Ministeriële regeling · BWBR0017116

Besluit programma MobiliteitsManagement 2004

Wijzigingen Officiële bron
Besluit programma MobiliteitsManagement 2004Besluit programma MobiliteitsManagement 2004De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2 van de Regeling personenvervoer van deur tot deur en op maat;

Besluit:

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H.Peijs

In dit besluit wordt verstaan onder:

Als programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de regeling, wordt vastgesteld het Programma MobiliteitsManagement 2004, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

De commissie, bedoeld in artikel 3 van het Besluit Programma Mobiliteitsmanagement 2003, heeft mede tot taak de Minister op verzoek te adviseren over aanvragen om subsidieverlening op grond van het Programma MobiliteitsManagement 2004.

De Minister stuurt de aanvragen die naar zijn oordeel voldoen aan artikel 3 van de regeling in samenhang met het Programma Mobiliteitsmanagement 2004 om advies aan de commissie.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit programma MobiliteitsManagement 2004.

De groei van de automobiliteit in Nederland leidt ertoe dat er in toenemende mate sprake is van problemen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. In de nota Mobiliteitsmanagement van de Minister van Verkeer en Waterstaat (december 2002) wordt aangegeven wat het beleidsvoornemen van Verkeer en Waterstaat op dit gebied is. Mobiliteitsmanagement richt zich primair op het aanbieden van keuzemogelijkheden, in het bijzonder op die plaatsen en tijdstippen waar er mobiliteitsproblemen zijn. De strategie daarbij is niet het ontmoedigen van het gebruik van de auto, maar het aantrekkelijker maken van alternatieven voor reizigers om hen te verleiden hun wens tot verplaatsing anders in te vullen. Op deze manier kan het gebruik van alternatieven voor (solo)autogebruik worden gestimuleerd en het aandeel van deze alternatieven in het personenvervoer worden vergroot. Hiermee draagt mobiliteitsmanagement bij aan het voorkomen en oplossen van bereikbaarheidsproblemen, aan de stedelijke leefbaarheid en aan milieu- en klimaatdoelstellingen.

Het stimuleren van de ontwikkeling van innovatieve alternatieven en van de toepassing daarvan vergroot het aanbod in keuzemogelijkheden voor de reiziger en kan bestaande alternatieven aantrekkelijker maken.

De regeling biedt in artikel 2 de mogelijkheid om programma’s op te stellen die gericht zijn op de ontwikkeling van dienstverlening in personenvervoer waardoor de bereikbaarheid wordt vergroot, het milieu minder wordt belast en het gebruiksgemak wordt verbeterd. Dit programma geeft uitvoering aan artikel 2 van de regeling. Het programma MobiliteitsManagement 2004 richt zich op de ontwikkeling en toepassing van (duurzame) innovatieve alternatieven voor (solo)autogebruik.

De programmadoelstelling is de kwantitatieve en kwalitatieve verhoging van het aanbod van innovatieve alternatieven voor (solo)autogebruik in het personenvervoer door het ondersteunen van projecten gericht op de ontwikkeling en praktijktoepassing van deze alternatieven, binnen het kader van artikel 2, eerste lid, van de regeling.

Daartoe worden onderstaande deelprogramma’s ingezet.

Deelprogramma I. Dienstverlening

Dit deelprogramma is gericht op het stimuleren en versnellen van het toepassen van vormen van dienstverlening, zoals bedoeld in de doelstelling van het programma. De projectcategorie, bedoeld in artikel 1 van de regeling, die in dit deelprogramma voor subsidie in aanmerking kan komen, is Praktijkexperimenten.

Deelprogramma II. Innovatie

Dit deelprogramma is gericht op het stimuleren en versnellen van innovatie in dienstverlening, zoals bedoeld in de doelstelling van het programma. De projectcategorieën, bedoeld in artikel 1 van de regeling, die in dit deelprogramma voor subsidie in aanmerking kunnen komen, zijn haalbaarheidsprojecten en onderzoek- of ontwikkelingsprojecten.

1. De Minister stuurt de door hem ontvangen aanvragen die naar zijn oordeel voldoen aan artikel 3 van de Regeling personenvervoer van deur tot deur en op maat in samenhang met het Programma Mobiliteitsmanagement 2004 om advies aan de Adviescommissie MobiliteitsManagement, verder aan te duiden als de commissie.

2. De commissie geeft een negatief advies indien:

3. De commissie geeft inzake de aanvraag waarover zij geen negatief advies heeft gegeven voor aanvragen binnen het deelprogramma ‘Dienstverlening’ een advies over de rangschikking aan de hand van de criteria die zijn genoemd in onderdeel D van dit programma. Voor aanvragen binnen het deelprogramma ‘Innovatie’ waarover de commissie geen negatief advies heeft gegeven, geeft zij een advies over de rangschikking aan de hand van de criteria die genoemd zijn in onderdeel E van dit programma.

4. Nadat de projecten door de commissie onderling vergeleken en gerangschikt zijn, wordt het subsidieplafond verdeeld in de volgorde van geschiktheid van voor subsidie in aanmerking komende projecten. Dit is het tendersysteem, waarop artikel 10 van de regeling doelt.

5. De Minister beschikt vervolgens op de aanvragen, het advies van de commissie in overweging nemende. Het advies is overigens niet bindend.

De rangschikking vindt plaats op grond van de volgende criteria:

Toelichting

Bij de beoordeling van de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstelling van het programma en de focus van het deelprogramma wordt gelet op:

Bij de beoordeling van de bijdrage aan bereikbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving wordt gelet op:

Bij de beoordeling van de slaagkans wordt gelet op:

De rangschikking vindt plaats op grond van de volgende criteria:

Toelichting

Bij de beoordeling van de bijdrage aan de doelstelling van het programma en de focus van het deelprogramma wordt gelet op:

Bij de beoordeling van de potentiële bijdrage aan bereikbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving wordt gelet op:

Bij de beoordeling van de kans op vervolg bij een positief resultaat van het project wordt gelet op:

In artikel 4, tweede lid, van de regeling zijn de maximumsubsidiepercentages vermeld voor de verschillende projecten.

In aanvulling hierop geldt het volgende:

Het subsidieplafond voor het deelprogramma I ‘Dienstverlening’ bedraagt € 1.600.000,–. Het subsidieplafond voor het deelprogramma II ‘Innovatie’ bedraagt € 400.000,–. Indien bij de beslissing op de aanvragen mocht blijken dat één van beide budgetten niet volledig wordt benut voor de daarin genoemde projectcategorieën, worden de resterende middelen uit dat budget toegevoegd aan het andere budget.

Op basis van artikel 11, tweede lid, van de regeling zal bij de subsidieverlening telkens aan de subsidieontvanger de verplichting worden opgelegd binnen drie maanden na de subsidieverlening met de uitvoering van het project aan te vangen.

SenterNovem is aangewezen als programmabeheerder als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de regeling. Voor de uitvoering van dit programma is mandaat en machtiging verleend aan SenterNovem.

Nadere informatie en aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij:

SenterNovem

Afdeling MOVE

Catharijnesingel 59

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

e-mail: move@novem.nl

Telefoon: 030-2393 556

Telefax: 030-2316491

http://www.move-mobiliteit.nl

De aanvragen voor beide deelprogramma’s moeten worden ingediend uiterlijk op 15 november 2004 op een volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model is vastgesteld door de Minister en als bijlage is opgenomen bij de regeling.

De aanvraag moet worden gezonden aan:

SenterNovem

Afdeling MOVE

Postbus 8242

3503 RE UTRECHT.