U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2008.

Ministeriële regeling · BWBR0017168

Regeling externe veiligheid inrichtingen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 september 2004, nr. EV2004084072, houdende regels met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Regeling externe veiligheid inrichtingen)Regeling externe veiligheid inrichtingenDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op de artikelen 4, vijfde tot en met zevende lid, 5, derde tot en met vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 14, tweede lid, 15, eerste lid, 16, 17, tweede tot en met vijfde lid, en 18, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag8 september 2004De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,P.L.B.A. vanGeel

Als spoorwegemplacement als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen de spoorwegemplacementen, genoemd in bijlage 3.

Als inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het besluit worden aangewezen:

Als inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het besluit worden aangewezen inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen.

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, worden het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend met toepassing van de rekenmethodiek Bevi, met dien verstande dat voor de berekening van het groepsrisico in het gebied, gelegen tussen de risicocontour 10-5 per jaar en de grens van het invloedsgebied, worden meegerekend:

Indien toepassing van de rekenmethodiek Bevi voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b of d, van het besluit leidt tot een afstand die kleiner is dan de bij een inrichting uit dezelfde categorie behorende grootste afstand genoemd in tabel 1, 6, of 7 van bijlage 1, geldt de in die bijlage genoemde grootste afstand als minimaal aan te houden afstand.

Indien in een geval als bedoeld in artikel 7 de rekenmethodiek Bevi vanwege specifieke invoergegevenstechnische omstandigheden niet passend is, kan het bevoegd gezag bepalen dat van de invoergegevens uit de Handleiding Risicoberekeningen mag worden afgeweken en op welke wijze deze afwijking plaatsvindt.

Indien in een geval als bedoeld in artikel 7 de rekenmethodiek Bevi vanwege specifieke omstandigheden niet passend is, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag besluiten dat een andere, passende rekenmethodiek mag worden toegepast. De toe te passen rekenmethodiek is transparant en reproduceerbaar. Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in de eerste volzin neemt, wint hij advies in bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling externe veiligheid inrichtingen.

1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.

Tabellen 1, 2 en 2a: LPG-tankstations

Tabel 3: Inrichtingen waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen (PGS 15 inrichtingen)

Tabellen 4 en 5: Inrichtingen waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen (PGS 15 inrichtingen) en waar niet meer dan honderd maal per jaar zeer vergiftige stoffen of preparaten in de open lucht worden gelost en geladen

Tabellen 6 en 7: Koel- of vriesinstallaties met ammoniak

Tabel 8: Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen.

Tabel 1. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2, eerste lid, onderdeel a)

1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.

Tabel 2. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–5 per jaar (zie artikel 9, eerste lid)

Tabel 3. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, met een minimum van 20 meter met het oog op de bereikbaarheid van de opslagplaats bij brand en het voorkomen van brandoverslag (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel b, en 9, tweede lid, onderdeel b)

* Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2.

** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 1500 m2.

*** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.

1 Die afstand is berekend op basis van brandoverslag.

Tabel 4. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de bronsterkte b in kilogrammen per transportverpakking met een zeer vergiftige vaste poedervormige stof (T+) (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel c, en 9, tweede lid, onderdeel b)

1 Onder een handeling wordt verstaan het geheel van aanvoer, opslag en afvoer van een transportverpakking die zeer vergiftige stoffen of preparaten bevat. Indien zakken door middel van krimpfolie of banden op een pallet zijn bevestigd, geldt de pallet als één transportverpakking.

2 De bronsterkte volgt uit: b = 0,1 · p · a · ƒ10μm, waarin p de grootte van de verpakking (kg) is, a het gehalte actieve stof en ƒ10μm de fractie van het poeder met een korrelgrootte <10μm.

Tabel 5. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de inhoud in liters van het vat met een zeer vergiftige vloeistof (T+) (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel c, en 9, tweede lid, onderdeel b)

1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan –25 °C, een maximale werktemperatuur tussen –25 °C en –5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan –5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.

2 De hoeveelheid ammoniak is de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak.

3 Opstellingsuitvoering 1: opstelling waarbij alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten opgesteld zijn.

Opstellingsuitvoering 2: opstelling als bij opstellingsuitvoering 1, met dien verstande dat de leidingen naar en van de verdamper of verdampers met de buitenlucht in verbinding staan.

Opstellingsuitvoering 3: opstelling als bij opstellingsuitvoering 2, met dien verstande dat het afscheidervat of vloeistofvat buiten opgesteld zijn.

4 Vloeistofleiding: met de buitenlucht in verbinding staande ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper of verdampers.

5 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat het plaatsgebonden risico rondom de desbetreffende installatie kleiner is dan 10–6 per jaar en dat geen afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen behoeft te worden, onderscheidenlijk daarmee geen rekening gehouden behoeft te worden.

1 Installatie waarvoor ingevolge tabel 6 van bijlage 1 de grootste afstand geldt.

2 Installatie die de grootste inhoud heeft, installatie a niet meegerekend.

3 Installatie van hetzelfde type, met dezelfde opstellingsuitvoering en een vloeistofleiding met dezelfde diameter.

LPG-tankstations

Tabel 1

PGS 15 inrichtingen

Tabel 2

1Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.

2 Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2

Koel- of vriesinstallaties en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel

1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan -25 °C, een maximale werktemperatuur tussen -25 °C en -5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan -5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op een na hoogste werktemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.

2 Als noot 2 onder bijlage 1, tabel 6.

3 Als noot 3 onder bijlage 1, tabel 6.

4 De aanduiding ‘–’ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.

Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen

1 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.

Spoorwegemplacementen (zie artikel 1a)

Almelo

Amersfoort Goederen

Amsterdam Westhaven

Arnhem Goederen

Axel aansluiting

Beverwijk

Blerick

Born

Coevorden

Delfzijl

Deventer

Dordrecht

Emmen

Eindhoven

Hengelo

Kijfhoek

Lage Zwaluwe

Maastricht

Moerdijk

Onnen

Roermond

Roodeschool

Roosendaal

Rotterdam Botlek

Rotterdam Europoort

Rotterdam Maasvlakte

Rotterdam Pernis

Rotterdam Waalhaven zuid

Rotterdam IJsselmonde

Sas van Gent

Sittard

Sloehaven I

Sloehaven II

Terneuzen

Terneuzen aansluiting

Uitgeest

Containeruitwisselingspunt (CUP) Valburg

Venlo

Zwolle