk – Knp. Bankhoef | 0 | 3000 | |
B79 | A50:Knp. Bankhoef – Knp. Paalgraven | 0 | 3000 | |
B80 | A50: Knp. Paalgraven – afrit 14 (Zeeland) | 0 | 1500 | |
B86 | A50: afrit 14 (Zeeland) – afrit 13 (Volkel) | 0 | 1500 | |
B139 | A50: afrit 13 (Volkel) – afrit 12 (Veghel Noord) | 0 | 1500 | |
B87 | A50: afrit 12 (Veghel Noord) – afrit 11 (Veghel) | 0 | 1500 | |
B81 | A50: afrit 11 (Veghel) – afrit 10 (Eerde) | 0 | 1500 | |
B132 | A50: afrit 10 (Eerde) – A58 (Eindhoven ) | 0 | 1500 | |
Rijksweg N57 | ||||
Z89 | N57: A15 – afrit N218 (bij Zwartewaal) | 0 | 1500 | |
Z90 | N57: afrit N218 (bij Zwartewaal) – afrit N495 (Nieuwehoorn) | 12 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Z91 | N57: afrit N495 (Nieuwehoorn) – afrit N215 (Stellendam) | 10 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze11 | N57: afrit N215 (Stellendam) – N59 | 5 | 1500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze47 | N57: N59 – afrit N255 (bij Kamperland) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze48 | N57: afrit N255 (bij Kamperland) – afrit N287 (Serooskerke) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze12 | N57: afrit N287 (Serooskerke) – Middelburg | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Rijksweg A58 | ||||
Onbekend | A58: N288 Vlissingen – afrit 38 (Arnestein) | 0 | 500 | |
Ze49 | A58: afrit 38 (Arnestein) – afrit 36 (Heinkenzand) | 0 | 500 | |
Ze50 | A58: afrit 36 (Heinkenzand) – Knp. De Poel | 5 | 4229 | |
Ze9 | A58: Knp. De Poel – afrit 35 ('s Gravenpolder) | 0 | 4000 | |
Ze51 | A58: afrit 35 ('s Gravenpolder) – afrit 33 (Yerseke) (incl. Vlaketunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
Ze52 | A58: afrit 33 (Yerseke) – afrit 32 (Kruiningen) | 0 | 4000 | |
Ze10 | A58: afrit 32 (Kruiningen) – Knp. Markiezaat | 0 | 4000 | |
B127 | A4/A58: Knp. Markiezaat – afrit 30 (Hoogerheide) | 30 | 5715 | |
B1 | A4/A58: afrit 30 (Hoogerheide) – Knp. Zoomland | 25 | 3851 | |
B2 | A58: Knp. Zoomland – Knp. De Stok | 29 | 3720 | |
B3 | A58: Knp. De Stok – afrit 24 (Roosendaal) | 0 | 4000 | |
B114 | A58: afrit 24 (Roosendaal) – afrit 19 (Industriegebied Vosdonk) | 0 | 4000 | |
B136 | A58: afrit 19 (Industriegebied Vosdonk) – afrit 18 (Etten-Leur) | 0 | 4000 | |
B129 | A58: afrit 18 (Etten-Leur) – Knp. Princeville | 0 | 4000 | |
B40 | A16/A58: Knp. Princeville – afrit 15 (Rijsbergen) | 26 | 4728 | |
B116 | A16/A58: afrit 15 (Rijsbergen) – Knp. Galder | 30 | 4295 | |
B4 | A27/A58: Knp. Galder – afrit 14 (Ulvenhout) | 24 | 3950 | |
B101 | A27/A58: afrit 14 (Ulvenhout) – Knp. Annabosch | 23 | 3771 | |
B5 | A58: Knp. Annabosch – afrit 12 (Gilze) | 21 | 4178 | |
B113 | A58: afrit 12 (Gilze) – afrit 11 (Goirle) | 23 | 4460 | |
B111 | A58: afrit 11 (Goirle) – afrit 10 (Hilvarenbeek) | 24 | 4542 | |
B120 | A58: afrit 10 (Hilvarenbeek) – Knp. De Baars | 19 | 4140 | |
B6 | A58: Knp. De Baars – afrit 8 (Oirschot) | 16 | 4065 | |
B141 | A58: afrit 8 (Oirschot) – Knp. Batadorp | 18 | 3188 | |
B7 | A2/A58: Knp. Batadorp – Knp. Ekkersweijer | 0 | 4000 | |
B8 | A58: Knp. Ekkersweijer – A50 (Eindhoven ) | 0 | 3000 | |
Rijksweg N59/A59 | ||||
Ze38 | N59: N57 (Serooskerke) – afrit N256 (Zierikzee) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze39/Ze40 | N59: afrit N256 (Zierikzee) – afrit N257 | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Z94 | N59: afrit N257 – afrit N215 (Oude-Tonge) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Z93 | N59: afrit N215 (Oude-Tonge) – Knp. Hellegatsplein | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
B19 | A29/A59: Knp. Hellegatsplein – Knp. Sabina | 0 | 3000 | |
B14 | A59: Knp. Sabina – afrit 24 (Fijnaart) | 0 | 3000 | |
B98 | A59: afrit 24 (Fijnaart) – Knp. Noordhoek | 0 | 3000 | |
B15 | A59: Knp. Zonzeel – afrit 31 (Terheijden) | 10 | 4000 | |
B102 | A59: afrit 31 (Terheijden) – Knp. Hooipolder | 9 | 4000 | |
B16 | A59: Knp. Hooipolder – afrit 37 (Waalwijk) | 0 | 3000 | |
B17 | A59: afrit 37 (Waalwijk) – afrit 42 (Heusden) | 0 | 3000 | |
B18 | A59: afrit 42 (Heusden) – Knp. Empel | 0 | 3000 | |
B60 | A2/A59: Knp. Empel – Knp. Hintham | 0 | 4000 | |
B78 | A59: Knp. Hintham – Knp. Paalgraven | 0 | 3000 | |
Rijksweg N61 | ||||
Ze28 | N61: N683 (Westdorpe) – N62 (Terneuzen) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze61 | N61: N62 (Terneuzen) – N252 (Terneuzen) | 0 | 1000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Rijksweg N62 | ||||
Ze58-1 | N62: N254 (Nieuwdorp) – N666 ('s-Heerenhoek) | 0 | 3000 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Ze58-2 | N62: N666 ('s-Heerenhoek) – N681 (Terneuzen) (incl. Westerscheldetunnel) | 0 | 0 | Categorie C tunnel |
Rijksweg A65 | ||||
B58 | A65: Knp. Vught – afrit 3 (Tilburg Noord) | 0 | 1500 | |
B138 | A65: afrit 3 (Tilburg Noord) – Knp. De Baars | 0 | 1500 | |
Rijksweg A67 | ||||
B71 | A67: Grens België – afrit 32 (Eersel) | 28 | 5844 | |
B103 | A67: afrit 32 (Eersel) – Knp. De Hogt | 29 | 5739 | |
B72 | A2/A67: Knp. De Hogt – afrit 33 (Waalre) | 33 | 8400 | |
B104 | A2/A67: afrit 33 (Waalre) – Knp. Leenderheide | 43 | 9570 | |
B73 | A67: Knp. Leenderheide – afrit 35 (Someren) | 29 | 6719 | |
B112 | A67: afrit 35 (Someren) – afrit 38 (Helden) | 32 | 4832 | |
L5 | A67: afrit 38 (Helden) – afrit 39 (Sevenum) | 26 | 5247 | |
L89 | A67: afrit 39 (Sevenum) – Knp. Zaarderheiken | 22 | 4539 | |
L6 | A67: Knp. Zaarderheiken – afrit 40 (Velden) | 30 | 8402 | |
L90 | A67: afrit 40 (Velden) – afrit 41 (Venlo) | 29 | 7025 | |
L91 | A67: afrit 41 (Venlo) – Grens Duitsland | 27 | 4185 | |
Rijksweg A73 | ||||
G28 | A73: Knp. Ewijk – Knp. Neerbosch | 13 | 4848 | |
G27 | A73: Knp. Neerbosch – afrit 1A (Wijchen) | 13 | 3395 | |
G26 | A73: afrit 1A (Wijchen) – afrit 3 (Malden) | 15 | 4124 | |
B84 | A73: afrit 3 (Malden) – afrit 5 (Haps) | 10 | 3428 | |
B118 | A73: afrit 5 (Haps) – Knp. Rijkevoort | 12 | 3087 | |
B85 | A73: Knp. Rijkevoort – afrit 6 (Boxmeer) | 0 | 4000 | |
B122 | A73: afrit 6 (Boxmeer) – afrit 7 (Vierlingsbeek) | 0 | 4000 | |
L1 | A73: afrit 7 (Vierlingsbeek) – afrit 9 (Venray) | 0 | 5148 | |
L2 | A73: afrit 9 (Venray) – afrit 11 (Horst) | 1 | 5904 | |
L87 | A73:afrit 11 (Horst) – afrit 12 (Grubbenvorst) | 6 | 5363 | |
L88 | A73: afrit 12 (Grubbenvorst) – Knp. Zaarderheiken | 11 | 6336 | |
L104 | A73: Knp. Zaarderheiken – afrit 13 (Venlo West) | 0 | 3000 | |
L117 | A73: afrit 13 Venlo West – afrit 14 Maasbree | 0 | 3000 | Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
L13 | A73: afrit 14 Maasbree – afrit 16 Venlo-Zuid | 0 | 3000 | Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
L14 | A73: afrit 16 Venlo-Zuid – afrit 18 Beesel | 0 | 3000 | Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
L37 | A73: afrit 18 (Beesel) – afrit 19 (Roermond) incl. Swalmentunnel | 0 | 3000 | Categorie A tunnel. Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
L111 | A73: afrit 19 Roermond – afrit 20 Roermond-Oost | 0 | 3000 | Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
L112 | A73: afrit 20 (Roermond-Oost) – afrit 21 (Linne) incl. Roertunnel | 0 | 3000 | Categorie A tunnel. Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
L113 | A73: afrit 21 Linne – afrit 22 Maasbree | 0 | 3000 | Weg was nog niet in gebruik ten tijde van de tellingen |
Rijksweg A76 | ||||
L62 | A76: Grens België – Knp. Kerensheide | 13 | 4485 | |
L63 | A76: Knp. Kerensheide – afrit 2 (Geleen) | 14 | 4985 | |
L93 | A76: afrit 2 (Geleen) – afrit 5 (Nuth) | 6 | 4205 | |
L94 | A76: afrit 5 (Nuth) – Knp. Ten Esschen | 7 | 4196 | |
L64 | A76: Knp. Ten Esschen – Knp. Kunderberg | 7 | 4397 | |
L65 | A76: Knp. Kunderberg – Knp. Bocholz | 2 | 4000 | |
L66 | A76: Knp. Bocholz – grens Duitsland | 3 | 4000 | |
Rijksweg A77 | ||||
B97 | A77: Knp. Rijkevoort – afrit 2 (Gennep) | 0 | 4000 | |
L8 | A77: afrit 2 (Gennep) – Grens Duitsland | 0 | 4000 | |
Rijksweg A79 | ||||
L109 | A79: Knp. Kruisdonk – afrit 1 (Bunde) | 0 | 1000 | |
L61 | A79: afrit 1 (Bunde) – afrit 4 (Hulsberg) | 0 | 1000 | |
L102 | A79: afrit 4 (Hulsberg) – Knp. Kunderberg | 0 | 1000 | |
L67 | A79: Knp. Kunderberg – Keulseweg Heerlen | 0 | 500 | |
Rijksweg N99 | ||||
N30 | N99: N250 (De Kooy) – afrit N249 (van Ewijcksluis) | 0 | 500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
N79 | N99: N249 (van Ewijcksluis) – A7 | 0 | 500 | Wegtype buiten bebouwde kom |
Rijksweg A200/N200 | ||||
N96 | N200: Haarlem – Knp. Rottepolderplein | 0 | 1000 | |
N61 | A200/N200: Knp. Rottepolderplein – A10 | 15 | 1037 | |
Omleidingsroutes diverse tunnels | ||||
Z126 | omleidingsroute Thomassentunnel (A15) | 27 | 11676 | |
Z68 | omleidingsroute Botlektunnel (A15): via Botlekbrug | 72 | 26852 | Wegtype binnen bebouwde kom |
Z77 | omleidingsroute Noordtunnel (A15): via N915 | 93 | 21167 | Wegtype buiten bebouwde kom. Nadat maatregelen getroffen zijn wordt de veiligheidszone kleiner. |
Ze43 | omleidingsroute Vlaketunnel (A58): Oude Rijksweg | 19 | 3834 | Wegtype buiten bebouwde kom |
N19 | omleidingsroute Zeeburgertunnel (A10): Zuiderzeeweg | 0 | 2562 | Wegtype binnen bebouwde kom |
Knooppunten (niet genoemde bogen hebben geen zone) | ||||
U90 | Knp. Hoevelaken: aansluiting A28/A1 van afrit 9 Nijkerk en afrit 6 Leusden Zuid richting A1 afrit 13 Amersfoort Noord | 5 | 4000 | |
U82 | Knp. Hoevelaken: aansluiting A1 van afrit 13 Amersfoort Noord – A28 richting afrit 6 Leusden Zuid | 7 | 6795 | |
G31 | knp. Hoevelaken: aansluiting A1 (van afrit 13 Amersfoort Noord) – A28 richting afrit 9 Nijkerk | 10 | 8781 | |
G2 | Knp. Beekbergen: aansluiting A50 – A1 richting afrit 23 Deventer | 7,5 | 4000 | |
G4 | Knp. Beekbergen: aansluiting A1 (van afrit 19 Hoenderloo) – A50 richting knp. Waterberg | 5,5 | 3000 | |
B63 | Knp. Batadorp: aansluiting A58 van knp. Ekkersweijer – A2 richting afrit 30 Eindhoven Centrum | 10,5 | 4421 | |
B141 | knp. Batadorp: aansluiting A2 (afrit 30 Eindhoven Centrum) – A58 afrit 8 Oirschot | 9 | 3188 | |
B72 | Knp. De Hogt: aansluiting A2 – A67 richting afrit 33 Waalre | 15 | 8400 | |
B103 | Knp. De Hogt: aansluiting A2 – A67 richting afrit 32 Eersel | 14,5 | 5739 | |
B106 | Knp. De Hogt: aansluiting A67 van afrit 32 Eersel – A2 richting afslag 30 richting Eindhoven Centrum | 13 | 4557 | |
B106 | Knp. De Hogt: aansluiting A67 van afrit 33 Waalre – A2 richting afrit 30 Eindhoven Centrum | 13 | 4557 | |
B73 | Knp. Leenderheide: aansluiting A2 – A67 richting afrit 35 Someren | 14,5 | 6719 | |
B104 | Knp. Leenderheide: aansluiting Leenderweg – A67 richting afrit 33 Waalre | 20 | 9570 | |
Z8 | Knp. Prins Clausplein: aansluiting A12 van Benoordenhoutseweg/Utrechtsebaan/Zuid Hollandlaan – A4 richting knp. Ypenburg | 11,5 | 3743 | |
Z8 | Knp. Prins Clausplein: aansluiting A12 van afrit 7 Zoetermeer – A4 richting knp. Ypenburg | 11,5 | 3743 | |
Z11 | Knp. Kethelplein: aansluiting A20 van afrit 6 Maasdijk – A4 richting knp. Benelux | 11,5 | 500 | |
Z49 | Knp. Kethelplein: aansluiting A4/A20 richting knp. Kleinpolderplein | 10 | 1050 | |
Z11 | Knp. Kethelplein: aansluiting A20 van knp. Kleinpolderplein – A4 richting knp. Benelux | 11,5 | 500 | |
Z70 | Knp Benelux: aansluiting A4 – A15 richting afrit 17 Hoogvliet | 49 | 25176 | |
Z71 | Knp. Benelux: aansluiting A4 – A15 richting afrit 18 Pernis | 66 | 38060 | |
Z11 | Knp. Benelux: aansluiting A15 (van afrit 17 Hoogvliet) – A4 richting knp. Kethelplein | 11,5 | 500 | |
Z11 | Knp. Benelux: aansluiting A15 (afrit 18 Pernis) – A4 richting knp. Kethelplein | 11,5 | 500 | |
B2 | Knp. Zoomland: aansluiting A4 – A58 richting knp. De Stok | 14,5 | 3720 | |
B1 | Knp. Zoomland: aansluiting A58 – A4 richting afrit 30 Hogerheide | 12,5 | 3851 | |
B35 | Knp Markiezaat: aansluiting A4 – A58 richting grens Belgie | 11 | 3098 | |
B127 | Knp Markiezaat: aansluiting A58 – A4 richting afrit 30 Hoogerheide | 15 | 5715 | |
Gr30 | Knp. Europaplein: aansluiting A7 – N7 richting knp. Julianaplein | 6 | 1000 | |
Z136 | Knp. Gouwe: aansluiting A12 – A20 richting afrit 17 Nieuwerkerk aan de IJssel | 5 | 8847 | |
Z18 | Knp. Gouwe: aansluiting A20 – A12 richting afrit 11 Gouda | 5 | 8486 | |
U86 | Knp. Oudenrijn: aansluiting A2 – A12 richting afrit 15 De Meern | 5 | 8468 | |
U9 | Knp. Oudenrijn: aansluiting A2 – A12 richting afrit 18 Hoograven | 12,5 | 6855 | |
U6 | Knp. Lunetten: aansluiting A12 – A27 richting knp. Rijnsweerd | 11,5 | 7298 | |
U7 | Knp. Lunetten: aansluiting A12 – A27 richting knp. Everdingen | 5 | 5832 | |
U93 | Knp. Lunetten: aansluiting A27 – A12 richting afrit 18 Hoograven | 12,5 | 7055 | |
G10 | Knp. Grijsoord: aansluiting A 50 – A12 richting knp. Waterberg | 10,5 | 5138 | |
G5 | Knp. Grijsoord: aansluiting A12 – A50 richting knp. Valburg | 5 | 3150 | |
G10 | Knp. Waterberg: aansluiting A50 – A12 richting knp. Grijsoord | 10,5 | 5138 | |
G11 | Knp. Waterberg: aansluiting A50 – A12 richting knp. Velperbroek | 8 | 3428 | |
G4 | Knp. Waterberg: aansluiting A12 ( van knp. Velperbroek) – A50 richting knp. Beekbergen | 5,5 | 3000 | |
G4 | Knp. Waterberg: aansluiting A12 (van knp. Grijsoord) – A50 richting knp. Beekbergen | 5,5 | 3000 | |
G11 | Knp. Velperbroek: aansluiting A348 – A12 richting knp. Waterberg | 8 | 3428 | |
Z8 | Knp. Ypenburg: aansluiting A13 – A4 richting knp. Prins Clausplein | 11,5 | 3743 | |
Z29 | Knp. Ypenburg: aansluiting A4 van afrit 12 Den Haag Zuid – A13 richting afrit 9 Delft | 8,5 | 3639 | |
Z29 | Knp. Ypenburg: aansluiting A4 van afrit 12 Den Haag Zuid – A13 richting afrit 9 Delft | 8,5 | 3639 | |
Z114 | Knp. Kleinpolderplein: aansluiting A20 – A 13 richting afrit 11 Berkel en Rodenrijs | 5 | 2717 | |
Z50 | Knp. Kleinpolderplein: aansluiting A13 – A20 richting afrit 14 Rotterdam Centrum | 5 | 3656 | |
Z73 | Knp. Vaanplein: aansluiting A29 – A15 richting Rotterdam Charlois | 60 | 31638 | |
Z74 | Knp. Vaanplein: aansluiting A29 – A15 richting knp. Ridderkerk Noord | 68 | 39917 | |
Z74 | Knp. Ridderkerk Noord: aansluiting A16 – A15 richting knp. Vaanplein | 68 | 39917 | |
Z55 | Knp. Ridderkerk Noord: aansluiting A15 – A15/A16 richting knp. Ridderkerk Zuid | 44 | 17334 | |
Z134 | Knp. Ridderkerk Noord: aansluiting A15 – A16 richting afrit 25 Rotterdam Centrum | 27 | 16263 | |
Z74 | Knp. Ridderkerk Noord: aansluiting A15/A16 – A15 richting knp. Vaanplein | 68 | 39917 | |
Z75 | Knp. Ridderkerk Zuid: aansluiting A15 – A15 richting afrit 21 Hendrik Ido Ambacht | 32 | 18516 | |
Z55 | Knp. Ridderkerk Zuid: aansluiting A15 – A15/A16 richting knp. Ridderkerk Noord | 44 | 17334 | |
Z56 | Knp. Ridderkerk Zuid: aansluiting A15 – A16 richting afrit 21 Dordrecht | 13 | 500 | |
Z99 | Knp. Gorinchem: aansluiting A15 van afrit 27 Gorinchem – A27 richting afrit 24 Avelingen | 8 | 4764 | |
Z80 | Knp. Gorinchem: aansluiting A27 van afrit 24 Avelingen – A15 richting afrit 27 Gorinchem | 18 | 13595 | |
Z100 | Knp. Gorinchem: aansluiting A15 van knp. Deil – A27 richting afrit 25 Noordeloos | 7 | 5040 | |
Z80 | Knp. Gorinchem: aansluiting A27 – A15 richting afrit 27 Gorinchem | 18 | 13595 | |
G14 | Knp. Gorinchem: aansluiting A27 van afrit 24 Avelingen – A15 richting knp. Deil | 13 | 9956 | |
G14 | Knp. Gorinchem: aansluiting A27 van afrit Noorderloos – A15 richting knp. Deil | 13 | 9956 | |
G6 | Knp. Valburg: aansluiting A15 (van afrit 34 Echteld en knooppunt Ressen) – A50 richting knp. Ewijk | 9 | 4932 | |
G17 | Knp. Valburg: aansluiting A50 (van knp. Valburg en knp. Ewijk) – A15 richting knp. Ressen | 5 | 4000 | |
G5 | Knp. Valburg: aansluiting A15 (van afrit 34 Echteld en knooppunt Ressen) – A50 richting knp. Grijsoord | 5 | 3150 | |
G16 | Knp. Valburg: aansluiting A50 (van knp. Valburg en knp. Ewijk) – A15 richting afrit 34 Echteld | 8 | 10044 | |
G17 | Knp. Ressen: aansluiting A325 – A15 richting knp. Valburg | 5 | 4000 | |
Z54 | Knp. Terbregseplein: aansluiting A20 (van afrit 14 Rotterdam Centrum) – A16 richting afrit 25 Rotterdam Centrum | 14 | 11421 | |
Z51 | Knp. Terbregseplein: aansluiting A16 – A20 richting afrit 17 Nieuwerkerk aan de IJssel | 10 | 10952 | |
Z125 | Knp. Terbregseplein: aansluiting A16 afrit 25 Rotterdam Centrum – A20 richting afrit 14 Rotterdam Centrum | 5,5 | 3656 | |
Z54 | Knp. Terbregseplein: aansluiting A20 (van afrit 17 Nieuwerkerk aan de IJssel) – A16 richting afrit 25 Rotterdam Centrum | 14 | 11421 | |
B11 | Knp. Klaverpolder: aansluiting A16 (van afrit 20 's Gravendeel) – A17 richting afrit 26 Industrie Moerdijk | 13,5 | 3627 | |
B37 | Knp. Klaverpolder: aansluiting A17/A16 richting knp. Zonzeel | 16,5 | 6519 | |
Z58 | Knp. Klaverpolder: aansluiting A17 – A16 richting afrit 20 's Gravendeel | 25 | 9047 | |
B11 | Knp. Klaverpolder: aansluiting A16 ( van knp. Zonzeel) – A17 richting afrit 26 Industrie Moerdijk | 13,5 | 3627 | |
B15 | Knp. Zonzeel: aansluiting A16 (van knp. Klaverpolder) – A59 richting frit 31 Terheijden | 5 | 4000 | |
B15 | Knp. Zonzeel: aansluiting A16 ( van afrit 17 Prinsenbeek) – A59 richting afrit 31 Terheijden | 5 | 4000 | |
B37 | Knp. Zonzeel: aansluiting A59/A16 richting knp. Klaverpolder | 16,5 | 6519 | |
B38 | Knp. Zonzeel: aansluiting A59 – A16 richting afrit 17 Prinsenbeek | 14 | 5466 | |
B40 | Knp. Princeville: aansluiting A58 – A16 richting afrit 15 Rijsbergen | 13 | 4728 | |
B39 | Knp. Princeville: aansluiting A58 – A16 richting afrit 17 Prinsenbeek | 16,5 | 5364 | |
B4 | Knp. Galder: aansluiting A16 (van afrit 15 Rijsbergen) – A58 richting afrit 14 Ulvenhout | 12 | 3950 | |
B4 | Knp. Galder: aansluiting A16 (van grens Belgie) – A58 richting afrit 14 Ulvenhout | 12 | 3950 | |
B108 | Knp. Galder: aansluiting A58 – A16 richting grens Belgie | 5 | 4000 | |
B116 | Knp. Galder: aansluiting A58 – A16 richting afrit 15 Rijsbergen | 15 | 4295 | |
B13 | Knp. Noordhoek: aansluiting A59 – A17 richting afrit 21 Roosendaal Noord | 8,5 | 3000 | |
B100 | Knp. Noordhoek: aansluiting A59 – A17 richting afrit 25 Zevenbergen | 10 | 4011 | |
B2 | Knp. De Stok: aansluiting A58 – A17 richting knp. Zoomland | 14,5 | 3720 | |
B99 | Knp. De stok: aansluiting A58 – A17 richting afrit 21 Roosendaal Noord | 9,5 | 3122 | |
U83 | Knp. Rijnsweerd: aansluiting A27 (van knp. Lunetten) – A28 richting afrit 3 Den Dolder | 6,5 | 6707 | |
U6 | Knp. Rijnsweerd: aansluiting A28 – A27 richting knp. Lunetten | 11,5 | 7298 | |
U83 | Knp. Rijnsweerd: aansluiting A27 (van afrit 31 Ring Utrecht Noord) – A28 richting afrit 3 Den Dolder | 6,5 | 6707 | |
U7 | Knp. Everdingen: aansluiting A2 (van afrit 12 Everdingen) – A27 richting knp. Lunetten) | 5 | 5832 | |
Z128 | Knp. Everdingen: aansluiting A2 – A27 richting afrit 25 Noordeloos | 8 | 5424 | |
B102 | Knp. Hooipolder: aansluiting A59 – A27 richting afrit 19 Oosterhout | 5 | 4000 | |
B41 | Knp. Hooipolder: aansluiting A59 – A27 richting afrit 24 Avelingen | 5 | 4000 | |
B5 | Knp. Annabsoch: aansluiting A58 (van afrit 12 Gilze) – A27 richting afrit 15 Breda | 10,5 | 4178 | |
B101 | Knp. Annabsoch: aansluiting A58 (van afrit 14 Ulvenhout) – A27 richting Afrit 15 Breda | 11,5 | 3771 | |
O111 | Knp. Lankhorst: aansluiting A28 – A32 richting afrit 4 Havelte | 9 | 3314 | |
O114 | Knp. Hattemerbroek: A28 – N50 richting Kampen | 6,5 | 3293 | |
G6 | Knp. Ewijk: aansluiting A50 – A73 richting knp. Neerbosch | 9 | 4932 | |
G28 | Knp. Ewijk: aansluiting A73 – A50 richting knp. Valburg | 6,5 | 4848 | |
Ze50 | Knp. De Poel: aansluiting A256 – A58 richting afrit 36 Heinkenzand | 5 | 4229 | |
B6 | Knp. De Baars: aansluiting A58 (van afrit 10 Hilvarenbeek) – A65 richting afrit 8 Oirschot | 8 | 4065 | |
B120 | Knp. De Baars: aansluiting A65 – A58 richting afrit 10 Hilvarenbeek | 9,5 | 4140 | |
L6 | Knp. Zaarderheiken: aansluiting A73 (van afrit 12 Grubbenvorst) – A67 richting afrit 40 Velden | 15 | 8402 | |
L88 | Knp. Zaarderheiken: aansluiting A67 (van afrit 39 Sevenum en afrit 40 Velden) – A73 richting afrit 12 Grubbenvorst | 5,5 | 6336 | |
L89 | Knp. Zaarderheiken: aansluiting A73 (van afrit 12 Grubbenvorst) – A67 richting afrit 39 Sevenum | 11 | 4539 | |
G27 | Knp. Neerbosch: aansluiting A73:A50/A73/N322 – A73:Neerbosscheweg Nijmegen richting afrit 1A Wijchen) | 6,5 | 4000 | |
G28 | Knp. Neerbosch: aansluiting A73:Neerbosscheweg Nijmegen – A73:A50/A73/N322 richting knp. Ewijk | 6,5 | 4848 | |
L64 | Knp. Ten Esschen: aansluiting A76 (van afrit 5 Nuth) – A76 richting knp. Kunderberg | 5 | 4397 | |
N61 | Knp. Rottepolderplein: aansluiting A9 (van knooppunt Velsen en knooppunt Rottepolderplein/Haarlem Zuid – A200 richting A10/N200/Haarlemmerweg Amsterdam (A10 afrit S103 Haarlem) | 7,5 | 1037 |
Vaarwegen | Aantallen schepen met gevaarlijke stoffen voor berekening van het GR ¹ | |||||||||
Cate- gorie | Naamgeving | Type schepen | LF1 | LF2 | LT1 | LT2 | GF2 | GF3 | GT3 | GT5 |
Route Rotterdam – Duitsland | Binnenvaartschepen | 9.882 | 13.958 | 146 | 0 | 0 | 2.135 | 196 | 0 | |
Rood | Ingang haven | Zeeschepen | 9.196 | 3.334 | 347 | 0 | 1.046 | 902 | 38 | 2 |
Rood | Noord-ingang | 5.475 | 2.563 | 297 | 0 | 227 | 260 | 0 | 2 | |
Rood | Zuid-ingang | 3.721 | 771 | 50 | 0 | 819 | 642 | 38 | 0 | |
Rood | Beerkanaal (o.a. Maas Vlakte) | 1.241 | 442 | 48 | 0 | 69 | 61 | 3 | 0 | |
Rood | Calandkanaal | 2.480 | 329 | 2 | 0 | 750 | 581 | 35 | 0 | |
Rood | Nieuwe Waterweg (tot splitsing Oude en Nieuwe Maas) | 5.475 | 2.563 | 297 | 0 | 227 | 260 | 0 | 2 | |
Rood | Nieuwe Maas (route splitsing Oude en Nieuwe Maas – kern Pernis) | 1.257 | 489 | 53 | 0 | 39 | 0 | 0 | 0 | |
Rood | Nieuwe Maas (route kern Pernis – Delfshavense Schie) | 297 | 67 | 33 | 0 | 5 | 0 | 0 | 0 | |
Rood | Oude Maas (route splitsing Oude en Nieuwe Maas – Botlekbrug) | 524 | 202 | 17 | 0 | 86 | 77 | 0 | 2 | |
Rood | Oude Maas (route Botlekbrug – Drecht Steden) | 323 | 115 | 7 | 0 | 84 | 77 | 0 | 2 | |
Zwart | Beneden Merwerde | |||||||||
Zwart | Bijlandsch kanaal | |||||||||
Zwart | Boven Merwerde | |||||||||
Zwart | Hartelkanaal | |||||||||
Zwart | Niewe Maas (route Delfshavense Schie – Beneden Merwerde) | |||||||||
Zwart | Noord | |||||||||
Zwart | Oude Maas (route Beneden Merwerde – Dordtse Kil) | |||||||||
Zwart | Waal | |||||||||
Route Amsterdam – Rijn | Binnenvaartschepen | 8.303 | 9.063 | 0 | 0 | 0 | 332 | 0 | 0 | |
Zeeschepen (inclusief buiten haven) | 319 | 368 | 0 | 0 | 0 | 113 | 22 | 0 | ||
Rood | Noordzee kanaal (route Buitenhaven Noordzee-Coenhaven Amsterdam) | |||||||||
Zwart | Amsterdam-Rijnkanaal | |||||||||
Zwart | Het IJ (route Coenhaven-Oranjesluizen Amsterdam) | |||||||||
Zwart | Lek (route Nieuwe Maas-Lekkanaal) | |||||||||
Zwart | Lekkanaal | |||||||||
Zwart | Pannerdens kanaal | |||||||||
Route Westerschelde | Binnenvaartschepen | 4.691 | 1.089 | 1 | 7 | 0 | 37 | 62 | 0 | |
Zeeschepen | 0 | 0 | 0 | 0 | 4.067 | 11.023 | 448 | 0 | ||
Rood | Kanaal Gent-Terneuzen | |||||||||
Rood | Wielingen | |||||||||
Rood | Wester schelde | |||||||||
Route Westerschelde – Rijn | Binnenvaartschepen | 7.191 | 5.612 | 90 | 0 | 0 | 3.735 | 41 | 0 | |
Zeeschepen | 239 | 82 | 1 | 0 | 70 | 74 | 0 | 0 | ||
Rood | Dordtsche Kil | |||||||||
Rood | Hollandsch Diep (route Dordtsche Kill-haven Moerdijk) | |||||||||
Zwart | Brabantsche Vaarwater | |||||||||
Zwart | Hollandsch Diep (route sluis Willemstad-haven Moerdijk) | |||||||||
Zwart | Kanaal door Zuid-Beveland | |||||||||
Zwart | Krammer | |||||||||
Zwart | Mastgat (ook bekend als Keeten) | |||||||||
Zwart | Nieuwe Merwede | |||||||||
Zwart | Ooster schelde | |||||||||
Zwart | Schelde-Rijnkanaal | |||||||||
Zwart | Volkerak | |||||||||
Zwart | Zijpe | |||||||||
Route Amsterdam – Noord- Nederland | Binnenvaartschepen | 2.786 | 1.162 | 0 | 0 | 0 | 30 | 0 | ||
Zwart | Eemskanaal | |||||||||
Zwart | IJmeer (route Oranjesluizen Amsterdam-Markermeer) | |||||||||
Zwart | IJsselmeer (route Houtrib sluizen Lelystad-Markermeer/ Prinses Magriet kanaal) | |||||||||
Zwart | Markermeer (route IJmeer-Houtrib sluizen Lelystad) | |||||||||
Zwart | Prinses Margriet kanaal | |||||||||
Zwart | Van Starkenborghkanaal | |||||||||
Route Rijn – Oost-Nederland | Binnenvaartschepen | 810 | 347 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
Zwart | Geldersche IJssel | |||||||||
Zwart | Keteldiep | |||||||||
Zwart | Ketelmeer (route Ketelbrug-Keteldiep) | |||||||||
Route Maasroute | Binnenvaartschepen | 803 | 2.710 | 40 | 0 | 0 | 289 | 258 | 0 | |
Zwart | Julianakanaal | |||||||||
Zwart | Kanaal van Sint Andries | |||||||||
Zwart | Lateraalkanaal Linne/Buggenum | |||||||||
Zwart | Maas (route Kanaal van Sint Andries-Lateraalkanaal Linne/Buggenum) | |||||||||
Zwart | Maas (route Lateraal kanaal Linne/Buggenum-Julianakanaal) | |||||||||
Zwart | Maas-Waalkanaal |
¹
Voor de rode vaarwegen moeten GR-berekeningen worden uitgevoerd met de aantallen binnenvaart- plus zeeschepen. Voor zwarte vaarwegen moeten GR-berekeningen worden uitgevoerd met alleen de aantallen binnenvaartschepen.