U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2013.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om regels te stellen met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en om de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Tavarnelle9 juli 2004BeatrixDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,A. J.de GeusDe Staatssecretaris van Financiën ,J. G.WijnDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,C. I. J. M.Ross-van Dorpde eenentwintigste september 2004De Minister van Justitie ,J. P. H.Donner

Vervallen

Vervallen

In afwijking van de artikelen 1.5 en 1.6, heeft een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, voor zover die ouder de arbeid verricht als gastouder, geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van gastouderopvang in een geregistreerde voorziening als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b.

De bedragen, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, de mate waarin het toetsingsinkomen van de ouder en, indien hij een partner heeft, dat van zijn partner een rol speelt bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, en het bedrag, bedoeld in artikel 1.8, tweede lid, worden bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen index ter zake van lonen of prijzen.

De kinderopvangtoeslag blijft buiten beschouwing bij de verlening van andere op het inkomen of vermogen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Het college van burgemeester en wethouders kan aan een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l, een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Door vernummering vervallen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De houder van een kindercentrum neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in de artikelen 167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs en werkt mee aan de totstandkoming van de afspraken en de nakoming ervan.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

De houder van een kindercentrum voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerd kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder van het kindercentrum legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico's de opvang van kinderen met zich brengt.

Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij kindercentra.

De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens deze afdeling gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer.

Indien de kinderopvang in een kindercentrum geschiedt uitsluitend en onbezoldigd door ten minste een van de ouders van de in die voorziening opgevangen kinderen worden voor de toepassing van artikel 1.50, eerste lid, ouders gelijkgesteld met personeel en beroepskrachten. Op ouders, bedoeld in de eerste zin, is artikel 1.50, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

De houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 1.60, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder van het kindercentrum of van het gastouderbureau brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Een houder biedt verantwoord peuterspeelzaalwerk aan waaronder wordt verstaan peuterspeelzaalwerk dat bijdraagt aan en stimuleert tot een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.

De houder van een peuterspeelzaal neemt deel aan het overleg tussen het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van scholen over het onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167a van de Wet op het primair onderwijs, en werkt mee aan de totstandkoming van de samenwerkingsafspraken en de nakoming ervan.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie, indien dit wordt gesubsidieerd door het college van burgemeester en wethouders. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:

De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elke door hem in stand gehouden peuterspeelzaal zoveel mogelijk zijn gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s het peuterspeelzaalwerk met zich brengt.

Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit hoofdstuk regels worden gesteld met betrekking tot de administratie van gegevens bij peuterspeelzalen.

Deze paragraaf is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.

De houder treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing voor de oudercommissie.

Vervallen

Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.

Een voordracht voor een krachtens deze afdeling vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.

Voor een berekeningsjaar dat voorafgaat aan 2013 blijft deze wet, zoals die luidde op 31 december van dat berekeningsjaar, van toepassing op de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2012.

Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een kindercentrum exploiteert en personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een gastouderbureau exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Ra en Rb, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 1.50, derde lid, werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum respectievelijk van een gastouderbureau voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.

Personen die werkzaam zijn bij een onderneming waarmee de houder een peuterspeelzaal exploiteert en van wie tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ub, van de Wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met het aanbrengen van grondslagen die hervorming van en bezuiniging op de kinderopvangtoeslag mogelijk maken en in verband met het incorporeren van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van de gemeente en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de kinderopvangtoeslag geen verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, werd verlangd, leggen aan de houder van een kindercentrum voor 1 januari 2013 een verklaring over als bedoeld in voornoemd artikel. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/253.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder van een peuterspeelzaal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van artikel 2.2 een verklaring over als bedoeld in artikel 2.6, derde lid.

Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.