Ministeriële regeling · BWBR0017052

Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen 2004

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende regels met betrekking tot brandbestrijding op burgerluchtvaartterreinen (Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen 2004)Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen 2004De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 129, vijfde lid, van de Regeling Toezicht Luchtvaart;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,M.H.Schultz van Haegen

In deze regeling wordt verstaan onder:

blusstof: een vaste, vloeibare of gasvormige stof geschikt voor het blussen van branden;

brandrisicoklasse:

brandweervoertuigen: voertuigen, die voor het gebruik bij de brandweer op luchtvaartterreinen zijn gebouwd, ingericht of uitgerust;

brandweervoorzieningen: het personeel en de middelen aanwezig op het luchtvaartterrein voor het redden van mens en dier en voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand bij ongevallen met luchtvaartuigen;

burgerluchtvaartterrein: een voor burgerluchtvaartuigen openstaand aangewezen luchtvaartterrein;

calamiteitenplan: het samenstel van maatregelen, dat is voorbereid, in geval van een ongeval of voorval op of in de onmiddellijke omgeving van het burgerluchtvaartterrein;

gecontroleerd luchtvaartterrein: een burgerluchtvaartterrein, waar luchtverkeersleiding wordt gegeven aan luchtvaartterreinverkeer;

luchtvaartongeval: elk voorval dat samenhangt met het gebruik van een luchtvaartuig en plaatsvindt tussen het tijdstip waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, en waarbij:

meldingspost: de plaats op het luchtvaartterrein waar alle incident- en ongevalmeldingen binnenkomen;

minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;

notice to airmen (NOTAM): bericht aan luchtvarenden;

onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein: een in overleg met de lokale overheid vastgesteld gebied buiten een luchtvaartterrein;

opkomsttijd: het tijdsverloop tussen de eerste melding van een luchtvaartongeval aan de brandweer en de aankomst van de brandweervoorzieningen met de minimum vereiste capaciteit die voor de desbetreffende brandrisicoklasse vereist is;

svm: schuimvormend middel voor de productie van blusschuim;

uitruksterkte: brandweerpersoneel en -materieel benodigd om de repressieve taak naar behoren uit te kunnen voeren;

vliegtuigbeweging: een landing of opstijging van een vliegtuig.

Deze regeling is van toepassing op alle burgerluchtvaartterreinen in Nederland, met uitzondering van terreinen die uitsluitend zijn ingericht voor het gebruik van hefschroefvliegtuigen.

Bij inwerkingtreding van het calamiteitenplan is er een ruimte van waaruit de leiding en de coördinatie van de luchthavendiensten kunnen plaatsvinden.

De vereiste brandweervoorzieningen zijn tijdens de openstellingsuren van het luchtvaartterrein en ten minste tot 15 minuten na de daadwerkelijke vertrektijd van het laatste luchtvaartuig aanwezig.

De opkomsttijd tot aan de baaneinden van elk van de in gebruik zijnde banen bedraagt niet meer dan drie minuten, onder optimale zicht- en terreinomstandigheden.

De minister kan personeelsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling meer dan twee jaar een functie bekleden van bevelvoerder of officier en niet over de certificaten of diploma’s beschikken van de opleidingen, bedoeld in artikel 7, vrijstelling verlenen voor het volgen van de vereiste opleidingen, indien zij kunnen aantonen, door middel van ervaring en bewijsstukken van andere opleidingen die zij gevolgd hebben, dat zij over een gelijkwaardig bekwaamheidsniveau beschikken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Brandweerregeling burgerluchtvaartterreinen 2004.

1.1. Voor actieve dienst bij de brandweer op luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 3 (geregeld luchtvervoer) en hoger komt in aanmerking hij/zij die voldoet aan de keuringseisen voor brandweerpersoneel, zoals vastgelegd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.2. De exploitant kan aanvullende eisen stellen voor zover nodig voor een juiste dienstvervulling.

2.1. Voor luchtvaartterreinen in de brandrisicoklasse 1 t/m 3 (geen geregeld luchtvervoer) kan het personeel voor de brandweer geselecteerd worden uit het dienstdoend personeel van de havendienst, zo nodig aangevuld met op het luchtvaartterrein aanwezige personeel van bedrijven, vliegclubs etc.

2.2. Voor luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 3 (geregeld luchtvervoer) t/m 10 zijn ten aanzien van de aanstellings- en bevorderingseisen voor het brandweerpersoneel de artikelen 2, 3, 4, eerste lid, onder a.1° t/m 4°, 6 en 7 van het Besluit Brandweerpersoneel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder bevoegd gezag in dezen de exploitant wordt verstaan.

2.3. De exploitant draagt er zorg voor dat het brandweerpersoneel een opleiding volgt overeenkomstig paragraaf 5 van deze bijlage.

3.1. De kennis en bedrevenheid van het brandweerpersoneel worden geregeld door middel van lessen en oefeningen op een zo hoog mogelijk peil gehouden. De lessen en oefeningen bevatten tenminste de volgende onderwerpen:

3.2. Indien het luchtvaartterrein ook buiten de daglichtperiode is opengesteld voor het luchtverkeer vinden ook ‘s nachts praktische oefeningen plaats.

3.3. De exploitant van een luchtvaartterrein stelt een oefenprogramma voor het brandweerpersoneel vast, afgestemd op het soort en de hoeveelheid luchtverkeer, dat in de regel van het luchtvaartterrein gebruik maakt.

3.4. De oefenfrequentie moet voldoende hoog zijn om te waarborgen, dat elk lid van de repressieve brandweerdienst:

4.1. Voor de luchtvaartterreinen 1, 2 en 3 (geen geregeld luchtvervoer)

Basisopleiding bestaat uit:

4.2. Voor luchtvaartterreinen 3 (geregeld luchtvervoer) tot en met 10

Manschap

Basisopleiding bestaat uit:

Voertuigcommandant aangevuld met:

Bevelvoerder

Basisopleiding bestaat uit:

basisopleiding manschap

Officier

Basisopleiding bestaat uit:

Voor luchthavens met meer dan 1 uitrukpost aangevuld met:

Opmerkingen

1. De minimale bezetting van een blusvoertuig, bestemd voor vliegtuigbrandbestrijding, bedraagt twee personen.

2. Indien de vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse, waarop de brandrisicoklasse voor het luchtvaartterrein is vastgesteld, niet worden gebruikt voor het vervoer van personen en de brandrisicoklasse 6 of hoger is, dan is bij deze brandrisicoklasse de minimale bezetting van twee brandrisicoklassen lager van toepassing doch nimmer lager dan 5.

3. Indien het luchtvaartterrein over meerdere uitrukposten beschikt kan met één officier worden volstaan.

4. Indien op een luchtvaartterrein vanuit meer dan twee uitrukposten wordt gewerkt kan worden volstaan met een minimale uitruk sterkte van 7 personen per post, te weten 1 bevelvoerder en zes manschappen, waarbij de algehele operationele leiding bij een officier berust.

1. De brandrisicoklasse waarin een vliegtuig wordt ingedeeld is ten eerste afhankelijk van de lengte van dat vliegtuig en ten tweede van de rompbreedte. Indien de rompbreedte van het vliegtuig groter is dan bij de lengte aangegeven maximum rompbreedte wordt het vliegtuig één klasse hoger ingedeeld.

2. Het schuimvormend middel moet voldoen aan de kwalificaties zoals gesteld in bijlage C.

3. Het schuimvormend middel op luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 1 t/m 3 moeten ten alle tijden voldoen aan de kwalificatie van type B.

4. De hoeveelheid water voor schuimvorming voor luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 3 t/m 9 mag bij gebruik van type A tot een totaal van 30% en de hoeveelheid water voor schuimvorming voor luchtvaartterreinen in de brandrisicoklassen 1 t/m 2 mag tot een totaal van 100% worden vervangen door een nevenblusmiddel.

5. De vervangingswaarden die bij bovengenoemd punt 4 in acht moet worden genomen zijn: 1 liter water voor schuimkwaliteit A = 0,66 liter water voor schuimkwaliteit B = 1 kg bluspoeder = 2 kg CO2

6. De minimale voorgeschreven hoeveelheid blusstof wordt evenwichtig over de blusvoertuigen verdeeld.

7. Bovenstaande hoeveelheden water voor schuimvorming zijn gebaseerd op de gemiddelde lengte en rompbreedte van de vliegtuigen in die bepaalde categorie.

8. De hoeveelheid reserve schuimvormend middel en nevenblusstof op een luchtvaartterrein is 200% van de minimale hoeveelheid blusmiddelen benodigd om aan bovenstaande tabel te kunnen voldoen.

Fysische eigenschapen

pH-waarde

De pH-waarde is een maatstaf die aangeeft of we te maken hebben met een zuur of een alkalisch milieu en wordt uitgedrukt in een getal van 1–14.

Bij pH-waarde 7 is er sprake van een neutraal milieu (niet zuur, niet alkalisch). Hoe lager de pH-waarde, hoe zuurder de omgeving (van pH-waarde 7 tot 0). Hoe hoger de pH-waarde, hoe alkalischer de omgeving (van pH-waarde 7 tot 14). Alkalisch is dus het tegenovergestelde van zuur. De pH-waarde van een svv moet zo neutraal mogelijk zijn en daarom tussen 6 en 8,5 liggen.

Viscositeit

De viscositeit van een stof is zijn weerstand tegen vormverandering. De viscositeit van een svm is zeer belangrijk. Het bepaalt onder andere de verpompbaarheid. Viscositeit is een maat voor de taaiheid of stroperigheid van de svm.

De viscositeit van een svm bij de laagste temperatuur, waarvoor dit svm geschikt is, mag nooit minder bedragen als 200 mm/s.

Bezinking

Een svm kan verontreinigingen bevatten die de werking van een (tussen)menger nadelig kan beïnvloeden.

Bij een centrifugetest mag de bezinking niet hoger zijn dan 0,5 procent.

Doel

Het vaststellen van het vermogen van een svm om:

Uitrusting

Condities:

Test procedure