Ministeriële regeling · BWBR0017168
Regeling externe veiligheid inrichtingen
Gelet op de artikelen 4, vijfde tot en met zevende lid, 5, derde tot en met vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 14, tweede lid, 15, eerste lid, 16, 17, tweede tot en met vijfde lid, en 18, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag8 september 2004De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,P.L.B.A. vanGeel- a.
ADR: op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;
- b.
besluit: Besluit externe veiligheid inrichtingen;
- c.
bijlage: de bij deze regeling behorende bijlage;
- d.
categoriale inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit;
- e.
Handleiding Risicoberekeningen: Handleiding Risicoberekeningen Bevi, versie nr. 3.0, uitgave 2008;
- f.
insluitsysteem: een of meer toestellen, waarvan de eventuele onderdelen blijvend met elkaar in open verbinding staan en die bestemd zijn om een of meer stoffen te omsluiten, waarbij een verlies van inhoud van een insluitsysteem niet leidt tot het vrijkomen van significante hoeveelheden gevaarlijke stof uit andere insluitsystemen;
- g.
licht ontvlambare stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool F;
- h.
meststoffen groep 2: vaste minerale anorganische meststoffen behorende tot groep 2 als bedoeld in PGS 7;
- i.
PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, gepubliceerd onder verantwoordelijkheid van de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Verkeer en Waterstaat;
- j.
PGS 7: publicatie nr. 7 van de PGS, getiteld ‘Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen’, uitgave 2007;
- k.
PGS 15: publicatie nr. 15 van de PGS, getiteld ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’, uitgave 2005;
- l.
rekenmethodiek Bevi: rekenmethodiek, bestaande uit Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi, versie nr. 3.0, uitgave 2008;
- m.
Safeti-NL: softwareprogramma voor de berekening van risico’s, getiteld Safeti-NL, versie nr. 6.53, uitgave 2007;
- n.
vergiftige stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool T;
- o.
zeer licht ontvlambare stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool F+, en
- p.
zeer vergiftige stof: stof die overeenkomstig de titel 9.2 van de Wet milieubeheer is aangeduid met het symbool T+.
Als spoorwegemplacement als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen de spoorwegemplacementen, genoemd in bijlage 3.
Als inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het besluit worden aangewezen:
- a.
inrichtingen waar meer dan 1.500 kg ammoniak in een insluitsysteem aanwezig is, niet zijnde een onderdeel van een koel- of vriesinstallatie met ammoniak;
- b.
inrichtingen waar meer dan 150m3 zeer licht ontvlambare of licht ontvlambare vloeistof in een insluitsysteem aanwezig is;
- c.
inrichtingen waar meer dan 13m3 propaan of meer dan 13m3 acetyleen in een insluitsysteem aanwezig is;
- d.
inrichtingen waar een cyanidehoudend bad ten behoeve van het aanbrengen van metaallagen aanwezig is met een inhoud van meer dan 100 liter;
- e.
inrichtingen waar een vergiftige of zeer vergiftige stof in een insluitsysteem met een inhoud van meer dan 1.000 liter aanwezig is;
- f.
inrichtingen waar in enig opslagcompartiment een vergiftige of zeer vergiftige stof in gasflessen aanwezig is en waarbij de totale waterinhoud van de gasflessen met vergiftige of zeer vergiftige inhoud in dat opslagcompartiment meer bedraagt dan 1.500 liter, en
- g.
inrichtingen voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid voor zover de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch.
Als inrichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van het besluit worden aangewezen inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen.
De afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 5, derde lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in of volgen uit:
- a.
bijlage 1, tabel 1, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit;
- b.
bijlage 1, tabel 3, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit;
- c.
bijlage 1, tabellen 4 en 5, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting als bedoeld in onderdeel b, voorzover:
- 1°.
in die inrichting niet meer dan honderd maal per jaar stoffen of preparaten die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld als zeer vergiftig, in de open lucht worden gelost en geladen, en
- 2°.
de in die tabellen vermelde afstand groter is dan de afstand die in bijlage 1, tabel 3, bij de desbetreffende inrichting is vermeld;
- 1°.
- d.
bijlage 1, tabel 6, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit;
- e.
bijlage 1, tabel 7, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin meerdere koel- of vriesinstallaties als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit in een machinekamer aanwezig zijn, en
- f.
bijlage 1, tabel 8, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting als bedoeld in artikel 1c.
Voor de toepassing van bijlage 1, tabel 6:
- a.
is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige zin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op een na hoogste werktemperatuur, en
- b.
wordt, indien de desbetreffende installatie niet is uitgerust met een pompbeveiliging, de bij de opstellingsuitvoeringen 2 en 3 vermelde afstand vermeerderd met 30 meter.
Voor de toepassing van bijlage 1, tabel 7, wordt, indien een of meer van de installaties in opstellingsuitvoering 2 of 3 niet is uitgerust met een pompbeveiliging, de afstand die volgt uit tabel 7 vermeerderd met 30 meter.
Indien bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in de artikelen 10, 11, eerste en tweede lid, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste tot en met derde lid, 28, 37, 39b en 40, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en van een besluit tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 11 van de Woningwet zodanige voorschriften aan dat besluit zijn verbonden of op zodanige wijze toepassing is gegeven aan artikel 8.22 of 8.23 van de wet, dat binnen drie jaar na vaststelling van dat besluit aan de afstanden, bedoeld in het eerste lid, voorzover het betreft kwetsbare objecten, wordt voldaan, zijn, in afwijking van dat lid, gedurende die drie jaar de in acht te nemen afstanden tot de op het tijdstip van vaststelling van dat besluit aanwezige kwetsbare objecten, de op dat tijdstip bestaande afstanden, indien die afstanden groter zijn dan de afstanden die overeenkomen met de risicocontour 10–5 per jaar.
De inrichtingen, bedoeld in artikel 4, zesde lid, van het besluit, en de gevallen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het besluit, waarvoor het plaatsgebonden risico, in afwijking van artikel 4, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 5, derde lid, van het besluit, mag worden berekend, zijn de inrichtingen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit, onderscheidenlijk de besluiten, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van het besluit, voorzover die besluiten betrekking hebben op een gebied dat geheel of gedeeltelijk ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit.
Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste lid, wordt:
- a.
het plaatsgebonden risico berekend met gebruikmaking van de rekenmethodiek Bevi, en
- b.
in het belang van een doelmatige brandbestrijding en brandpreventie een zodanige afstand, gerekend vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw of het onderdeel daarvan of van de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen, tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen, dat dat gebouw of dat onderdeel daarvan of die opslagplaats bij brand voldoende bereikbaar is en dat het overslaan van brand naar andere gebouwen of opslagplaatsen wordt voorkomen.
Aan de grenswaarden, genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste en derde lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, en aan de richtwaarden, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, 7, tweede lid, en 8, tweede lid, van het besluit, wordt voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op de gevel van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
In afwijking van het eerste lid wordt aan de grens- en richtwaarden, bedoeld in het eerste lid, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op:
- a.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van zieken, ouderen, gehandicapten of minderjarigen, indien het desbetreffende object een ziekenhuis, bejaardenhuis, verpleeghuis, school, gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor dagopvang van minderjarigen, openluchtzwembad of speeltuin is, en
- b.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van personen, indien het desbetreffende object een sportterrein of een kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen is.
Met betrekking tot geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt aan de grenswaarden, genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit en de richtwaarden, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, en 7, tweede lid, van het besluit, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op de plaats waar de gevel van het desbetreffende object gebouwd mag worden.
Indien het desbetreffende object een object is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, wordt in afwijking van het derde lid aan de grenswaarden, genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit en de richtwaarden, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, en 7, tweede lid, van het besluit, voldaan, onderscheidenlijk zoveel mogelijk voldaan, op de grens van het gebied waar een dergelijk object op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.
De afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, gelden vanaf:
- a.
het vulpunt voor LPG, het ondergrondse of ingeterpte, onderscheidenlijk bovengrondse, reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir en, indien bijlage 1, tabel 1, van toepassing is, de afleverzuil;
- b.
de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2003, van het gebouw of het onderdeel daarvan of van de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen, verpakte bestrijdingsmiddelen, of meststoffen groep 2 worden opgeslagen, en
- c.
de machinekamer van de koel- of vriesinstallatie en de bij die installatie behorende, met de buitenlucht in verbinding staande leidingen naar de verdamper of verdampers en het afscheidervat of vloeistofvat, tot de gevel van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
In afwijking van het eerste lid gelden de afstanden, bedoeld in de artikelen 2 en 9, tot:
- a.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van zieken, ouderen, gehandicapten of minderjarigen, indien het desbetreffende object een ziekenhuis, bejaardenhuis, verpleeghuis, school, gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor dagopvang van minderjarigen, openluchtzwembad of speeltuin is, en
- b.
de grens van het gebied dat bestemd is voor het verblijf van personen, indien het desbetreffende object een sportterrein of een kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen is.
Met betrekking tot geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gelden de afstanden, bedoeld in artikel 2, tot de plaats waar de gevel van het desbetreffende object gebouwd mag worden.
Indien het desbetreffende object een object is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b, gelden de afstanden, bedoeld in artikel 2, in afwijking van het derde lid, tot de grens van het gebied waar een dergelijk object op grond van het bestemmingsplan is toegelaten.
Voor de toepassing van de artikelen 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico van een inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit, worden de personen meegeteld die aanwezig zijn in het invloedsgebied dat in bijlage 2 is vermeld bij de desbetreffende inrichting en, in geval van geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de personen die na uitvoering van het bestemmingsplan voorzover dat plan betrekking heeft op dat invloedsgebied, in dat invloedsgebied aanwezig zijn.
De afstanden tot de grens van het invloedsgebied, bedoeld in bijlage 2, tabellen 1 tot en met 4, gelden onderscheidenlijk:
- a.
voor LPG-tankstations: vanaf het vulpunt voor LPG, het ondergrondse of ingeterpte, onderscheidenlijk bovengrondse, reservoir, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir;
- b.
voor inrichtingen waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen, verpakte bestrijdingsmiddelen, of meststoffen groep 2 worden opgeslagen: vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, of, indien van toepassing, de buitenzijde van de opslagplaats in de buitenlucht, en
- c.
voor koel- en vriesinstallaties met ammoniak: vanaf de machinekamer of, indien van toepassing, de leidingen en het afscheidervat of vloeistofvat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, worden het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend met toepassing van de rekenmethodiek Bevi, met dien verstande dat voor de berekening van het groepsrisico in het gebied, gelegen tussen de risicocontour 10-5 per jaar en de grens van het invloedsgebied, worden meegerekend:
- a.
de in dat gebied op het tijdstip waarop de berekening wordt uitgevoerd aanwezige kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, en
- b.
de in dat gebied op het tijdstip waarop de berekening wordt uitgevoerd geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
In de gevallen, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 24, eerste lid, van het besluit, worden het plaatsgebonden risico, onderscheidenlijk het groepsrisico, berekend op basis van gegevens met betrekking tot:
- a.
de aard en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die in een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit, die het plaatsgebonden risico en het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, aanwezig kan zijn;
- b.
de insluitsystemen waarin die gevaarlijke stoffen voorkomen;
- c.
de toegepaste maatregelen ter beperking van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, en
- d.
het aantal personen en de spreiding van personen binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in onderdeel a.
Voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend gebruikgemaakt van gegevens die zijn opgenomen in:
- a.
de voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit geldende vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de wet;
- b.
de op een vergunning als bedoeld in onderdeel a betrekking hebbende aanvraag en de bij die aanvraag gevoegde stukken;
- c.
een met betrekking tot een inrichting als bedoeld in onderdeel a gedane melding krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de wet;
- d.
een met betrekking tot een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is, ingediend veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 10 van dat besluit, dat overeenkomstig artikel 16 van dat besluit door het bevoegd gezag is beoordeeld, en
- e.
de gemeentelijke basisadministratie en, voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, niet zijnde een woning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van het besluit, de door de desbetreffende gemeente verstrekte documenten over het aantal personen en het redelijkerwijs te verwachten aantal personen en de spreiding van personen binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit.
Indien toepassing van de rekenmethodiek Bevi voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b of d, van het besluit leidt tot een afstand die kleiner is dan de bij een inrichting uit dezelfde categorie behorende grootste afstand genoemd in tabel 1, 6, of 7 van bijlage 1, geldt de in die bijlage genoemde grootste afstand als minimaal aan te houden afstand.
Indien in een geval als bedoeld in artikel 7 de rekenmethodiek Bevi vanwege specifieke invoergegevenstechnische omstandigheden niet passend is, kan het bevoegd gezag bepalen dat van de invoergegevens uit de Handleiding Risicoberekeningen mag worden afgeweken en op welke wijze deze afwijking plaatsvindt.
Indien in een geval als bedoeld in artikel 7 de rekenmethodiek Bevi vanwege specifieke omstandigheden niet passend is, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag besluiten dat een andere, passende rekenmethodiek mag worden toegepast. De toe te passen rekenmethodiek is transparant en reproduceerbaar. Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in de eerste volzin neemt, wint hij advies in bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
Met de rekenmethodiek Bevi worden gelijkgesteld rekenmethodieken die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en waarvan de resultaten gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de rekenmethodiek Bevi.
Onze Minister besluit, nadat hij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gehoord heeft, op verzoek van het bevoegd gezag, of die rekenmethodiek gelijkwaardig is aan de rekenmethodiek Bevi. Daarbij betrekt Onze Minister in elk geval de transparantie, reproduceerbaarheid, het toepassingsgebied en de ruimtelijke consequenties.
De afstanden tot kwetsbare objecten, bedoeld in artikel 17, tweede en vijfde lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in bijlage 1, tabel 2, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit.
De afstanden tot kwetsbare objecten, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit, zijn de afstanden die zijn vermeld in of volgen uit:
- a.
bijlage 1, tabel 2a, indien het risico wordt veroorzaakt door een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit;
- b.
bijlage 1, tabellen 3, 4 en 5, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit;.
- c.
bijlage 1, tabel 6, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit, aanwezig is;
- d.
bijlage 1, tabel 7, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waarin meerdere koel- of vriesinstallaties als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit in een machinekamer aanwezig zijn, en
- e.
bijlage 1, tabel 8, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting als bedoeld in artikel 1c.
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit in werking treedt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling externe veiligheid inrichtingen.
Doorzet (m3) per jaar | Afstand (m) vanaf vulpunt | Afstand (m) vanaf ondergronds1 of ingeterpt reservoir | Afstand (m) vanaf afleverzuil |
1000–1500 | 40 | 25 | 15 |
500–1000 | 35 | 25 | 15 |
< 500 | 25 | 25 | 15 |
1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.
Tabellen 1, 2 en 2a: LPG-tankstations
Tabel 3: Inrichtingen waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen (PGS 15 inrichtingen)
Tabellen 4 en 5: Inrichtingen waar verpakte gevaarlijke stoffen, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen (PGS 15 inrichtingen) en waar niet meer dan honderd maal per jaar zeer vergiftige stoffen of preparaten in de open lucht worden gelost en geladen
Tabellen 6 en 7: Koel- of vriesinstallaties met ammoniak
Tabel 8: Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen.
Tabel 1. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar (zie artikel 2, eerste lid, onderdeel a)
Doorzet (m3) per jaar | Afstand (m) vanaf vulpunt | Afstand (m) vanaf ondergronds1of ingeterpt reservoir | Afstand (m) vanaf afleverzuil |
1000–1500 | 110 | 25 | 15 |
< 1000 | 45 | 25 | 15 |
1 Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir geldt een afstand van 120 meter vanaf dat reservoir tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Die afstand geldt ongeacht de doorzet van LPG per jaar.
Tabel 2. Afstanden in meters tot kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–5 per jaar (zie artikel 9, eerste lid)
Doorzet (m3) per jaar | Afstand (m) vanaf vulpunt | Afstand (m) vanaf ondergronds of ingeterpt reservoir |
< 1500 | 25 | 15 |
Tabel 3. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, met een minimum van 20 meter met het oog op de bereikbaarheid van de opslagplaats bij brand en het voorkomen van brandoverslag (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel b, en 9, tweede lid, onderdeel b)
Oppervlakte opslag (m2) brandbestrijdingssysteem | 0– 100 | 100– 200 | 200– 300 | 300– 400 | 400– 500 | 500– 600 | 600– 1500 | 1500– 2500 |
beschermingsniveau 1 | ||||||||
automatische sprinklerinstallatie | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 35 | 50 |
automatische sproei-(deluge-)installatie | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 35 | 50 |
automatische gasblusinstallatie | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | n.v.t. * | n.v.t. * |
hi-ex installatie inside air | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 |
hi-ex installatie met rookluiken | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 30 | n.v.t. ** |
lokale brandweer; droog systeem | 20 | 20 | 20 | 251 | 251 | n.v.t. *** | n.v.t.*** | n.v.t. *** |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; droog systeem | 20 | 20 | 20 | 251 | 251 | 251 | 100 | 215 |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; handbediende deluge | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 50 | 95 |
bedrijfsbrandweer cat. 1; ter plaatse blussen | 110 | 175 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 | n.v.t.** |
beschermingsniveau 2 | ||||||||
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2 of overheidsbrandweer inzetbaar < 6 min. | 130 | 190 | 250 | 250 | 250 | 250 | 420 | n.v.t.** |
bedrijfsbrandweer of overheidsbrandweer inzetbaar < 15 min. | 135 | 215 | 290 | 290 | 290 | 290 | 430 | n.v.t.** |
beschermingsniveau 3 | ||||||||
preventieve maatregelen overeenkomstig CPR 15-2 of 15-3 | 65 | 115 | 165 | 165 | 165 | 205 | 220 | 235 |
* Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2.
** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 1500 m2.
*** Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.
1 Die afstand is berekend op basis van brandoverslag.
Tabel 4. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de bronsterkte b in kilogrammen per transportverpakking met een zeer vergiftige vaste poedervormige stof (T+) (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel c, en 9, tweede lid, onderdeel b)
b (kg)2 | Afstand (m) |
0,25 | 50 |
0,5 | 65 |
1 | 90 |
2 | 115 |
5 | 175 |
10 | 245 |
1 Onder een handeling wordt verstaan het geheel van aanvoer, opslag en afvoer van een transportverpakking die zeer vergiftige stoffen of preparaten bevat. Indien zakken door middel van krimpfolie of banden op een pallet zijn bevestigd, geldt de pallet als één transportverpakking.
2 De bronsterkte volgt uit: b = 0,1 · p · a · ƒ10μm, waarin p de grootte van de verpakking (kg) is, a het gehalte actieve stof en ƒ10μm de fractie van het poeder met een korrelgrootte <10μm.
Tabel 5. Afstanden in meters tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar, afhankelijk van de inhoud in liters van het vat met een zeer vergiftige vloeistof (T+) (zie de artikelen 2, eerste lid, onderdeel c, en 9, tweede lid, onderdeel b)
Inhoud (l) | Afstand (m) |
50 | 40 |
100 | 60 |
200 | 75 |
Type installatie1 | Hoeveelheid ammoniak2 | Opstellingsuitvoering3 | Afstand (m) vanaf machinekamer bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50 | Afstand (m) vanaf machinekamer bij diameter vloeistofleidingnaar verdamper > DN50 en ≤ DN 80 | Afstand (m) vanaf vloeistofleiding4 bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50 | Afstand (m) vanaf vloeistofleiding4 bij diameter vloeistofleiding naar verdamper > DN50 en ≤ DN 80 |
< –25 °C | 1500–3500 kg | 1 | –5 | –5 | –5 | –5 |
2 | – | – | – | – | ||
3 | 35 | 35 | – | – | ||
3500–6000 kg | 1 | – | – | – | – | |
2 | 30 | 40 | 25 | 40 | ||
3 | 65 | 65 | 25 | 40 | ||
6000–8000 kg | 1 | – | – | – | – | |
– | – | |||||
2 | 30 | 45 | 30 | 40 | ||
3 | 75 | 75 | 30 | 40 | ||
8000–10.000 kg | 1 | – | – | – | – | |
2 | 30 | 45 | 30 | 45 | ||
3 | 85 | 85 | 30 | 45 | ||
–25 tot –5 °C | 1500–3500 kg | 1 | – | – | – | – |
2 | – | – | – | – | ||
3 | 45 | 45 | – | – | ||
3500–6000 kg | 1 | – | 50 | – | – | |
2 | 60 | 75 | 55 | 70 | ||
3 | 75 | 90 | 55 | 70 | ||
6000–8000 kg | 1 | – | 50 | – | – | |
2 | 65 | 85 | 60 | 80 | ||
3 | 85 | 100 | 60 | 80 | ||
8000– 10.000 kg | 1 | – | 50 | – | – | |
2 | 70 | 85 | 65 | 85 | ||
3 | 95 | 105 | 65 | 85 | ||
> –5 °C | 1500–3500 kg | 1 | – | – | – | – |
2 | – | – | – | – | ||
3 | 45 | 45 | – | – | ||
3500–6000 kg | 1 | – | 60 | – | – | |
2 | 70 | 85 | 55 | 75 | ||
3 | 85 | 95 | 55 | 75 | ||
6000–8000 kg | 1 | – | 65 | – | – | |
2 | 80 | 95 | 60 | 85 | ||
3 | 90 | 105 | 60 | 85 | ||
8000– 10.000 kg | 1 | 50 | 65 | – | – | |
2 | 85 | 105 | 65 | 90 | ||
3 | 95 | 110 | 65 | 90 |
1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan –25 °C, een maximale werktemperatuur tussen –25 °C en –5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan –5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.
2 De hoeveelheid ammoniak is de totale hoeveelheid ammoniak die in de installatie aanwezig is, inclusief de hoeveelheid in een afscheidervat met minder dan 400 kg ammoniak.
3 Opstellingsuitvoering 1: opstelling waarbij alle ammoniakvoerende onderdelen zijn opgesteld in de machinekamer of in de productieruimte, eventueel met uitzondering van de condensor met verbindend leidingwerk. Laatstgenoemde onderdelen kunnen buiten opgesteld zijn.
Opstellingsuitvoering 2: opstelling als bij opstellingsuitvoering 1, met dien verstande dat de leidingen naar en van de verdamper of verdampers met de buitenlucht in verbinding staan.
Opstellingsuitvoering 3: opstelling als bij opstellingsuitvoering 2, met dien verstande dat het afscheidervat of vloeistofvat buiten opgesteld zijn.
4 Vloeistofleiding: met de buitenlucht in verbinding staande ammoniakvoerende leidingen naar de verdamper of verdampers.
5 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat het plaatsgebonden risico rondom de desbetreffende installatie kleiner is dan 10–6 per jaar en dat geen afstand tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in acht genomen behoeft te worden, onderscheidenlijk daarmee geen rekening gehouden behoeft te worden.
Inhoud installatie a1 ≤ 6000 kg | Inhoud installatie a1 > 6000 kg en ≤ 8000 kg | Inhoud installatie a1 > 8000 kg | |
Inhoud installatie b2 ≤ 3500 kg | Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, doch met een inhoud die behoort tot de eerstvolgende hogere inhoudscategorie | Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, vermeerderd met 10 meter | |
Inhoud installatie b2 > 3500 kg | Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, doch met een inhoud die behoort tot de tweede hogere inhoudscategorie | Zie afstand die in tabel 6 is vermeld bij een zelfde installatie3 als installatie a, vermeerderd met 20 meter |
1 Installatie waarvoor ingevolge tabel 6 van bijlage 1 de grootste afstand geldt.
2 Installatie die de grootste inhoud heeft, installatie a niet meegerekend.
3 Installatie van hetzelfde type, met dezelfde opstellingsuitvoering en een vloeistofleiding met dezelfde diameter.
Hoeveelheid meststoffen groep 2 | Afstand (m) vanaf opslagplaats |
> 100.000 kg. | 60 |
LPG-tankstations
Tabel 1
Doorzet (m3) per jaar | Afstand (m) tot grens invloedsgebied |
< 1500 | 150 |
PGS 15 inrichtingen
Tabel 2
Brandbestrijdingssysteem | Oppervlakte 0–300 m2 afstand (m) tot grens invloedsgebied | Oppervlakte 300–600 m2 afstand (m) tot grens invloedsgebied | Oppervlakte 600–2500 m2 afstand (m) tot grens invloedsgebied |
beschermingsniveau 1 | |||
automatische sprinklerinstallatie | n.v.t. | 90 | 300 |
automatische sproei-(deluge-)installatie | n.v.t. | 90 | 300 |
automatische gasblusinstallatie | n.v.t. | 90 | n.v.t.1 |
hi-ex installatie inside air | n.v.t. | 90 | 320 |
hi-ex installatie met rookluiken | 300 | 350 | 350 |
lokale brandweer; droog systeem | n.v.t. | 70 | n.v.t.2 |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; droog systeem | n.v.t. | 90 | 320 |
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2; handbediende deluge | n.v.t. | 90 | 320 |
bedrijfsbrandweer cat. 1; ter plaatse blussen | 300 | 350 | 350 |
beschermingsniveau 2 | |||
bedrijfsbrandweer cat. 1 of 2 of overheidsbrandweer inzetbaar < 6 min. | 300 | 380 | 930 |
bedrijfsbrandweer of overheidsbrandweer inzetbaar < 15 min. | 300 | 380 | 930 |
beschermingsniveau 3 | |||
preventieve maatregelen overeenkomstig CPR 15-2 of 15-3 | 275 | 520 | 930 |
1Een automatische gasblusinstallatie is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 600 m2Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2.
2 Het genoemde brandbestrijdingssysteem is geschikt voor een opslagplaats met een oppervlakte voor de opslag van ten hoogste 500 m2
Koel- of vriesinstallaties en warmtepompen met ammoniak als koudemiddel
Type installatie1 | Hoeveelheid ammoniak2 | Opstellingsuitvoering3 | Afstand (m) tot grens invloedsgebied bij diameter vloeistofleiding naar verdamper ≤ DN50 | Afstand (m) tot grens invloedsgebied bij diameter vloeistofleiding naar verdamper > DN50 en ≤ DN80 |
< –25 °C | 1500–3500 kg | 1 | –4 | –4 |
2 | – | – | ||
3 | – | – | ||
3500–6000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | – | ||
3 | – | – | ||
6000–8000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | – | ||
3 | – | – | ||
8000–10.000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | – | ||
3 | 310 | 310 | ||
–25 tot –5 °C | 1500–3500 kg | 1 | – | – |
2 | – | – | ||
3 | – | – | ||
3500–6000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | – | ||
3 | 260 | 260 | ||
6000–8000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | – | ||
3 | 280 | 280 | ||
8000–10.000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | 120 | ||
3 | 300 | 300 | ||
> –5 °C | 1500–3500 kg | 1 | – | – |
2 | – | – | ||
3 | – | – | ||
3500–6000 kg | 1 | – | – | |
2 | – | – | ||
3 | 360 | 360 | ||
6000–8000 kg | 1 | – | 170 | |
2 | – | 170 | ||
3 | 400 | 400 | ||
8000–10.000 kg | 1 | 200 | 200 | |
2 | 200 | 200 | ||
3 | 400 | 400 |
1 Het betreft installaties die zijn voorzien van een pompbeveiliging, met een maximale werktemperatuur die lager is dan -25 °C, een maximale werktemperatuur tussen -25 °C en -5 °C, onderscheidenlijk een maximale werktemperatuur die hoger is dan -5 °C. Hierbij wordt onder werktemperatuur verstaan de afscheider- of verdampingstemperatuur. Voor de toepassing van bovenstaande tabel is de hoogste afscheider- of verdampingstemperatuur bepalend. Indien die hoogste temperatuur wordt bepaald door een afscheidervat waarin minder dan 400 kg ammoniak aanwezig is, mag in afwijking van de vorige volzin de afstand worden toegepast die behoort bij de werktemperatuur die heerst in het afscheidervat met de op een na hoogste werktemperatuur. Een pompbeveiliging, als bedoeld in de eerste volzin, bestaat per koudemiddelpomp uit een zodanige combinatie van elementen en voorzieningen, dat bij een breuk van de afvoerleiding van de pomp die pomp onmiddellijk buiten werking wordt gesteld, zodat de toevoer van ammoniak naar de leiding wordt afgesneden.
2 Als noot 2 onder bijlage 1, tabel 6.
3 Als noot 3 onder bijlage 1, tabel 6.
4 De aanduiding ‘–’ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.
Inrichtingen waar meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 worden opgeslagen
Hoeveelheid meststoffen groep 2 | Afstand (m) tot grens invloedsgebied |
> 100.000 kg. | –1 |
1 De aanduiding ‘–‘ houdt in dat de grens van het invloedsgebied in het desbetreffende geval niet relevant is. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking behoeven in dat geval niet te worden verantwoord.
Spoorwegemplacementen (zie artikel 1a)
Almelo
Amersfoort Goederen
Amsterdam Westhaven
Arnhem Goederen
Axel aansluiting
Beverwijk
Blerick
Born
Coevorden
Delfzijl
Deventer
Dordrecht
Emmen
Eindhoven
Hengelo
Kijfhoek
Lage Zwaluwe
Maastricht
Moerdijk
Onnen
Roermond
Roodeschool
Roosendaal
Rotterdam Botlek
Rotterdam Europoort
Rotterdam Maasvlakte
Rotterdam Pernis
Rotterdam Waalhaven zuid
Rotterdam IJsselmonde
Sas van Gent
Sittard
Sloehaven I
Sloehaven II
Terneuzen
Terneuzen aansluiting
Uitgeest
Containeruitwisselingspunt (CUP) Valburg
Venlo
Zwolle