U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 06-01-2014.

Wet · BWBR0016637

Wet op de jeugdzorg

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 22 april 2004, houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg)Wet op de jeugdzorgWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is een wettelijke aanspraak op jeugdzorg voor zover daarop geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, te vestigen, een samenhangend aanbod van jeugdzorg te realiseren, dat aansluit op de behoefte, de toegang tot de jeugdzorg alsmede de bekostiging van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat opnieuw te regelen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage22 april 2004BeatrixDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,C. I. J. M.Ross-van DorpDe Minister van Justitie ,J. P. H.Donnerde zesde juli 2004De Minister van Justitie ,J. P. H.Donner

Indien een provinciebestuur de bevoegdheden inzake de uitvoering van zijn taken in het kader van de jeugdzorg heeft overgedragen aan het bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, onderscheidenlijk ‘s-Gravenhage deel uit maakt, wordt dat bestuur voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met het provinciebestuur.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Met het oog op de goede uitvoering van dit hoofdstuk kan bij algemene maatregel van bestuur onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aan te geven leeftijdscategorieën van jeugdigen.

Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd:

Ten behoeve van de doeleinden, bedoeld in artikel 2d, worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid, alsmede strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt uitsluitend plaats teneinde meldingsbevoegden uit de domeinen jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg en politie en justitie in staat te stellen een jeugdige aan de verwijsindex te melden alsmede andere meldingsbevoegden in staat te stellen van deze melding kennis te nemen.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

De stichting heeft verder tot taak aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang, de wijziging en de beëindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliënt.

Vervallen

Een zorgaanbieder bij wie een cliënt zijn aanspraak op jeugdzorg tot gelding kan brengen verleent hem deze zorg waarop deze aanspraak heeft, tenzij de zorgaanbieder de cliënt kan aantonen dat het verlenen van die zorg niet binnen de grenzen van de aan de zorgaanbieder verleende subsidie mogelijk is.

Een zorgaanbieder en een aanbieder van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b en c, doen aan de stichting die heeft vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg, mededeling van de aanvang en de beëindiging van de zorg. Zij houden de stichting op de hoogte van de voortgang van de zorg, verschaffen de stichting de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg en werken mee aan deze evaluatie.

De artikelen 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen door een zorgaanbieder.

Vervallen

Vervallen

De griffier zendt, onverminderd artikel 805 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een afschrift van de beschikking inzake de machtiging aan:

De zorgaanbieder in wiens accommodatie de machtiging ten uitvoer wordt gelegd, doet van de opneming zo spoedig mogelijk mededeling aan degene die het gezag over de jeugdige uitoefent, aan de betrokken stichting en, indien de stichting niet de verzoeker was, aan degene die het verzoek tot het verlenen van de machtiging heeft ingediend.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzoekschrift, bedoeld in artikel 29d, en de verklaring, bedoeld in artikel 29e.

Een zorgaanbieder die aan een leerplichtige jeugdige verblijf biedt in een accommodatie is gedurende de looptijd van de machtiging een persoon die zich met de feitelijke verzorging van de jeugdige heeft belast als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet.

Met betrekking tot een jeugdige kunnen, anders dan ter uitvoering van een hulpverleningsplan of ter handhaving van de huisregels, bedoeld in artikel 29n, tweede lid, geen maatregelen, methoden of beperkingen, genoemd in de artikelen 29o tot en met 29r, tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, worden toegepast dan ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties. De toepassing behoeft binnen vierentwintig uur nadat deze is aangevangen de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie. De maatregelen, methoden of beperkingen worden ten hoogste gedurende zeven opeenvolgende dagen toegepast.

Ten aanzien van een beslissing als bedoeld in artikel 29w, derde lid, zijn de artikelen 74 tot en met 76 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de stichtingen, de zorgaanbieders, de aanbieders van andere zorg ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 42, de gegevens, bedoeld in artikel 44, zesde lid, onder a, verwerken en op welke wijze die verwerking plaatsvindt. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de wijze van verwerking.

De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de cliënt onder zich hebben.

De stichtingen en de zorgaanbieders stellen jaarlijks een schriftelijk verslag op over de wijze waarop door hen dit hoofdstuk is toegepast.

De zorgaanbieders die pleegzorg bieden, vragen de voorafgaande instemming van de pleegouderraad voor elk door de zorgaanbieders die pleegzorg bieden te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:

De artikelen 60 tot en met 64 en artikel 66, derde tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die pleegzorg bieden ten aanzien van pleegouderraden, met dien verstande dat in artikel 66, vierde lid, in plaats van artikel 58 wordt gelezen: artikel 66a.

De artikelen 67 en 68 zijn van overeenkomstige toepassing op zorgaanbieders die pleegzorg bieden jegens pleegouders.

Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de zorg recht op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage verschuldigd.

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen bepalen dat de verschuldigde ouderbijdrage, bedoeld in artikel 69, eerste lid, buiten invordering wordt gesteld.

Degene die belast is met de vaststelling van de eigen bijdrage deelt de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke eigen bijdrage is verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens moet worden voldaan.

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1.

Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Wijzigt de Algemene bijstandswet.

Wijzigt de Algemene nabestaandenwet.

Wijzigt de Werkloosheidswet.

Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

Wijzigt de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.

Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

Wijzigt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Wijzigt de Ziektewet.

Vervallen

Wijzigt de Uitvoeringswet verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen.

Wijzigt de Welzijnswet 1994.

Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.

Wijzigt de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.

Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.

Wijzigt de Wet arbeid en zorg.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Een beslissing van een stichting, de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een zorgaanbieder op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 van die wet gelden, ook voor zover de stichting, de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de zorgaanbieder de beslissing heeft genomen als bestuursorgaan, voor de toepassing van Hoofdstuk 8 van die wet, als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekend gemaakt en aan eenieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Ministers te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de jeugdzorg.