Beleidsregel · BWBR0017309

Aanwijzing Halt-afdoening

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing Halt-afdoeningAanwijzing Halt-afdoening

Per 1 december 2004 treedt de aangepaste aanwijzing Halt-afdoening in werking.

Het jeugdstrafrecht is gericht op de aanpak van strafrechtelijk minderjarigen binnen een pedagogisch kader, waarbij wordt uitgegaan van de gedachte dat deze pedagogische benadering vooral tot zijn recht komt door de jeugdigen zelf de verantwoordelijkheid voor gepleegde delicten te laten inzien en aanvaarden. Uitgangspunt is dat ten aanzien van elke minderjarige te allen tijde een voelbare reactie op het strafbare feit dient te volgen.

Het Wetboek van Strafrecht biedt een juridisch kader om minderjarigen, die strafbare feiten van betrekkelijk geringe ernst hebben gepleegd, via de zogeheten 'Halt-afdoening' buiten het justitiële circuit te houden (art. 77e WvSr). Een en ander is juridisch vormgegeven door middel van een (voorwaardelijke) sepotbevoegdheid door de politie onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Halt ('Het ALTernatief') vormt een goede en effectieve wijze van vroegtijdige voorkoming van criminele carrières en biedt een gerichte repressieve aanpak van jeugdigen die veelal voor het eerst met het strafrecht in aanraking komen.

De practische invulling en uitvoering van de Halt-afdoening is primair - binnen een kader van landelijk geldende (ministeriële) richtlijnen - een verantwoordelijkheid van Halt en van het Halt-bureau. Waar lokale, organisatorische en beleidsmatige verschillen afdoen aan het belang van een landelijk zo uniform mogelijke Halt-afdoening, voert het Haltbureau daarover overleg met het lokale OM en de politie.

Vanuit die gedachte is in artikel 77e lid 3 WvSr het OM aangewezen om te voorzien in 'algemene aanwijzingen' op het punt van aanpak van feiten met hantering van de Halt-afdoening. In het belang van centrale afstemming en coördinatie, geeft deze aanwijzing invulling aan de landelijk geldende kaders waarbinnen van een Halt-afdoening sprake kan zijn en de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze mag plaatsvinden.

Deze aanwijzing geeft primair invulling aan de taken en de positie van het OM en de politie. Dit neemt niet weg dat Halt-bureaus en gemeenten een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de projecten die worden aangeboden en de aanpak en behandeling van de jeugdigen binnen de te volgen procedure.

In deze aanwijzing wordt de toestemming van het OM voor het doen van een Halt-voorstel (art. 77e lid 1 WvSr) verondersteld aanwezig te zijn via delegatie van de afdoening aan daartoe aangewezen opsporingsambtenaren.

In de ressorten en arrondissementen kunnen binnen de aangegeven kaders vervolgens in overleg met de lokale driehoek nadere regels gesteld worden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan specifieke puntensystemen, alsmede aan de eisen en voorwaarden die gesteld dienen te worden aan concrete lokale projecten, of aan de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is gepleegd. Deze nadere regels kunnen voorzien in een op de lokale situatie toegesneden uitvoering van Halt-projecten onder de verantwoordelijkheid van het OM. Daarbij kan rekening worden gehouden met de lokale criminaliteitsproblematiek.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om bij arrondissementale richtlijnen andere categorieën strafbare feiten te benoemen als Halt-waardig.

Deze aanwijzing bevat regels voor de Halt-afdoening.

Naast het verzorgen van Halt-afdoeningen, verrichten Halt-bureaus een scala aan algemeen-preventieve taken, waaronder bijvoorbeeld het geven van voorlichting op scholen. Omdat deze taken niet onder de strekking van deze regeling vallen, is gekozen voor een omschrijving van het begrip Halt-bureau die alleen betrekking heeft op de Halt-afdoening binnen het jeugdstrafrecht.

Bij een Halt-bureau zijn Halt-coördinatoren/medewerkers werkzaam. Er is voor gekozen om deze functionarissen niet expliciet in de regeling te noemen. Genoemde werknemers zijn ofwel in dienst van gemeenten, ofwel in dienst van privaatrechtelijke organisaties die (mede) door gemeenten worden gesubsidieerd. Er bestaat daardoor geen gezagsverhouding tussen Halt-medewerkers en OM/politie. Om deze reden richt deze regeling zich niet op Halt-medewerkers, doch op het Halt-bureau als organisatie. Het is vervolgens aan het bestuur van het Halt-bureau om te bepalen wie namens het Halt-bureau kan en mag optreden in de contacten met politie en OM. Dit kan regionaal nader met elkaar afgestemd worden.

Art. 77e WvSr regelt dat door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaren de jeugdige kunnen aanbieden om deel te nemen aan een Halt-project. Deze gedelegeerde bevoegdheid kan door de officier worden verleend aan elke ambtenaar met opsporingsbevoegdheid als bedoeld in art. 127 WvSv. Teneinde een vlotte proceduregang niet te belemmeren, kunnen per korps meerdere (of zelfs alle) opsporingsambtenaren worden aangewezen. Ter structurering van de contacten met de officier en met het Haltbureau verdient het dan wel aanbeveling een of een aantal coördinerend opsporingsambtenaren aan te wijzen.

Omtrent de naleving en uitvoering van deze aanwijzing wordt door de opsporingsambtenaar verantwoording afgelegd op een door de officier van justitie te bepalen wijze.

De voor een Halt-afdoening in aanmerking komende strafbare feiten zijn aangewezen in het Besluit aanwijzing Halt-feiten van 25 januari 1995, Stb.1995, 62, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 augustus 2003, houdende wijzigingen van het Besluit aanwijzing Halt-feiten, Stb. 2003, 341. Het betreft de volgende feiten:

Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen:

Overig:

In de gevallen die niet onder de aanwijzing vallen, dient in beginsel sprake te zijn van inzending van het proces-verbaal aan de officier van justitie. In twijfelgevallen dient hierover vooraf overleg plaats te vinden tussen de opsporingsambtenaar en de officier van justitie.

Wanneer het strafbare feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd buiten de reikwijdte van de paragrafen 3 en 4 vallen en de opsporingsambtenaar van mening is dat desalniettemin een voorstel tot een Halt-afdoening moet worden gedaan, doet hij dit voorstel niet dan na uitdrukkelijk verkregen toestemming van de officier van justitie. Ook de visie van het Halt-bureau kan worden ingewonnen, opdat door alle betrokkenen wordt afgewogen of deelname aan een Halt-afdoening aan de orde kan zijn.

De officier van justitie kan de hier bedoelde toestemming verlenen in gevallen waarin het gaat om strafbare feiten

Het bovenstaande laat onverlet dat als vanouds voor echte bagatelzaken waarbij de zin van de opmaak van een (verkort) proces-verbaal geheel ontbreekt, een 'waarschuwing' van de politie als een passende reactie kan worden gezien. Dit betreft dus de zaken waarin een Halt-afdoening als een te zware reactie kan worden beschouwd. Binnen de marges waarover met het OM overeenstemming bestaat, behoeft in deze gevallen geen proces-verbaal te worden opgemaakt.

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de dag van inwerkingtreding.