Ministeriële regeling · BWBR0017740
Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving
Handelende, voor zover nodig in overeenstemming met de Ministers van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Verkeer en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de Experimentenwet stad en milieu, de Huisvestingswet, de Huursubsidiewet, de Onteigeningswet, de Waterleidingwet, de Wet bescherming Antarctica, de Wet bevordering eigenwoningbezit, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet op de lijkbezorging, de Wet op de openluchtrecreatie, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, de Wet stedelijke vernieuwing, de Woningwet en artikel 30, eerste lid, van de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschappen (PbEG L 30), voor zover nodig juncto artikel 18.4, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer;
Besluit:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag16 december 2004De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, S.M.DekkerDe inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio wordt aangewezen als inspecteur in de zin van:
- –
- –
het Vuurwerkbesluit;
- –
de Waterleidingwet;
- –
- –
de Wet geluidhinder;
- –
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
- –
- –
de Wet milieubeheer;
- –
- –
de Woningwet.
De inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio wordt aangewezen als de ambtenaar, bedoeld in:
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als ambtenaren als bedoeld in:
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de door hen daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet, het ten aanzien van de inspecteur in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8 en 14 van de Waterleidingwet bepaalde van toepassing is, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 12.
De door de inspecteur-generaal van het Inspectoraat-Generaal VROM daartoe aangewezen, onder zijn bevelen werkzame ambtenaren zijn belast met de opsporing van de strafbare feiten, genoemd in:
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn belast met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
de Huisvestingswet;
- –
- –
- –
de Wet geluidhinder;
- –
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
- –
- –
de Wet milieubeheer;
- –
- –
- –
- –
de Woningwet;
- –
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- –
de EG-verordening PRTR.
De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die wet, belast met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid, uitvoeren.
De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
De inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de onder hun bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
de Huisvestingswet;
- –
de Huursubsidiewet;
- –
hoofdstuk II en de tweede afdeling van hoofdstuk IV van de Waterleidingwet;
- –
- –
- –
- –
- –
de Wet geluidhinder;
- –
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
- –
- –
de Wet milieubeheer;
- –
- –
- –
- –
de Woningwet;
- –
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- –
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- –
de EG-verordening PRTR.
De directeur van de Auditdienst VROM en de onder zijn bevelen werkzame ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, zijn, voor zover het betreft de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Comptabiliteitswet 2001, en de controle, bedoeld in artikel 66 van die wet, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de subsidieregelingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
In opdracht van de directeur van de Auditdienst VROM kunnen door hem aangewezen ambtenaren van auditdiensten van andere ministeries bij die opdracht aangegeven taken als bedoeld in het eerste lid, uitvoeren.
De in het eerste en tweede lid aangewezen toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
De ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de Nederlandse emissieautoriteit in oprichting, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer.
De ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
- –
het Besluit inzameling afvalstoffen en de Regeling inzameling afvalstoffen;
- –
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
De commandant en de controleurs van het Korps Militaire Controleurs Gevaarlijke Stoffen zijn mede belaste met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn.
In afwijking van de artikelen 7 en 12 tot en met 18 en artikel 18.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, zijn ten aanzien van inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage II, onder 1 tot en met 8, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 8.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer, uitsluitend de door de inspecteur-generaal of de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio daartoe aangewezen, onder hun bevelen werkzame ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
- –
de Wet geluidhinder;
- –
- –
de Wet milieubeheer;
- –
- –
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- –
de EG-verordening PRTR.
De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Mijnen worden aangewezen als ambtenaren ten aanzien van wie, in geval van levering van leidingwater door collectieve watervoorzieningen die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie, aangewezen krachtens de Mijnbouwwet, het ten aanzien van de inspecteur in de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8 en 14 van de Waterleidingwet bepaalde van toepassing is.
De inspecteur-generaal der mijnen en de inspecteurs van het Staatstoezicht op de Mijnen zijn, voor zover het betreft mijnbouwactiviteiten, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
- –
- –
de Wet geluidhinder;
- –
- –
de Wet milieubeheer;
- –
- –
de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- –
de EG-verordening PRTR.
De ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, zijn, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake de douane bevoegd zijn, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
- –
- –
- –
hoofdstuk 4, paragraaf 1, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- –
- –
- –
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
De ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn, voor zover het de beleidsterreinen van dat ministerie betreft, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde:
- –
bij of krachtens de Wet bescherming Antarctica;
- –
bij of krachtens de Wet bodembescherming;
- –
krachtens artikel 1.2 of bij of krachtens titel 12.3 van de Wet milieubeheer;
- –
bij of krachtens hoofdstuk 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- –
de EG-verordening PRTR.
De ambtenaren van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn, voor zover het betrekking heeft op de bescherming van werknemers, mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
- –
de hoofdstukken 2, 3 en 4, paragrafen 1 en 2, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- –
titel IV van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de door hem daartoe aangewezen onder zijn bevelen werkzame ambtenaren van die inspectie zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
de Wet bodembescherming, voor zover het betreft het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IV, paragrafen 5.1, 5.3 en 5.4, met betrekking tot rijkswateren en het vervoer van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen;
- –
de Wet milieubeheer voor zover het betreft gevaarlijke afvalstoffen en voor zover het betreft inrichtingen die behoren tot categorieën die zijn genoemd in bijlage I, onder 2.1, onder a, 3, 4.1 onder a, 5, en 14.1, onder a, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn;
- –
- –
de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
- –
hoofdstuk 4, paragraaf 1, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, voor zover het toezicht kan worden uitgeoefend in samenhang met de werkzaamheden waartoe zij krachtens wettelijke bepalingen inzake het vervoer van stoffen en preparaten bevoegd zijn, alsmede voor zover het betreft het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn de Nederlandse vlag te voeren, met uitzondering van de schepen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Schepenwet;
- –
hoofdstuk 4, paragraaf 2, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- –
hoofdstuk III van de Wet explosieven voor civiel gebruik, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 11;
- –
de EG-verordening PRTR.
De hoofdinspecteurs van de Voedsel en Waren Autoriteit en de controleambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit zijn mede belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
artikel 5 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, voor zover het betreft goede laboratoriumpraktijk;
- –
hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- –
titel IV van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
Het Besluit aanwijzing toezichtambtenaren VROM-regelgeving, de Regeling aanwijzing bevoegde ambtenaren collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten, de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 maart 1995 tot aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren Wet op de openluchtrecreatie (Stcrt. 1995) en de Regeling aanwijzing toezichtambtenaren Huursubsidiewet worden ingetrokken.
Wijzigt de Regeling aanwijzing keuringsinstelling en toezichthoudende ambtenaren Wet explosieven voor civiel gebruik.
Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de wet van 22 oktober 2003 tot wijziging van diverse wetten in verband met de instelling van het Inspectoraat-Generaal VROM en ter verbetering van de doelmatigheid van gegevensverstrekking met het oog op toezicht (Stb. 2003, 449) in werking treedt.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving.