U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-06-2007.

Regeling · BWBR0017082

Besluit jachthavens

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 3 augustus 2004, houdende regels met betrekking tot jachthavens (Besluit jachthavens)Besluit jachthavensWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 februari 2004 nr. MJZ2004015200, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving,

Gelet op richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135), richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 195/47) en richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L332), alsmede op de artikelen 8.40, eerste lid, 8.41, derde lid, 8.42, eerste lid, en 8.45 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 2004, nr. W08.04.0082/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 juli 2004, nr. MJZ2004073613, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage3 augustus 2004BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ,P. L. B. A.van Geelde tweede september 2004De Minister van Justitie ,J. P. H.Donner

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor een inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een jachthaven met meer dan 500 ligplaatsen voor pleziervaartuigen, die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en die niet krachtens artikel 6, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen is aangewezen, in ieder geval voorschriften die ertoe strekken dat voldaan wordt aan de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.8 van hoofdstuk 2 juncto hoofdstuk 2A, van de bijlage.

Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit jachthavens.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

– gasfles: een cilindrische drukhouder, voorzien van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter, die bedoeld is voor meermalig gebruik en een door middel van water gemeten inhoud heeft van ten hoogste 150 liter,

– NEN: door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)uitgegeven norm,

– ten minste gelijkwaardige instelling: instelling in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten,

– wit- en bruingoed: producten als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer wit- en bruingoed en

– categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen.

– referentieniveau: de hoogste waarde van de onder a en b genoemde niveaus:

– bedrijfsduurcorrectie: correctie als bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999, zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode en

– trillingsterkte: de effectieve waarde van de gewogen trillinggrootheid, gemeten en beoordeeld overeenkomstig de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen», uitgave 2002, van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.

– WBDBO: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag,

– CPR: Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen,

– CPR 9–1: Richtlijn 9–1 van de CPR, getiteld «Vloeibare aardolieprodukten; Ondergrondse opslag in stalen tanks en afleveringsinstallaties voor motorbrandstof, Opslag in grondwaterbeschermingsgebieden», vijfde druk 1993,

– CPR 9–5: Richtlijn 9–5 van de CPR, getiteld «Vloeibare aardolieprodukten; Ondergrondse opslag van vloeibare produkten in kunststoftanks», eerste druk 1993,

– CPR 9–6: Richtlijn 9–6 van de CPR, getiteld «Vloeibare aardolieprodukten; Opslag tot 150 m3 van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100°C in bovengrondse tanks», tweede druk 1999;

– CPR 15–1: Richtlijn 15–1 van de CPR, getiteld «Opslag van gevaarlijke stoffen in emballage; Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 tot 10 ton)», tweede druk, uitgave 1994,

– zeer licht ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K0-vloeistof) met een vlampunt van minder dan 0°C en een kookpunt van 35°C of minder, alsmede gasvormige stof die, of gasvormig preparaat dat, bij normale temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld, kan ontbranden,

– licht ontvlambare stof: stof die of preparaat dat:

– ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K2-vloeistof) met een vlampunt van meer dan 21 °C en minder dan 55 °C,

– brandbevorderende stof: stof die of preparaat dat bij spontane ontleding of bij verwarming het zuurstofgehalte van de lucht kan verhogen,

– explosief gas: mengsel van een brandbaar gas met lucht of zuurstof en

– veiligheidsinformatieblad: een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 31 van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.

– bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,

– openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater en

– riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

– NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, uitgegeven door InfoMil,

– CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/Projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen,

– CUR/PBV-aanbeveling 44: CUR/PBV-aanbeveling 44 «Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte voorzieningen» (vierde herziene uitgave), 2005, Stichting CUR, Gouda;

– vloeistofdichte vloer: vloer direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer kan komen;

– vloeistofdichte voorziening: fysieke voorziening in of direct op de bodem, niet zijnde een vloer, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen;

– inspecteur: deskundig inspecteur als bedoeld in CUR/PBV-aanbeveling 44;

– bodembeschermende maatregel: handeling in de vorm van controle of onderhoud van een voorziening of een proces om de kans op emissies of immissies te reduceren, die voldoet aan bodemrisicocategorie A, zoals gedefinieerd in de NRB,

– bodembeschermende voorziening: fysieke voorziening die de kans op emissies of immissies reduceert en die voldoet aan bodemrisicocategorie A, zoals gedefinieerd in de NRB,

– vloeistofkerende voorziening: fysieke barrière van permanente of tijdelijke aard tussen de bodem en een activiteit ten gevolge waarvan naar redelijkheid kan worden aangenomen dat, gelet op de uitvoering en de duur en omvang van de belasting, geen noemenswaardige belasting van de bodem ontstaat, al dan niet in combinatie met organisatorische maatregelen en

– PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening: verklaring overeenkomstig het model zoals vastgelegd in het KIWA/PBV document 99–02 «Model Verklaring Vloeistofdichte Voorziening».

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

1.1.2 Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.8, blijft buiten beschouwing het stemgeluid van:

1.1.3 Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.8, wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

1.1.4 Bij het bepalen van de piekniveaus (LAmax), bedoeld in de voorschriften 1.1.1 en 1.1.8, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van het komen en gaan van bezoekers.

1.1.5 De voorschriften 1.1.1 en 1.1.8 zijn niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in een concentratiegebied voor horecabedrijven of voor detailhandel, dat bij of krachtens een verordening als zodanig is aangewezen.

In een dergelijk gebied mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval:

1.1.6 De voorschriften 1.1.1 en 1.1.5 zijn, voorzover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of delen van dagen in verband met de viering van:

Een festiviteit of activiteit als bedoeld in de onderdelen a of b die maximaal een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

1.1.7 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen», uitgave 2002, van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.

1.1.8 Indien binnen een afstand van 50 meter van een inrichting die is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder geen woningen van derden of andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gelegen, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau op de in tabel III genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedraagt dan de in die tabel aangegeven waarden.

Tabel III

1.2.1 Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50 000 kWh elektriciteit of 25 000 m3 aardgas geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.2.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.2.1 worden die energiebesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.3.1 Het ontstaan van afvalstoffen wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die de inrichting drijft:

1.3.2 De volgende afvalstoffen worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd:

1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.3.4 De binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover de nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, worden die maatregelen getroffen waarmee de grootst mogelijke bescherming tegen die gevolgen wordt geboden en waarbij gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.3.5 Bedrijfsafvalwater wordt niet in een riolering gebracht indien dat water:

1.3.6 Bedrijfsafvalwater dat grove of snel bezinkende bedrijfsafvalstoffen bevat, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.7 Bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht:

1.3.8. Voorschrift 1.3.7 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

1.4.1 Verwarming- en stooktoestellen zijn zo afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt. Binnen een inrichting worden geen andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie verstookt of verbrand, met uitzondering van hout in een open haard, dat uitsluitend is bedoeld voor bij- of sfeerverwarming.

1.5.1 De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen. Lichtverschijnselen als gevolg van werkzaamheden als lassen en snijden veroorzaken buiten de inrichting geen hinder.

1.6.1 In ruimten waar stofontploffingsgevaar bestaat, dan wel zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool. In deze ruimten is de elektrische installatie uitgevoerd in overeenstemming met normen op het gebied van explosieveiligheid.

1.6.2 Gasflessen zijn:

1.6.3 Indien in totaal meer dan 1000 liter brandbare gassen en zuurstof in gasflessen wordt opgeslagen, bedraagt de afstand tussen een opslaggebouw of buitenopslag als bedoeld in voorschrift 1.6.2, onder e, en de dichtstbijzijnde woning ten minste 15 m. Indien een brandmuur van voldoende grootte en met een WBDBO van ten minste 60 minuten tussen de opslagplaats en de woning is geplaatst, bedraagt de afstand ten minste 7,5 m.

1.6.4 Afsluiters in vaste gasleidingen zijn goed bereikbaar en aangebracht:

1.6.5 Acculaders, accumulatorbatterijen en noodstroomaggregaten zijn tijdens het laden respectievelijk in werking zijn, opgesteld in een goed geventileerde ruimte. Ook andere installaties waar explosieve gassen kunnen ontstaan, zijn opgesteld in een goed geventileerde ruimte. In deze ruimte is geen schrobput aanwezig die in verbinding staat met een riolering.

1.6.6 Een ruimte waarin explosieve gassen kunnen ontstaan dan wel brandbare of brandbevorderende gassen worden opgeslagen of gebruikt, wordt voldoende geventileerd. De verwarming in deze ruimten is indirect.

1.6.7 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.6.8 Het verwisselen van een LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of transporthulpmiddel geschiedt alleen in de buitenlucht.

1.6.9 Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden zijn binnen de inrichting voldoende brandslanghaspels en mobiele brandblusapparaten aanwezig.

1.6.10 De houder van de jachthaven stelt gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van onveilige situaties binnen de jachthaven en ziet toe op de naleving daarvan. De gedragsvoorschriften zijn binnen de inrichting zodanig aanwezig dat eenieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.

1.7.1 Indien het waterverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 5000 m3 per jaar, geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van water wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.7.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.7.1 worden die waterbesparende maatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.8.1 Degene die voornemens is de inrichting of een gedeelte daarvan buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag. In geval van het buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan, wordt een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het onderzoek richt zich uitsluitend op die plaatsen waar bodembedreigende handelingen hebben plaats-gevonden en op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen. Uiterlijk binnen vier weken na het tijdstip van het buiten gebruik stellen wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek.

1.8.2 Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapportage van een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem niet is vereist, indien het aannemelijk is dat de kans op bodemverontreiniging afwezig is.

1.9.1 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen voorkomen of voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

2.1.1 De opslag van en werkzaamheden met gevaarlijke stoffen geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen of gegevens op de verpakking of het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad.

2.1.2 Opslag van en werkzaamheden met vloeibare of visceuze gevaarlijke stoffen vinden plaats boven een vloeistofdichte vloer of voorziening. De vloeistofdichte vloer of voorziening is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen de inwerking van de in gebruik zijnde gevaarlijke stoffen. De vloeistofdichte vloer of voorziening is permanent tegen inregenen beschermd. Indien boven de vloeistofdichte vloer of voorziening zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen, moet deze voorziening 100% van deze vloeistoffen kunnen opvangen. Indien boven de vloeistofdichte vloer of voorziening andere gevaarlijke vloeistoffen worden opgeslagen, is de inhoud van deze voorziening ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen.

2.1.3 Gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. De opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats in een of meer speciaal hiervoor bestemde ruimten, met uitzondering van gevaarlijke stoffen die zijn te beschouwen als werkvoorraad. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan CPR 15–1. In de inrichting wordt in totaal ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen en ten hoogste 1000 kg bestrijdingsmiddelen opgeslagen, van welke bestrijdingsmiddelen de opslag maximaal 600 kg aangroeiwerende verven mag betreffen en maximaal 400 kg overige bestrijdingsmiddelen.

2.1.4 In afwijking van voorschrift 2.1.3 kunnen gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in een voor het publiek toegankelijke verkoopruimte worden opgeslagen, mits de gezamenlijke hoeveelheid van de in de verkoopruimte opgeslagen:

De onder a genoemde hoeveelheid mag worden verhoogd tot 1,5 m3 en die onder b tot 0,8 m3 indien elke winkelstelling waar brandbare vloeistoffen zijn opgeslagen, is voorzien van een afzonderlijke bodembeschermende voorziening die tenminste 100% van de vloeistoffen kan opvangen. Indien boven de verkoopruimte een woning aanwezig is, wordt de onder a genoemde hoeveelheid beperkt tot 0,5 m3 en de onder b genoemde hoeveelheid tot 0,15 m3.

2.1.5 De opslag in bovengrondse tanks van brandbare vloeistoffen voldoet aan CPR 9–6, waarvan de artikelen 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet gelden voor een bovengrondse tank die reeds was opgericht voor 1 januari 2000.

2.1.6 Indien in een ondergrondse tank benzine of gasolie wordt opgeslagen, is ten aanzien van dat opslaan het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing.

2.1.7 Binnen de inrichting:

2.2.1. Er is een voorziening voor de inzameling van afgewerkte olie, indien in een jachthaven:

2.2.2. Er is een voorziening voor de inzameling van bilgewater, indien in een jachthaven meer dan 50 pleziervaartuigen met een binnenboordmotor een vaste ligplaats hebben.

2.2.3. Er is een voorziening voor de inzameling van afvalwater van pleziervaartuigen, indien een jachthaven beschikt over meer dan 50 ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen.

2.2.4. Er is een voorziening voor de inzameling van gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde afgewerkte olie of bilgewater, indien een jachthaven beschikt over meer dan 25 ligplaatsen en in de jachthaven tevens onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen plaatsvindt.

2.2.5. Er is een voorziening voor de inzameling van afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijk afval of afvalwater, indien een jachthaven beschikt over meer dan 25 ligplaatsen.

2.2.6. Indien twee of meer jachthavens in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen kunnen de in de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.5 bedoelde voorzieningen gemeenschappelijk worden aangebracht en beheerd, indien daartoe een overeenkomst is gesloten. De overeenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.

2.2.7. De capaciteit van de voorzieningen, bedoeld in de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.5 is afgestemd op de hoeveelheid afvalstoffen die binnen de jachthaven vrijkomt.

2.2.8. Indien een jachthaven beschikt over 250 of meer ligplaatsen, is er een voorziening voor het legen van chemische toiletten. Indien de jachthaven op een openbaar riool is aangesloten, is aansluiting van de voorziening op dit riool toegestaan. Het is verboden de voorziening op een individueel systeem voor de behandeling van afvalwater aan te sluiten. Indien de voorziening niet op het openbaar riool is aangesloten, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat de voorziening regelmatig wordt geleegd en dat de inhoud op een daartoe bestemde plaats buiten de inrichting wordt verwerkt.

2.2.9. Indien een jachthaven met minder dan 250 ligplaatsen beschikt over een voorziening voor het legen van chemische toiletten, is voorschrift 2.2.8 van overeenkomstige toepassing.

2.2.10. Indien een jachthaven met minder dan 250 ligplaatsen niet beschikt over een voorziening voor het legen van chemische toiletten, is het legen van chemische toiletten verboden. De houder van de jachthaven draagt er zorg voor dat dit verbod aan de gebruikers van de jachthaven op duidelijke wijze wordt kenbaar gemaakt en geeft tevens op duidelijke wijze aan waar de inhoud van chemische toiletten buiten de inrichting kan worden afgegeven.

2.2.11. Voor het gebruik van de voorzieningen, bedoeld in de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.5 en 2.2.8, wordt geen aparte financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers.

2.2.12. Indien een jachthaven op grond van de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.5 niet behoeft te beschikken over een voorziening voor de inzameling van een bepaalde categorie afvalstoffen, wordt binnen de jachthaven duidelijk aangegeven waar de gebruikers van de jachthaven hun afvalstoffen kunnen afgeven.

2.2.13. De in de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.7 bedoelde voorzieningen voor de inzameling van afvalstoffen, zijn naar hun aard en functie geschikt voor de inzameling en opslag van de desbetreffende afvalstoffen.

2.2.14. De opslag van gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd bilgewater, vindt plaats in een of meer speciaal hiervoor bestemde ruimten. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan CPR 15–1.

2.2.15. De opslag van afgedankte of gebruikte accu's vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of voorziening die bestand is tegen het aanwezige electrolyt. Accu's worden rechtop opgeslagen. Een in de buitenlucht opgestelde voorziening is tegen inregenen beschermd.

2.2.16. De in voorschrift 2.2.13 bedoelde voorzieningen zijn goed bereikbaar en in voldoende mate toegankelijk voor het afgeven van afvalstoffen. De situering, bestemming en openingstijden van de voorzieningen worden binnen de inrichting duidelijk aangegeven.

2.2.17. De in voorschrift 2.2.13 bedoelde voorzieningen worden ook overigens zodanig gesitueerd en ingericht dat:

2.3.1 Onverminderd het bepaalde in de voorschriften 2.3.4 en 2.3.7, vinden onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen of onderdelen daarvan, voorzover deze werkzaamheden niet binnenin het vaartuig worden verricht maar wel verontreiniging van de bodem kunnen veroorzaken, plaats boven ten minste een vloeistofkerende voorziening. Indien dat nodig is om verwaaien van afvalstoffen buiten de vloeistofkerende voorziening te voorkomen, worden windwerende voorzieningen toegepast.

2.3.2 Indien de voorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.1 bestaat uit een zeil of soortgelijk materiaal, bezit deze voldoende mechanische sterkte en is zij bestand tegen de stoffen die daarin worden opgevangen. Een dergelijke voorziening wordt voldoende windvast neergelegd of bevestigd.

2.3.3 Machinaal schuren geschiedt met mechanische stofafzuiging waarbij het vrijkomende schuurstof in een stofzak wordt opgevangen.

2.3.4 Onderhoud en reparatie van motoren van pleziervaartuigen vinden, voorzover deze werkzaamheden niet binnenin het vaartuig worden verricht, slechts plaats in een daartoe bestemde werkplaats of deel van een werkplaats, voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening.

2.3.5 Bij het proefdraaien en testen van motoren van pleziervaartuigen in de in voorschrift 2.3.4 bedoelde ruimte, worden de uitlaatgassen op een zodanige wijze via een afvoerleiding bovendaks afgevoerd dat voldoende verspreiding in de omgeving plaatsvindt.

2.3.6 Afvalstoffen die bij onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen of onderdelen daarvan vrijkomen, worden tijdens die werkzaamheden opgevangen en in daarvoor geschikte voorzieningen verzameld.

2.3.7 Het met water onder hoge druk of op andere wijze met water reinigen van de romp onder de waterlijn van een pleziervaartuig, geschiedt boven een vloeistofdichte vloer of voorziening van voldoende grootte. Het reinigen vindt plaats op zodanige wijze dat geen afvalwater buiten de vorenbedoelde voorziening terechtkomt. Indien dat nodig is om verwaaien van afvalwater te voorkomen, worden windwerende voorzieningen toegepast.

2.3.8 Bij onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen of onderdelen daarvan worden ook overigens alle noodzakelijke maatregelen en voorzieningen getroffen om verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater te voorkomen.

2.3.9 Bedrijfsafvalwater, afkomstig van een voorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.1 of afkomstig van een voorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.4, wordt niet in een openbaar riool gebracht, indien het:

2.3.10 In afwijking van voorschrift 2.3.9, onderdeel a, kan bedrijfsafvalwater, afkomstig van een voorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.1 of afkomstig van een voorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.4, in het openbaar riool worden gebracht indien:

2.3.11

2.3.12. Bedrijfsafvalwater afkomstig van een vloeistofdichte vloer of voorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.7 wordt niet in het openbaar riool gebracht, indien het:

2.3.13 Bedrijfsafvalwater als bedoeld in voorschriften 2.3.9, 2.3.10 en 2.3.12 wordt alvorens vermenging plaatsvindt met bedrijfsafvalwater waarvoor een andere of geen concentratiegrenswaarde geldt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

2.4.1 Verfspuitwerkzaamheden waarbij verf met een nevelspuit wordt opgebracht vinden plaats in een speciaal daartoe bestemde ruimte of deel van een ruimte, nabij een spuitwand, in een spuitkast, boven een spuitvloer of in een open of gesloten spuitcabine. De ruimte bedoeld in de vorige volzin is voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening. Spuitnevel die vrijkomt bij verfspuitwerkzaamheden wordt afgezogen.

2.4.2 De tijdens het verfspuiten afgezogen overtollige spuitnevel en dampen passeren, alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, een doelmatig en verwisselbaar filter, zodat zich geen verfdeeltjes en dampen in de omgeving kunnen verspreiden.

2.4.3 Filterinstallaties worden zodanig onderhouden dat aan voorschrift 2.4.2 wordt voldaan.

2.4.4 Voor het uitvoeren van verfspuitwerkzaamheden met een spuitpistool worden geen brandbare gassen of zuivere zuurstof als verstuivingsmiddel gebruikt.

2.4.5 De uitmonding van een afvoerleiding van spuitnevel en dampen die vrijkomen bij verfspuitwerkzaamheden bevindt zich ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van de bebouwing van de inrichting. Indien met het voorschrift in de vorige volzin onvoldoende verspreiding van de in deze volzin bedoelde emissies wordt gewaarborgd ter voorkoming van geurhinder, wordt een zodanige schoorsteenhoogte of situering gerealiseerd, dat voorkoming van geurhinder wel wordt gewaarborgd of wordt een ontgeuringsinstallatie geplaatst. De ontgeuringsinstallatie wordt zodanig uitgevoerd en onderhouden dat geen geurhinder nabij woningen optreedt.

2.5.1 Indien het gehalte aan vluchtige organische stoffen (VOS) van een of meer binnen de inrichting ter verkoop aangeboden dan wel bedrijfsmatig gebruikte producten meer bedraagt dan 100 gram per liter gebruiksklaar product, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat wordt onderzocht hoe de emissie aan VOS kan worden teruggedrongen door verkoop van of toepassing van producten met een lager gehalte aan VOS. De resultaten van dit onderzoek worden jaarlijks weergegeven in een plan van aanpak. Dit plan van aanpak bevat ten minste de volgende elementen:

Het plan van aanpak wordt jaarlijks ter beoordeling aan het bevoegd gezag beschikbaar gesteld.

2.5.2 De voorschriften 2.4.1 tot en met 2.4.5 en het voorschrift 2.5.1 zijn niet van toepassing op het aanbrengen van afbeeldingen, striping en teksten met behulp van decoratieve spuittechnieken.

2.6.1 Dampen die vrijkomen in een ruimte waarin voedingsmiddelen worden bereid, worden afgezogen, zonder dat zij zich binnen de inrichting kunnen verspreiden. De afvoerleiding voor de dampen is gasdicht uitgevoerd.

2.6.2 De afgezogen dampen bedoeld in voorschrift 2.6.1:

De dampen die worden afgezogen bij het grillen, anders dan door een houtskoolgrill, dan wel frituren of bakken in olie of vet, worden alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.

2.6.3 Voorschrift 2.6.2, eerste volzin, is niet van toepassing indien van de uittredende lucht van een ventilatie-systeem of luchtbehandelingsinstallatie van een ruimte waarin voedingsmiddelen worden bereid, geen geurhinder kan worden ondervonden dan wel indien de afvoerleiding zodanig is gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen in de buitenlucht is gewaarborgd en geurhinder wordt voorkomen.

2.6.4 De voorschriften 2.6.1 en 2.6.2 zijn niet van toepassing indien de bereiding van voedingsmiddelen geschiedt met behulp van een elektrische frituurpan met een inhoud van niet meer dan 4 liter of van kookketels met een inhoud van niet meer dan 25 liter.

2.6.5 Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmedium niet boven 200 °C kan oplopen. Nabij een frituurtoestel is voor iedere frituurbak een passend metalen deksel aanwezig, waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt.

2.6.6 Met betrekking tot bedrijfsafvalwater, afkomstig uit een ruimte voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, wordt ten aanzien van het in een openbaar riool brengen van plantaardige of dierlijke oliën of vetten aan voorschrift 1.3.7 in elk geval voldaan, indien:

2.6.7

2.6.8 Bedrijfsafvalwater, afkomstig uit een ruimte als bedoeld in voorschrift 2.6.6, dat niet is geleid door een slibvangput en een vetafscheider als bedoeld in dat voorschrift wordt, alvorens vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

2.6.9 In afwijking van voorschrift 2.6.8 kan, indien plaatsing van de controlevoorziening overeenkomstig voorschrift 2.6.8 niet mogelijk is, worden volstaan met een doelmatige controlevoorziening op een andere plaats dan bedoeld in dat voorschrift. Voordat een controlevoorziening op een andere plaats wordt geplaatst, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit die onmogelijkheid blijkt.

2.7.1 Een ondergrondse opslagtank voor benzine is voorzien van een dampretourleiding om tijdens het vullen van de opslagtank de gassen naar de tankwagen, die de benzine levert, terug te voeren.

2.7.2 Het afleveren van brandstof vindt uitsluitend plaats door of onder direct toezicht van deskundig personeel.

2.7.3 Op het afleveren van brandstof is hoofdstuk 6.1 van CPR 9–1 van toepassing, met uitzondering van voorschrift 6.1.11.

2.7.4 Het vullen van jerrycans en dergelijke vaten vindt plaats boven een daartoe bestemde vulplaats. Deze vulplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening.

2.7.5 Een op een steiger geplaatste afleverinstallatie voor brandstof is voorzien van een doelmatige lekbak.

2.7.6 Het afleveren van brandstof vindt zodanig plaats dat morsen van brandstof voor zover mogelijk wordt voorkomen.

2.7.7 Gemorste brandstof wordt direct opgenomen in daarvoor geschikt absorptiemateriaal.

2.7.8 Bij het afleverpunt voor brandstof is een voldoende hoeveelheid van het bij voorschrift 2.7.7 bedoelde absorptiemateriaal aanwezig.

2.7.9 Bij het afleverpunt voor brandstof is ten minste een mobiel brandblusapparaat aanwezig met een blusequivalent van ten minste 6 kg. Het brandblusapparaat is onbelemmerd bereikbaar en is steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar.

2.7.10 Bij het afleverpunt voor brandstof zijn voorzieningen getroffen of maatregelen genomen om schade aan het afleverpunt door aanvaringen te voorkomen.

2.7.11 Bij het afleverpunt voor brandstof zijn voldoende hulpmiddelen aanwezig voor de eerste bestrijding van een waterverontreiniging ten gevolge van een calamiteit bij het afleveren van brandstof.

2.7.12 Een afleverinstallatie voor brandstof, alsmede de daarbij behorende tankinstallatie, die is gelegen in een rivier- of getijdengebied, is uitgevoerd met voorzieningen die de werking van de installatie waarborgen bij hoge en lage waterstanden.

2.7.13 Binnen een afstand van 20 m van een brandstofponton of een bunkerstation is verblijf alleen toegestaan voor het verrichten van handelingen die betrekking hebben op het afleveren van brandstof aan pleziervaartuigen, het vullen van opslagtanks voor brandstof alsmede onderhoud en reparatie van het brandstofponton of bunkerstation en de daarop aanwezige installatie, en voor het verrichten van handelingen die direct betrekking hebben op het afmeren dan wel vaarklaar maken van uitsluitend open pleziervaartuigen.

2.7.14 Een brandstofponton of een bunkerstation is zodanig in een jachthaven gelegen, dat de bereikbaarheid voor passerende pleziervaartuigen is gewaarborgd en tevens een zo laag mogelijk aanvaringsrisico is bereikt.

2.7.15 Binnen de inrichting is een noodplan overeenkomstig voorschrift 8.5 van CPR 9–1 aanwezig.

2.7.16 Tijdens het vullen van tanks en het afleveren van brandstof is personeel aanwezig dat op de hoogte is van de gevaarlijke eigenschappen van de brandstoffen, de hulpmiddelen en noodvoorzieningen en de inhoud van het in voorschrift 2.7.15 genoemde noodplan.

2A.1.1. Voor zover een inrichting die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen is aangewezen krachtens artikel 6 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, blijven de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.7, 2.2.11 en de voorschriften 2A.2.1 tot en met 2A.2.4 buiten toepassing.

2A.1.2. In afwijking van het bepaalde in de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.5 zijn in een inrichting die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, de in die voorschriften bedoelde voorzieningen aanwezig, ongeacht het aantal ligplaatsen in die inrichting.

2A.1.3. Degene die een inrichting drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, maakt bij de inning van het havengeld kenbaar welk aandeel daarvan bestemd is voor het instandhouden van de voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.

2A.2.1. Degene die een inrichting drijft die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen, stelt, na overleg met betrokken partijen, eens in de drie jaar een passend plan vast voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen.

2A.2.2. Het plan bevat tenminste de volgende elementen:

2A.2.3 Indien toepassing is gegeven aan voorschrift 2.2.6 van deze bijlage, kan een gezamenlijk plan worden vastgesteld.

2A.2.4. Het plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.

3.1.1 De inrichting is ordelijk en wordt regelmatig schoongemaakt. Insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden zo vaak als nodig is, bestreden en verwijderd.

3.1.2 Etenswaren, de verpakking daarvan, of uit de inrichting afkomstig zwerfvuil of andere voor de inrichting bestemde materialen die binnen een straal van 25 meter van de inrichting terechtkomen, worden zo vaak als nodig verwijderd.

3.1.3 Gemorste gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen worden direct opgeruimd en zo snel mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd. De aard en de hoeveelheid van de aanwezige absorptie- of neutralisatiemiddelen is afgestemd op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen en de werkzaamheden.Gebruikte absorptiemiddelen en niet meer voor gebruik geschikte gemorste gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen worden als gevaarlijk afval behandeld en opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.2.2.

3.1.4 Alle binnen de inrichting vrijkomende of ingezamelde afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.

3.2.1 Aan een stook- of verwarmingstoestel en een verbrandingsgasafvoersysteem wordt ten minste eenmaal per jaar onderhoud verricht. Op een stook- of verwarmingstoestel met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, wordt bij ingebruikneming en vervolgens ten minste eenmaal per twee jaar een beoordeling uitgevoerd op noodzakelijke afstelling en onderhoud teneinde aan voorschrift 1.4.1 te voldoen.

3.2.2 Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties als bedoeld in voorschrift 3.2.1 geschieden door:

3.2.3 Brandblusmiddelen worden jaarlijks gecontroleerd door een instantie die is erkend op basis van de Regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen of een ten minste gelijkwaardige instelling.

3.2.4 Een olie- en vetafscheider waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid:

3.2.5 Voorschrift 3.2.4 is van overeenkomstige toepassing op een slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid.

3.2.6 Van het ledigen en reinigen van olie- of vetafscheiders en slibvangputten waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid, wordt een logboek bijgehouden.

3.2.7 Degene die de inrichting drijft registreert waar VOS-houdende producten worden verwerkt en de daarbij gebruikte vluchtige organische stoffen. De registratie bevat ten minste de volgende gegevens:

De berekening van het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in kilogrammen wordt uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderjaar in de registratie opgenomen.

3.2.8

3.2.9 Van een afzuiginstallatie als bedoeld in voorschrift 2.4.2, 2.4.5 en 2.6.2 wordt:

3.2.10.

3.2.11 Indien in de inrichting gevaarlijke stoffen, bestrijdingsmiddelen, afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden gebruikt of opgeslagen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op, waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage, de bodembeschermende maatregel of bodembeschermende voorziening, of de vloeistofdichte vloer of voorziening worden gecontroleerd op lekkages, bodembeschermende eigenschappen en vloeistofdichtheid.

3.2.12 Indien bij de werkzaamheden binnen een inrichting specifiek bedrijfsafvalwater vrij kan komen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu en op een doelmatige afvoer van het bedrijfsafvalwater. Daarbij wordt aangegeven hoe het bedrijfsafvalwater kan worden bemonsterd.

3.2.13 De gedragsvoorschriften, bedoeld in de voorschriften 3.2.11 en 3.2.12, zijn binnen een inrichting zodanig aanwezig dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de gedragsvoorschriften worden nageleefd.

3.3.1 Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven dan wel zijn voorgeschreven, worden de onderstaande registraties en documenten of een kopie daarvan, gedurende vijf jaar na dagtekening bewaard:

3.3.2.

Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven, worden de PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening, het daarbij behorende inspectierapport en de documenten waaruit blijkt dat de controles, bedoeld in voorschrift 3.2.10, onderdeel f, en voorschrift 3.2.11 zijn uitgevoerd, gedurende zes jaar na dagtekening bewaard.

3.4.1 Degene die de inrichting drijft, treft zodanige maatregelen en voorzieningen dat hinder, veroorzaakt door komende en vertrekkende bezoekers, wordt voorkomen dan wel, voorzover dit niet mogelijk is, zoveel mogelijk wordt beperkt.

3.4.2 De in voorschrift 3.4.1 bedoelde voorzieningen en maatregelen kunnen betrekking hebben op:

3.4.3

3.4.4 Binnen de inrichting worden:

4.1.1 In gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1, 1.1.5 en 1.1.8 opgenomen waarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en piekniveaus (LAmax) naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1, 1.1.5 en 1.1.8 opgenomen waarden.

Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A).

4.1.2 Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1 indien binnen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van 35 dB(A) wordt gewaarborgd. De in de vorige volzin bedoelde etmaalwaarde geldt niet, indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 m van de inrichting geen woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen zijn gelegen, kan het bevoegd gezag bij nadere eis vaststellen op welke plaatsen de in de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.8 of 4.1.1 opgenomen waarden voor een inrichting gelden.

4.1.4 Het bevoegd gezag kan, teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 en de voorschriften 4.1.1 en 4.1.3 wordt voldaan bij nadere eis regels stellen ten aanzien van:

4.1.5 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.7 een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte mag niet lager zijn dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie wonen in de de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen», uitgave 2002, van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.

4.2.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de te treffen rendabele maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.2.2.

4.2.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 houdt niet de verplichting in tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het energiegebruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen, faciliteiten en processen.

4.2.3 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 heeft geen betrekking op de eigenschappen van toestellen of installaties waarop de Wet energiebesparing toestellen van toepassing is.

4.3.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

Een onderzoek als bedoeld onder a kan niet vaker dan een maal in de vijf jaar worden voorgeschreven, tenzij de omstandigheden in de inrichting naar het oordeel van het bevoegd gezag zodanig zijn gewijzigd dat dit ter uitvoering van voorschrift 1.3.1 noodzakelijk is.

4.3.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.3.1, onder b, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.3.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.2, 1.3.3 en 1.3.4.

4.3.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.7, of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.8, voorzover daarin niet reeds in de voorschriften 2.3.9, en 2.6.6 is voorzien.

4.3.5 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen ten aanzien van de plaats van een controlevoorziening als bedoeld in voorschrift 2.3.13, 2.6.8 en 2.6.9.

4.4.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

4.5.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de, ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door de in voorschrift 1.5.1 bedoelde verlichting of lichtverschijnselen als gevolg van werkzaamheden zoals lassen en snijden, te treffen maatregelen of voorzieningen.

4.6.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de rendabele maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.7.2.

4.6.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.6.1 betreft niet de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het waterverbruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.7.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de explosieveilige uitvoering van een elektrische installatie als bedoeld in voorschrift 1.6.1

4.7.2 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de plaats en de wijze van opslag van gassen, bedoeld in voorschrift 1.6.2, onder b, c en e

4.7.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de aard, de hoeveelheid of de situering van de brandbestrijdingsmiddelen, bedoeld in voorschrift 1.6.9.

4.7.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de wijze van ventilatie van werk- en opslagruimten.

4.7.5 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de situering of de inrichting van voorzieningen voor de inzameling van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 2.2.5.

4.7.6 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen ten aanzien van de in voorschrift 2.7.5 genoemde lekbak en de in voorschrift 2.7.11 genoemde hulpmiddelen.

4.7.7 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de binnen de inrichting te treffen voorzieningen als bedoeld in voorschrift 2.7.12.

4.7.8 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de locatie waar een brandstofponton in een jachthaven als bedoeld in voorschrift 2.7.14 is gesitueerd.

4.8.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de binnen de inrichting te treffen maatregelen en voorzieningen bedoeld in de voorschriften 2.1.2, 2.1.4, 2.2.3, 2.3.1, 2.3.4, 2.3.7, 2.4.1 en 2.7.4 en het in acht nemen van gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de NRB.

4.9.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het plan van aanpak ten aanzien van het verminderen van de VOS-emissie als gevolg van het gebruik van VOS-houdende producten als bedoeld in voorschrift 2.5.1.