Ministeriële regeling · BWBR0017168
Regeling externe veiligheid inrichtingen
Gelet op de artikelen 4, vijfde tot en met zevende lid, 5, derde tot en met vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 14, tweede lid, 15, eerste lid, 16, 17, tweede tot en met vijfde lid, en 18, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag8 september 2004De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,P.L.B.A. vanGeelIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
besluit: Besluit externe veiligheid inrichtingen;
- b.
bestemmingsgrens: grens van het perceel waarop de bouw of vestiging van een geprojecteerd kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object toelaatbaar is;
- c.
bijlage 1: de bij deze regeling behorende bijlage 1;
- d.
bijlage 2: de bij deze regeling behorende bijlage 2;
- e.
circulaire CPR 15: circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer inzake CPR 15, kenmerk DGM/SVS/97560078 van 27 oktober 1997, getiteld ‘Risico-analyse methodiek CPR-15 bedrijven’;
- f.
CPR: Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen;
- g.
CPR 15-2: richtlijn 15-2 van de CPR, getiteld ‘Opslag gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden’, eerste druk, uitgave 1991;
- h.
CPR 15-3: richtlijn 15-3 van de CPR, getiteld ‘Opslag bestrijdingsmiddelen in emballage’, eerste druk, uitgave 1990, en
- i.
CPR 18: richtlijn 18 van de CPR, getiteld ‘Handleiding voor de uitvoering van risico-analyses’, eerste druk, uitgave 2001.
De afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 5, derde lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in:
- a.
bijlage 1, tabel 1, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit;
- b.
bijlage 1, tabel 3, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit;
- c.
bijlage 1, tabellen 4 en 5, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting als bedoeld in onderdeel b, voorzover:
- 1°.
in die inrichting niet meer dan honderd maal per jaar stoffen of preparaten die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld als zeer vergiftig, in de open lucht worden gelost en geladen, en
- 2°.
de in die tabellen vermelde afstand groter is dan de afstand die in bijlage 1, tabel 3, bij de desbetreffende inrichting is vermeld, en
- 1°.
- d.
bijlage 1, tabel 6, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit.
Indien bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, 11, eerste en tweede lid, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste tot en met derde lid, 28, 37, 39b en 40, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en van een besluit tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 11 van de Woningwet zodanige voorschriften aan dat besluit zijn verbonden of op zodanige wijze toepassing is gegeven aan artikel 8.22 of 8.23 van de wet, dat binnen drie jaar na vaststelling van dat besluit aan de afstanden, bedoeld in het eerste lid, voorzover het betreft kwetsbare objecten, wordt voldaan, zijn, in afwijking van dat lid, gedurende die drie jaar de in acht te nemen afstanden tot de op het tijdstip van vaststelling van dat besluit aanwezige kwetsbare objecten, de op dat tijdstip bestaande afstanden, indien die afstanden groter zijn dan de afstanden die overeenkomen met de risicocontour 10–5 per jaar.
De inrichtingen, bedoeld in artikel 4, zesde lid, van het besluit, en de gevallen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het besluit, waarvoor het plaatsgebonden risico, in afwijking van artikel 4, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 5, derde lid, van het besluit, mag worden berekend, zijn de inrichtingen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit, onderscheidenlijk de besluiten, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van het besluit, voorzover die besluiten betrekking hebben op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit.
Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste lid, wordt:
- a.
het plaatsgebonden risico berekend met gebruikmaking van de parameterwaarden die zijn opgenomen in de bijlage bij circulaire CPR 15, en
- b.
in het belang van een doelmatige brandbestrijding en brandpreventie een zodanige afstand, gerekend vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw of het onderdeel daarvan of van de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen, tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen, dat dat gebouw of dat onderdeel daarvan of die opslagplaats bij brand voldoende bereikbaar is en dat het overslaan van brand naar andere gebouwen of opslagplaatsen wordt voorkomen.
Aan de grenswaarden, genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste en derde lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, en aan de richtwaarden, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, 7, tweede lid, en 8, tweede lid, van het besluit, wordt voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op de gevel van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
In afwijking van het eerste lid wordt aan de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op:
- a.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van zieken, ouderen, gehandicapten of minderjarigen, indien het desbetreffende object een ziekenhuis, bejaardenhuis, verpleeghuis, school, gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor dagopvang van minderjarigen, openluchtzwembad of speeltuin is, en
- b.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van personen, indien het desbetreffende object een sportterrein of een kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen is.
Met betrekking tot geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt aan de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op de plaats waar de gevel van het desbetreffende object gebouwd mag worden.
In afwijking van het derde lid wordt aan de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op de bestemmingsgrens, indien het desbetreffende object een object is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of onderdeel b.
De afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, gelden vanaf:
- a.
het vulpunt voor LPG, het ondergronds, onderscheidenlijk bovengronds, reservoir en, indien bijlage 1, tabel 1, van toepassing is, de afleverzuil;
- b.
de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw of het onderdeel daarvan of van de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen, en
- c.
de machinekamer van de koel- of vriesinstallatie en de bij die installatie behorende, in de buitenlucht geplaatste leidingen naar de verdamper of verdampers en het afscheidervat of vloeistofvat, tot de gevel van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
In afwijking van het eerste lid gelden de afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, tot:
- a.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van zieken, ouderen, gehandicapten of minderjarigen, indien het desbetreffende object een ziekenhuis, bejaardenhuis, verpleeghuis, school, gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor dagopvang van minderjarigen, openluchtzwembad of speeltuin is, en
- b.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van personen, indien het desbetreffende object een sportterrein of een kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen is.
Met betrekking tot geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gelden de afstanden, bedoeld in het eerste lid, tot de plaats waar de gevel van het desbetreffende object gebouwd mag worden.
In afwijking van het derde lid gelden de afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, tot de bestemmingsgrens, indien het desbetreffende object een object is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of onderdeel b.
Voor de toepassing van de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit, worden de personen meegeteld die aanwezig zijn in het invloedsgebied dat in bijlage 2 is vermeld bij de desbetreffende inrichting en, in geval van geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de personen die na uitvoering van het bestemmingsplan voorzover dat plan betrekking heeft op dat invloedsgebied, in dat invloedsgebied aanwezig zijn.
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, worden het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend met toepassing van CPR 18, met dien verstande dat voor de berekening van het groepsrisico in het gebied, gelegen tussen de risicocontour 10-5 per jaar en de grens van het invloedsgebied, worden meegerekend:
- a.
de in dat gebied op het tijdstip waarop de berekening wordt uitgevoerd aanwezige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, en
- b.
de in dat gebied op het tijdstip waarop de berekening wordt uitgevoerd geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
In aanvulling op het eerste lid worden het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van een inrichting:
- a.
waarop paragraaf 3 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is, berekend overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van de Regeling risico’s zware ongevallen 1999, of
- b.
als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, berekend met gebruikmaking van de parameterwaarden die zijn opgenomen in de bijlage bij circulaire CPR 15.
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, worden het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend op basis van gegevens met betrekking tot:
- a.
de aard en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die in een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit, die het plaatsgebonden risico en het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, aanwezig kan zijn;
- b.
de insluitsystemen waarin die gevaarlijke stoffen voorkomen;
- c.
de toegepaste maatregelen ter beperking van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, en
- d.
het aantal personen en de spreiding van personen binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in onderdeel a.
Voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend gebruikgemaakt van gegevens die zijn opgenomen in:
- a.
de voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit geldende vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de wet;
- b.
de op een vergunning als bedoeld in onderdeel a betrekking hebbende aanvraag en de bij die aanvraag gevoegde stukken;
- c.
een met betrekking tot een inrichting als bedoeld in onderdeel a gedane melding krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de wet;
- d.
een met betrekking tot een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is, ingediend veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 10 van dat besluit, dat overeenkomstig artikel 16 van dat besluit door het bevoegd gezag is beoordeeld, en
- e.
de gemeentelijke basisadministratie en, voor geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de door de betrokken gemeente verstrekte documenten over het redelijkerwijs te verwachten aantal personen en de spreiding van personen binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit.
De afstanden tot kwetsbare objecten, bedoeld in de artikelen 17, tweede, derde en vijfde lid, en 18, tweede en derde lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in bijlage 1, tabel 2, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit.
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling externe veiligheid inrichtingen.
1 Bovenstaande tabel is uitsluitend van toepassing op installaties die:
- a.
minder dan 10.000 kg ammoniak bevatten;
- b.
voorzien zijn van een pompbeveiliging, en
- c.
geen buiten geplaatste ammoniak-vloeistofleidingen naar de verdamper of verdampers hebben met een diameter groter dan DN50.
Een pompbeveiliging als bedoeld in onderdeel b bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk wordt stilgelegd, zodat er geen ammoniak door de pomp meer wordt toegevoerd naar de leiding.
Indien de desbetreffende installatie geen pompbeveiliging heeft, wordt voor de opstellingsuitvoeringen 2 en 3 de afstand verhoogd met 30 meter.
2 type 1: Alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten zijn opgesteld.
type 2: Als type 1, maar de leidingen naar en van de verdamper(s) zijn buiten opgesteld.
type 3: Als type 2, maar het afscheidervat of vloeistofvat zijn ook buiten opgesteld.
3 vl: In de buitenlucht geplaatste ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper(s).
4 Onder werktemperatuur wordt verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur.
Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op één na hoogste werktemperatuur. Bij de vaststelling van de hoeveelheid ammoniak moet de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak, worden meegeteld.
5 De aanduiding 'n.v.t.' houdt in dat het plaatsgebonden risico rondom de desbetreffende installatie kleiner is dan 10 -6 per jaar en dat geen afstand in acht genomen behoeft te worden, onderscheidenlijk daarmede geen rekening behoeft te worden gehouden.
Tabellen 1 en 2: LPG-tankstations
Tabel 3: Inrichtingen waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen (CPR 15-2 en 15-3 inrichtingen)
Tabellen 4 en 5: Inrichtingen waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen (CPR 15-2 en 15-3 inrichtingen) en waar niet meer dan honderd maal per jaar zeer vergiftige stoffen of preparaten in de open lucht worden gelost en geladen
Tabel 6: Koel- en vriesinstallaties met ammoniak
Tabel 1. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2)
Type inrichting | Afstand (m) vanaf vulpunt | Afstand (m) vanaf ondergronds 1 reservoir | Afstand (m) vanaf afleverzuil |
LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m3/jaar | 110 | 25 | 15 |
LPG-tankstation met een doorzet tot 1000 m3/jaar 2 | 45 | 25 | 15 |
1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.
2 Indien in de milieuvergunning is vastgelegd dat de doorzet van LPG minder dan 1000 m3 per jaar is, gelden de hier vermelde afstanden.
Tabel 2. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–5 per jaar (zie artikel 9)
Type inrichting | Afstand (m) vanaf vulpunt | Afstand (m) vanaf ondergronds reservoir |
LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m3/jaar | 25 | 15 |
Tabel 3. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, met een minimum van 20 meter met het oog op de bereikbaarheid van de opslagplaats bij brand en het voorkomen van brandoverslag (zie artikel 2)
Oppervlakte opslag (m2) brandbestrijdingssysteem | 0– 100 | 100– 200 | 200– 300 | 300– 400 | 400– 500 | 500– 600 | 600– 1500 | 1500– 2500 |
beschermingsniveau 1 | ||||||||
automatische sprinklerinstallatie | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 35 | 50 |
automatische sproei-(deluge-)installatie | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 35 | 50 |
automatische gasblusinstallatie | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | n.v.t. * | n.v.t. * |
hi-ex installatie inside air | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 |
hi-ex installatie met rookluiken | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 30 | n.v.t. ** |
lokale brandweer; droog systeem | 20 | 20 | 20 | 251 | 251 | n.v.t. *** | n.v.t.*** | n.v.t. *** |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; droog systeem | 20 | 20 | 20 | 251 | 251 | 251 | 100 | 215 |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; handbediende deluge | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 50 | 95 |
bedrijfsbrandweer cat. 1; ter plaatse blussen | 110 | 175 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 | n.v.t.** |
beschermingsniveau 2 | ||||||||
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2 of overheidsbrandweer inzetbaar < 6 min. | 130 | 190 | 250 | 250 | 250 | 250 | 420 | n.v.t.** |
bedrijfsbrandweer of overheidsbrandweer inzetbaar < 15 min. | 135 | 215 | 290 | 290 | 290 | 290 | 430 | n.v.t.** |
beschermingsniveau 3 | ||||||||
preventieve maatregelen overeenkomstig CPR 15-2 of 15-3 | 65 | 115 | 165 | 165 | 165 | 205 | 220 | 235 |
* Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2.
** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 1500 m2.
*** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.
1 Die afstand is berekend op basis van brandoverslag.
Tabel 4. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de bronsterkte b in kilogrammen per transportverpakking met een zeer vergiftige vaste poedervormige stof (T+) (zie artikel 2)
b (kg)2 | Afstand (m) |
0,25 | 50 |
0,5 | 65 |
1 | 90 |
2 | 115 |
5 | 175 |
10 | 245 |
1 Onder een handeling wordt verstaan het geheel van aanvoer, opslag en afvoer van een transportverpakking die zeer vergiftige stoffen of preparaten bevat. Indien zakken door middel van krimpfolie of banden op een pallet zijn bevestigd, geldt de pallet als één transportverpakking.
2 De bronsterkte volgt uit: b = 0,1 · p · a · ƒ10μm, waarin p de grootte van de verpakking (kg) is, a het gehalte actieve stof en ƒ10μm de fractie van het poeder met een korrelgrootte <10μm.
Tabel 5. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de inhoud in liters van het vat met een zeer vergiftige vloeistof (T+) (zie artikel 2)
Inhoud (l) | Afstand (m) |
50 | 40 |
100 | 60 |
200 | 75 |
Tabel 6. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2)
Koelsystemen en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel1
Type installatie | Hoeveel- heid ammoniak | Opstel- lings- uitvoering2 | Afstand (m) vanaf machine- kamer | Afstand (m) vanaf vl3 |
installaties met een maximale werktemperatuur4 lager dan –25 °C | < 1500 kg | 1 | n.v.t.5 | n.v.t.5 |
2 | n.v.t. | n.v.t. | ||
3 | n.v.t. | n.v.t. | ||
>= 1500 | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | n.v.t. | |
< 3500 kg | 3 | 35 | n.v.t. | |
>= 3500 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 30 | 25 | |
< 6000 kg | 3 | 65 | 25 | |
>= 6000 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 30 | 30 | |
< 8000 kg | 3 | 75 | 30 | |
>= 8000 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 30 | 30 | |
< 10.000 kg | 3 | 85 | 30 | |
installaties met een maximale werktemperatuur4 tussen –25 °C en –5 °C | < 1500 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. |
2 | n.v.t. | n.v.t. | ||
3 | n.v.t. | n.v.t. | ||
>= 1500 | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | n.v.t. | |
< 3500 kg | 3 | 45 | n.v.t. | |
>= 3500 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 60 | 55 | |
< 6000 kg | 3 | 75 | 55 | |
>= 6000 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 65 | 60 | |
< 8000 kg | 3 | 85 | 60 | |
>= 8000 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 70 | 65 | |
< 10.000 kg | 3 | 95 | 65 | |
installaties met een maximale werktemperatuur4 hoger dan –5 °C | < 1500 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. |
2 | n.v.t. | n.v.t. | ||
3 | n.v.t. | n.v.t. | ||
>= 1500 | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | n.v.t. | |
< 3500 kg | 3 | 45 | n.v.t. | |
>= 3500 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 70 | 55 | |
< 6000 kg | 3 | 85 | 55 | |
>= 6000 kg | 1 | n.v.t. | n.v.t. | |
en | 2 | 80 | 60 | |
< 8000 kg | 3 | 90 | 60 | |
>= 8000 kg | 1 | 50 | n.v.t. | |
en | 2 | 85 | 65 | |
< 10.000 kg | 3 | 95 | 65 |
LPG-tankstations
Tabel 1
Type inrichting | Afstand (m) tot grens invloedsgebied |
LPG-tankstation met een doorzet tot 1500 m3/jaar | 150 |
CPR 15-2 en 15-3 inrichtingen
Tabel 2
Brandbestrijdingssysteem | Oppervlakte 0–300 m2 afstand (m) tot grens invloedsgebied | Oppervlakte 300–600 m2 afstand (m) tot grens invloedsgebied | Oppervlakte 600–2500 m2 afstand (m) tot grens invloedsgebied |
beschermingsniveau 1 | |||
automatische sprinklerinstallatie | n.v.t. | 90 | 300 |
automatische sproei-(deluge-)installatie | n.v.t. | 90 | 300 |
automatische gasblusinstallatie | n.v.t. | 90 | n.v.t.1 |
hi-ex installatie inside air | n.v.t. | 90 | 320 |
hi-ex installatie met rookluiken | 300 | 350 | 350 |
lokale brandweer; droog systeem | n.v.t. | 70 | n.v.t.2 |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; droog systeem | n.v.t. | 90 | 320 |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; handbediende deluge | n.v.t. | 90 | 320 |
bedrijfsbrandweer cat. 1; ter plaatse blussen | 300 | 350 | 350 |
beschermingsniveau 2 | |||
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2 of overheidsbrandweer inzetbaar < 6 min. | 300 | 380 | 930 |
bedrijfsbrandweer of overheidsbrandweer inzetbaar < 15 min. | 300 | 380 | 930 |
beschermingsniveau 3 | |||
preventieve maatregelen overeenkomstig CPR 15-2 of 15-3 | 275 | 520 | 930 |
1 Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2.
2 Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.
Koel- en vriesinstallaties met ammoniak
Tabel 3
Koelsystemen en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel1
Type installatie | Hoeveelheid ammoniak | Opstellings- uitvoering2 | Afstand (m) tot grens invloedsgebied3 |
installaties met een | < 1500 kg | 1 | n.v.t. |
maximale werk- | 2 | n.v.t. | |
temperatuur4 | 3 | n.v.t. | |
lager dan –25 °C | >= 1500 | 1 | n.v.t. |
en | 2 | n.v.t. | |
< 3500 kg | 3 | n.v.t. | |
>= 3500 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 6000 kg | 3 | n.v.t. | |
>= 6000 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 8000 kg | 3 | n.v.t. | |
>= 8000 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 10.000 kg | 3 | 310 | |
installaties met een | < 1500 kg | 1 | n.v.t. |
maximale werk- | 2 | n.v.t. | |
temperatuur4 | 3 | n.v.t. | |
tussen –25 °C en –5 °C | >= 1500 | 1 | n.v.t. |
en | 2 | n.v.t. | |
< 3500 kg | 3 | n.v.t. | |
>= 3500 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 6000 kg | 3 | 260 | |
>= 6000 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 8000 kg | 3 | 280 | |
>= 8000 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 10.000 kg | 3 | 300 | |
installaties met een | < 1500 kg | 1 | n.v.t. |
maximale werk- | 2 | n.v.t. | |
temperatuur4 | 3 | n.v.t. | |
hoger dan –5 °C | >= 1500 | 1 | n.v.t. |
en | 2 | n.v.t. | |
< 3500 kg | 3 | n.v.t. | |
>= 3500 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 6000 kg | 3 | 360 | |
>= 6000 kg | 1 | n.v.t. | |
en | 2 | n.v.t. | |
< 8000 kg | 3 | 400 | |
>= 8000 kg | 1 | 200 | |
en | 2 | 200 | |
< 10.000 kg | 3 | 400 |
1
Bovenstaande tabel is uitsluitend van toepassing op installaties die:
- a.
minder dan 10.000 kg ammoniak bevatten;
- b.
voorzien zijn van een pompbeveiliging, en
- c.
geen buiten geplaatste ammoniak-vloeistofleidingen naar de verdamper of verdampers hebben met een diameter groter dan DN50.
Een pompbeveiliging als bedoeld in onderdeel b bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk wordt stilgelegd, zodat er geen ammoniak door de pomp meer wordt toegevoerd naar de leiding.
2 type 1: Alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten zijn opgesteld.
type 2: Als type 1, maar de leidingen naar en van de verdamper(s) zijn buiten opgesteld.
type 3: Als type 2, maar het afscheidervat of vloeistofvat zijn ook buiten opgesteld.
3 De grens van het invloedsgebied van een installatie waarin ammoniak als koudemiddel wordt toegepast, is afhankelijk van de grootte van die installatie, de temperatuur van de ammoniak in die installatie en de opstellingsuitvoering (zie noot 2).
4 Onder werktemperatuur wordt verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur.
Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op één na hoogste werktemperatuur. Bij de vaststelling van de hoeveelheid ammoniak moet de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak, worden meegeteld.