Wijzigingen Officiële bron
Vaststellingsbesluit Programma Transportbesparing (6e aanvraagperiode)Vaststellingsbesluit Programma Transportbesparing (6e aanvraagperiode)De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2 van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer 2002;

Besluit:

Vast te stellen het navolgende Programma Transportbesparing (6e aanvraagperiode):

Dit programma zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs

Het Programma Transportbesparing is een programma als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling milieu- en energie-efficiency in het goederenvervoer (SMEG). De bepalingen van de SMEG zijn van toepassing op de indiening en behandeling van de in het kader van dit programma in te dienen aanvragen, welke bepalingen op enige specifieke onderdelen in dit programma nader uitgewerkt zijn. Het Programma Transportbesparing is gericht op de in de Nota Mobiliteit, het Nationaal Milieubeleidsplan 4 en de Nota Milieu en Economie geformuleerde doelstelling van de regering om de milieubelasting door het goederenvervoer in de periode tot het jaar 2010 aanzienlijk te beperken. Het Programma Transportbesparing kent een looptijd van acht jaar (van 2000 tot en met 2007) en wordt opgedeeld in afzonderlijke aanvraagperioden. Dit betreft de zesde aanvraagperiode.

De afgelopen jaren is het goederenvervoer fors gestegen. Naar verwachting zal het ook de komende jaren toenemen. Dit leidt tot een vermindering van de bereikbaarheid en heeft negatieve effecten voor het milieu en de veiligheid. Op diverse manieren is geprobeerd om deze negatieve effecten te beperken of te verminderen. Transportbesparing onderscheidt zich van de andere beleidslijnen doordat het zich richt op het verminderen van de vraag naar goederenvervoer, zonder de economische ontwikkeling te beperken. Het betreft projecten waarmee door de innovatie van een fysiek product of productieproces een vermindering van het aantal ritkilometers wordt gerealiseerd.

De doelstellingen van het programma zijn:

De belangrijkste doelgroepen van dit programma zijn producenten, verladers en brancheorganisaties.

Ten behoeve van transportbesparing kunnen twee clusters van mogelijke maatregelen worden onderscheiden:

In dit programma wordt verstaan onder:

Voor subsidiëring op grond van dit programma komen in aanmerking:

De projecten worden voor eigen rekening en risico uitgevoerd. In het geval van een samenwerkingsverband worden de projecten voor eigen rekening en risico van elke deelnemer aan dit verband uitgevoerd.

Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking transportbesparingsprojecten in de zin van:

Haalbaarheidsprojecten

Een haalbaarheidsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om ten behoeve van een rechtspersoon, een onderneming, een branche, keten of cluster van ondernemingen binnen een termijn van 5 jaar transportbesparende maatregelen in te voeren. De maximale projectduur bedraagt één jaar.

Demonstratieprojecten

Een demonstratieproject is een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het (laten) maken én uitvoeren van een concreet implementatieplan voor het invoeren van transportbesparingsmaatregelen alsmede de daarmee samenhangende activiteiten die gericht zijn op het demonstreren van de voorzieningen en de resultaten. Het gaat om de daadwerkelijke toepassing en het demonstreren van de resultaten van de toepassing. De maximale projectduur bedraagt twee jaar.

Haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten worden beoordeeld volgens de tendermethodiek, inclusief advisering van een commissie van externe deskundigen.

Kennisoverdrachtprojecten

Een kennisoverdrachtproject kan alleen worden aangevraagd door een brancheorganisatie of een samenwerkingsverband die het project ook uitvoert of laat uitvoeren. De maximale projectduur bedraagt twee jaar.

Een kennisoverdrachtproject is een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het overdragen van kennis van vernieuwende voorbeelden op het terrein van transportbesparing. Onder kennis wordt verstaan informatie over en ervaringen met specifieke maatregelen die leiden tot transportbesparing.

Het gaat om voorlichtingsprojecten over transportbesparing waarbij een branche, cluster, keten of ander samenwerkingsverband systematisch wordt gewezen op de mogelijkheden van transportbesparing aan de hand van concrete maatregelen, voorbeelden en methodieken.

De uitvoering van het transportbesparingsproject wordt binnen drie maanden na de beslissing op de aanvraag gestart. Van de hierboven genoemde termijnen kan alleen afgeweken worden na voorafgaande schriftelijke toestemming van de Minister.

Het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken ‘SenterNovem’ is aangewezen als programmabeheerder als bedoeld in artikel 1 onder b van de SMEG en is door de Minister gemandateerd om dit programma uit te voeren.

Subsidieaanvragen voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten in het kader van de zesde tender van het Programma Transportbesparing moeten zijn ontvangen in de periode vanaf het moment van inwerkingtreding tot uiterlijk 13 juni 2005. Aanvragen kunnen worden ingediend bij: SenterNovem, Postbus 93144, 2509 AC Den Haag.

Subsidieaanvragen voor kennisoverdrachtprojecten in het kader van het Programma Transportbesparing 2005 dienen uiterlijk 3 oktober 2005 te zijn ontvangen. Aanvragen die niet tijdig ontvangen zijn, worden niet in behandeling genomen. De subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier dat bij SenterNovem verkrijgbaar is. Ook nadere informatie over dit subsidieprogramma is verkrijgbaar bij SenterNovem. Naast een plan van aanpak, hierna toegelicht, dienen ook alle overige bescheiden genoemd in het aanvraagformulier mede te worden opgestuurd. Het plan van aanpak ten aanzien van elk van de drie soorten projecten bevat in ieder geval de hieronder bedoelde informatie.

De Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen zestien weken na afloop van de in artikel 4 genoemde indieningstermijn. Indien de beschikking niet binnen zestien weken kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

De Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

Daarnaast wordt afwijzend beslist in de gevallen, bedoeld in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met betrekking tot de beoordeling van haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten adviseert de Commissie Transportbesparing (hierna: de Commissie) de Minister over de aanvragen terzake van de projecten die niet op een van de onder art. 5 bedoelde gronden zijn afgewezen. De Commissie bestaat, naast de voorzitter, uit twee tot zes personen. De samenstelling is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 108 en Stcrt. 2001, 51). De herbenoeming van de leden is bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2004, 17). De voorzitter en de leden zijn voor een termijn van vier jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

Een lid van de Commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van het advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag. De Commissie stelt haar eigen werkwijze vast. De Minister kan waarnemers aanwijzen die het recht hebben de vergaderingen van de Commissie bij te wonen, en voorziet in het secretariaat van de Commissie.

In afwijking van artikel 8, tweede lid van de SMEG worden deze aanvragen niet behandeld in volgorde van binnenkomst, maar op basis van een tendersysteem. De Commissie adviseert in elk geval tot afwijzing:

De Commissie rangschikt de aanvragen die niet door de Minister zijn afgewezen, dan wel waarvoor door de Commissie geen advies tot afwijzing is gegeven, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het project meer bijdraagt aan de volgende criteria:

De aanvrager verklaart bekend te zijn met de inhoud van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en verklaart zich te zullen inspannen deze naar vermogen in zijn onderneming toe te passen1.

Bij het opstellen van de rangschikking wegen alle genoemde criteria even zwaar.

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de door de Commissie voorgestelde rangschikking. De Minister kan afwijken van het advies van de Commissie als hij van mening is dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd is met de SMEG of dit programma. De Minister zal in de regel dan ook subsidie verlenen, beginnend bij de hoogst gerangschikte aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.

Aanvragen voor kennisoverdrachtprojecten worden door de Minister beoordeeld. Conform artikel 8 eerste en tweede lid van de SMEG geldt hierbij het zogenaamde ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’-principe. Als datum van ontvangst geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften voor indiening.

Ten einde voor honorering in aanmerking te komen, dient een kennisoverdrachtproject te passen binnen de doelstellingen van dit programma en in ieder geval ook te voldoen aan de volgende criteria:

Haalbaarheidsprojecten

Als projectkosten voor haalbaarheidsprojecten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het haalbaarheidsproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

Demonstratieprojecten

Als projectkosten voor demonstratieprojecten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het demonstratieproject toe te rekenen, na indiening van de aanvraag door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

Kennisoverdrachtprojecten

Als projectkosten voor kennisoverdrachtprojecten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het kennisoverdrachtproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:

Voor alle projecten geldt dat de kosten in aanmerking worden genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt deze omzetbelasting niet kan verrekenen met door hem af te dragen omzetbelasting.

Per deelproject gelden de volgende percentages:

Haalbaarheidsprojecten

Rechtspersonen en ondernemingen, niet zijnde een rechtspersoon, die als zodanig staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel: 75% van de subsidiabele projectkosten, met een subsidiemaximum van € 30.000,–.

Samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties: 75% van de subsidiabele projectkosten, met een subsidiemaximum van € 70.000,–.

Indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming betreft in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), of indien het gehele samenwerkingsverband bestaat uit louter kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van genoemde verordening, kan het percentage tot 85% worden verhoogd, voorzover de subsidiemaxima van respectievelijk € 30.000,– en € 70.000,– niet worden overschreden.

Demonstratieprojecten

Rechtspersonen, ondernemingen niet zijnde een rechtspersoon die als zodanig staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties: 25% van de subsidiabele projectkosten, met een subsidiemaximum van € 160.000,–.

Indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming betreft in de zin van de verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10), of indien het gehele samenwerkingsverband bestaat uit louter kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van genoemde verordening, kan het percentage tot 35% worden verhoogd, voorzover het subsidiemaximum van € 160.000,– niet wordt overschreden.

Kennisoverdrachtprojecten

Samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties: 75% van de subsidiabele projectkosten, met een maximum van € 80.000,–.

Indien ter zake van het project of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totaal van subsidiebedragen niet meer bedraagt dan de hierboven in de overeenkomende gevallen genoemde percentages.

De Minister wijst subsidieaanvragen af voorzover door verstrekking van de gevraagde subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Het subsidieplafond voor de zesde aanvraagperiode van het Programma Transportbesparing bedraagt € 1.000.000,– voor haalbaarheidsprojecten en demonstratieprojecten gezamenlijk en € 400.000,– voor kennisoverdrachtprojecten.

Ten opzichte van de SMEG gelden de volgende afwijkende regels met betrekking tot rapportages, voorschotten en declaraties:

De subsidieontvanger geeft bij het uitvoeren van het transportbesparingsproject op de in de subsidiebeschikking aangegeven manier bekendheid aan het feit dat het project wordt uitgevoerd in het kader van het Programma Transportbesparing van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De subsidieontvanger zal daarbij ingaan op de achtergronden en doelstellingen van het Programma Transportbesparing. Daarnaast zal de subsidieontvanger in het kader van de uitvoering van het Programma Transportbesparing medewerking aan de volgende zaken:

Voor de overige verplichtingen wordt verwezen naar de verplichtingen voortvloeiend uit de SMEG.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 2 dagen na publicatie in de Staatscourant.