U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 27-10-2004.

Ministeriële regeling · BWBR0017168

Regeling externe veiligheid inrichtingen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 september 2004, nr. EV2004084072, houdende regels met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Regeling externe veiligheid inrichtingen)Regeling externe veiligheid inrichtingenDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op de artikelen 4, vijfde tot en met zevende lid, 5, derde tot en met vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 14, tweede lid, 15, eerste lid, 16, 17, tweede tot en met vijfde lid, en 18, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag8 september 2004De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,P.L.B.A. vanGeel

In deze regeling wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit, worden de personen meegeteld die aanwezig zijn in het invloedsgebied dat in bijlage 2 is vermeld bij de desbetreffende inrichting en, in geval van geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de personen die na uitvoering van het bestemmingsplan voorzover dat plan betrekking heeft op dat invloedsgebied, in dat invloedsgebied aanwezig zijn.

De afstanden tot kwetsbare objecten, bedoeld in de artikelen 17, tweede, derde en vijfde lid, en 18, tweede en derde lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in bijlage 1, tabel 2, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling externe veiligheid inrichtingen.

1 Bovenstaande tabel is uitsluitend van toepassing op installaties die:

Een pompbeveiliging als bedoeld in onderdeel b bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk wordt stilgelegd, zodat er geen ammoniak door de pomp meer wordt toegevoerd naar de leiding.

Indien de desbetreffende installatie geen pompbeveiliging heeft, wordt voor de opstellingsuitvoeringen 2 en 3 de afstand verhoogd met 30 meter.

2 type 1: Alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten zijn opgesteld.

type 2: Als type 1, maar de leidingen naar en van de verdamper(s) zijn buiten opgesteld.

type 3: Als type 2, maar het afscheidervat of vloeistofvat zijn ook buiten opgesteld.

3 vl: In de buitenlucht geplaatste ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper(s).

4 Onder werktemperatuur wordt verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur.

Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op één na hoogste werktemperatuur. Bij de vaststelling van de hoeveelheid ammoniak moet de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak, worden meegeteld.

5 De aanduiding 'n.v.t.' houdt in dat het plaatsgebonden risico rondom de desbetreffende installatie kleiner is dan 10 -6 per jaar en dat geen afstand in acht genomen behoeft te worden, onderscheidenlijk daarmede geen rekening behoeft te worden gehouden.

Tabellen 1 en 2: LPG-tankstations

Tabel 3: Inrichtingen waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen (CPR 15-2 en 15-3 inrichtingen)

Tabellen 4 en 5: Inrichtingen waar gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage worden opgeslagen (CPR 15-2 en 15-3 inrichtingen) en waar niet meer dan honderd maal per jaar zeer vergiftige stoffen of preparaten in de open lucht worden gelost en geladen

Tabel 6: Koel- en vriesinstallaties met ammoniak

Tabel 1. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2)

1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.

2 Indien in de milieuvergunning is vastgelegd dat de doorzet van LPG minder dan 1000 m3 per jaar is, gelden de hier vermelde afstanden.

Tabel 2. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–5 per jaar (zie artikel 9)

Tabel 3. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, met een minimum van 20 meter met het oog op de bereikbaarheid van de opslagplaats bij brand en het voorkomen van brandoverslag (zie artikel 2)

* Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2.

** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 1500 m2.

*** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.

1 Die afstand is berekend op basis van brandoverslag.

Tabel 4. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de bronsterkte b in kilogrammen per transportverpakking met een zeer vergiftige vaste poedervormige stof (T+) (zie artikel 2)

1 Onder een handeling wordt verstaan het geheel van aanvoer, opslag en afvoer van een transportverpakking die zeer vergiftige stoffen of preparaten bevat. Indien zakken door middel van krimpfolie of banden op een pallet zijn bevestigd, geldt de pallet als één transportverpakking.

2 De bronsterkte volgt uit: b = 0,1 · p · a · ƒ10μm, waarin p de grootte van de verpakking (kg) is, a het gehalte actieve stof en ƒ10μm de fractie van het poeder met een korrelgrootte <10μm.

Tabel 5. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de inhoud in liters van het vat met een zeer vergiftige vloeistof (T+) (zie artikel 2)

Tabel 6. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2)

Koelsystemen en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel1

LPG-tankstations

Tabel 1

CPR 15-2 en 15-3 inrichtingen

Tabel 2

1 Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2.

2 Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.

Koel- en vriesinstallaties met ammoniak

Tabel 3

Koelsystemen en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel1

1

Bovenstaande tabel is uitsluitend van toepassing op installaties die:

Een pompbeveiliging als bedoeld in onderdeel b bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk wordt stilgelegd, zodat er geen ammoniak door de pomp meer wordt toegevoerd naar de leiding.

2 type 1: Alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten zijn opgesteld.

type 2: Als type 1, maar de leidingen naar en van de verdamper(s) zijn buiten opgesteld.

type 3: Als type 2, maar het afscheidervat of vloeistofvat zijn ook buiten opgesteld.

3 De grens van het invloedsgebied van een installatie waarin ammoniak als koudemiddel wordt toegepast, is afhankelijk van de grootte van die installatie, de temperatuur van de ammoniak in die installatie en de opstellingsuitvoering (zie noot 2).

4 Onder werktemperatuur wordt verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur.

Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op één na hoogste werktemperatuur. Bij de vaststelling van de hoeveelheid ammoniak moet de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak, worden meegeteld.