U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 25-05-2018.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van 7 juni 2005, nr. TRCJZ/2005/1411, houdende regels inzake preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s)Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’sDe Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (titel 4, hoofdstuk 1, paragraaf 1);

Gelet op:

verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEG L 325);

verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopatieën (PbEG L 147);

richtlijn nr. 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van beschikking nr. 90/424/EEG van de Raad van de Europese Unie en intrekking van richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 325);

richtlijn nr. 2003/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van richtlijn nr. 85/511/EEG en van de beschikkingen nr. 89/531/EEG en nr. 91/665/EEG, en tot wijziging van richtlijn nr. 92/46/EEG (PbEG L 306);

richtlijn nr. 2001/89/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PbEG L 316);

richtlijn nr. 95/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1995 tot vaststelling van minimale communautaire maatregelen ter bestrijding van bepaalde ziekten van tweekleppige weekdieren (PbEG L 332);

richtlijn nr. 93/53/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1993 tot vaststelling van minimale communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde visziekten (PbEG L 175);

richtlijn nr. 92/35/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1992 tot vaststelling van controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardepest (PbEG L 157);

richtlijn nr. 92/40/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza (PbEG L 167);

richtlijn nr. 92/66/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juli 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van de ziekte van Newcastle (PbEG L 260);

richtlijn nr. 92/119/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van vesiculaire varkensziekte (PbEG 1993 L 62);

richtlijn nr. 91/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PbEG L 46);

richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);

richtlijn nr. 90/426/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PbEG L 224);

richtlijn nr. 90/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PbEG L 303);

richtlijn nr. 82/894/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PbEG L 378);

richtlijn nr. 78/52/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 december 1977 tot vaststelling van de communautaire criteria voor de nationale programma’s voor de versnelde uitroeiing van brucellose, tuberculose en endemische leukose bij runderen (PbEG 1978 L 15);

richtlijn nr. 64/432/EEG van inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 (PbEG L 109);

– beschikking nr. 90/424/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (PbEG L 224);

– beschikking nr. 2003/100/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 februari 2003 tot vaststelling van minimumeisen voor fokprogramma’s ter verkrijging van resistentie tegen overdraagbare spongiforme encefalopathieën bij schapen (PbEG L 041);

Gelet op de artikelen 10, eerste en tweede lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, 15, 17, 18, 23, 25, tweede lid, 26, 30, 31, 77, 81, 94, 100 en 107, 108 en 108a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 10a van de Veewet, artikel 19 van de Landbouwwet, artikel 7, tweede en derde lid van de wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, de artikelen 3 en 5 van het Besluit verdachte dieren, de artikelen 3 en 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en besmettelijke dierziekten, de artikelen 2 en 3 van het Besluit gebruik sera en entstoffen;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.P.Veerman

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij vee worden aangewezen:

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij pluimvee worden aangewezen:

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij bijen worden aangewezen:

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij nertsen worden aangewezen:

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij zoogdieren niet zijnde vee en nertsen worden aangewezen:

Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij andere vogels dan pluimvee worden aangewezen:

Als besmettelijke dierziekten, bedoeld in artikel 15 van de wet, bij gevoelige soorten van aquacultuurdieren worden aangewezen:

Vervallen

Als andere besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 100 van de wet worden aangewezen:

De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in de artikelen 19 en 100 van de wet, geldt in elk geval indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 5.1.4 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten, de aanwezigheid van de bacterie Coxiella burnetii, die Q-koorts veroorzaakt, is aangetoond in de schapen- of geitenmelk die wordt bewaard in een melkkoeltank.

Vervallen

Vervallen

De termijn, bedoeld in artikel 3, onderdeel hh, van het Besluit verdachte dieren is bij TSE’s bij schapen en geiten 7 jaar.

De termijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel ff, van het Besluit verdachte dieren is bij TSE’s bij schapen en geiten 2 jaar.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Een aanwijzing als bedoeld in artikel 15b, eerste lid, vindt plaats, indien:

Het is verboden om in strijd te handelen met de bepalingen van deze titel.

De eigenaar of exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, van een plaats of een bedrijf waar evenhoevigen worden aangevoerd, verleent alle medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee de evenhoevigen naar zijn plaats of bedrijf zijn vervoerd.

In deze paragraaf en paragraaf 4.3.1 wordt verstaan onder:

De minister wijst op aanvraag een varkenshouderijbedrijf aan als een B-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen.

De minister wijst op aanvraag een varkenshouderijbedrijf aan als een C-bedrijf, indien het bedrijf biggen opfokt tot geslachtsrijpe varkens en ten genoegen van de minister aantoont te voldoen aan de in artikel 29b, tweede lid, onderdelen c tot en met f en derde lid, gestelde voorwaarden.

De minister wijst op aanvraag een varkenshouderijbedrijf aan als een E-bedrijf, indien het bedrijf speenbiggen houdt, uitsluitend afkomstig van één A-bedrijf waarmee een vaste relatie is aangegaan en het bedrijf ten genoegen aantoont te voldoen aan de in artikel 29b, tweede lid, onderdelen c tot en met f en derde lid, gestelde voorwaarden.

De minister wijst op aanvraag een varkenshouderijbedrijf aan als een F-bedrijf, indien het bedrijf speenbiggen houdt, uitsluitend afkomstig van één B-bedrijf waarmee een vaste relatie is aangegaan.

De minister wijst op aanvraag een locatie waar varkens worden gehouden aan als een RE-bedrijf, indien op die locatie minder dan 5 varkens met hun biggen worden gehouden.

Een varkenshouderijbedrijf of een locatie waar minder dan 5 varkens worden gehouden waarvoor geen aanvraag voor een status bij de minister is ingediend, heeft de status D-bedrijf.

De minister kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf intrekken, indien het varkenshouderijbedrijf:

Een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van evenhoevigen in derde landen, alsmede in lidstaten waar een uitbraak van een besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b, c, d, l, s, t, u, v, x, y of z, bij gehouden dieren is bevestigd, en vanuit deze derde landen of lidstaten, anders dan in doorvoer leeg in Nederland wordt gebracht, wordt onmiddellijk gereinigd en ontsmet op een ingevolge artikel 26, eerste lid, erkende reiniging- en ontsmettingsplaats voor vervoermiddelen. De vervoerder overlegt binnen 24 uur na binnenkomst in Nederland bij de minister een bewijs van de reiniging en ontsmetting waaruit in ieder geval blijkt welk lokaal referentienummer en voor zover van toepassing welk referentienummer van het certificaat, bedoeld in verordening (EG) nr. 599/2004, het meest recentelijk voor het desbetreffende vervoermiddel is afgegeven.

Aan- of afvoer van één of meer varkens vanaf of naar een varkenshouderijbedrijf is verboden.

Het verbod, bedoeld in artikel 40a, is niet van toepassing op het vervoer van:

In afwijking van artikel 40a is het vervoer van één of meer varkens vanaf een A-bedrijf toegestaan naar:

In afwijking van artikel 40a is het vervoer van één of meer varkens vanaf een B-bedrijf toegestaan naar:

In afwijking van artikel 40a is het vervoer van één of meer varkens naar een C-bedrijf toegestaan, voor zover afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland.

In afwijking van artikel 40a is het vervoer van één of meer varkens vanaf een C-bedrijf toegestaan, voor zover:

In afwijking van artikel 40a is het vervoer van één of meer varkens vanaf een E-bedrijf toegestaan naar de in artikel 40d, onder a en b, bedoelde bedrijven.

In afwijking van artikel 40a is het vervoer van één of meer varkens vanaf een F-bedrijf toegestaan naar de in artikel 40f, onder a bedoelde bedrijven.

Een varkenshouder weigert de ontvangst van varkens op zijn varkenshouderijbedrijf indien bij de aanvoer de toestemming met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt.

Voor iedere toestemming die wordt aangevraagd, is de varkenshouder van het varkenshouderijbedrijf een retributie verschuldigd aan de minister van maximaal € 2,50.

De aanbieder meldt de aanvang en het einde van een blokperiode uiterlijk om 8.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de blokperiode bij de minister.

Varkens worden van een ingevolge artikel 21 erkend varkensverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar:

Vervallen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

In zoverre in afwijking van artikel 50, leden 2, 3 en 4, worden geiten of schapen toegelaten tot een tentoonstelling of keuring als de houder of eigenaar van de ten toon te stellen of te keuren geiten of schapen de dieren klinisch heeft laten onderzoeken door een dierenarts op het terrein van de tentoonstelling of keuring en de resultaten van het onderzoek geen belemmering vormen voor de tentoonstelling of keuring van de betrokken dieren.

De aanbieder meldt de aanvang en het einde van een blokperiode uiterlijk om 8:00 uur op de werkdag voorafgaand aan de blokperiode aan de minister.

Vanaf een erkend paardenverzamelcentrum worden paardachtigen voor het einde van een blokperiode rechtstreeks afgevoerd naar één of meer in Nederland of in het buitenland gelegen bestemmingen.

Een kwaliteitssysteem kan door de minister worden erkend indien door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt aangetoond dat:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De houder van runderen staat toe dat steekproefsgewijs een monster van de tankmelk door een daartoe aangewezen laboratorium wordt onderzocht ten behoeve van de monitoring van endemische leukose bij runderen.

In afwijking van de artikelen 87 tot en met 90 wordt bij dieren als bedoeld in artikel 85, eerste lid, die gehouden worden op een bedrijf waar onder meer dieren worden gehouden in een houderijsysteem met vrije uitloop als bedoeld in bijlage II, onderdeel 1 van Verordening (EG) nr. 589/2008, ieder kwartaal bloed afgenomen, bij ten minste 30 dieren, ongeacht de leeftijd van de dieren.

Indien de dieren, bedoeld in de artikelen 87 tot en met 91, gehouden worden in meerdere stallen, wordt bij dieren uit elke stal bloed afgenomen naar evenredigheid van het aantal dieren dat in de stallen wordt gehouden, met een minimum van 5 dieren per stal.

Een koppel van de dieren, bedoeld in artikel 85, eerste lid, wordt alleen verplaatst naar een ander bedrijf waar dieren als bedoeld in artikel 85, eerste lid, worden gehouden, indien kan worden aangetoond dat bloed van de dieren overeenkomstig artikel 86, eerste lid, is onderzocht en de uitslag van dit onderzoek bekend is.

Een houder bewaart de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 86, eerste lid, gedurende een periode van twee jaar.

Bij vermeerderingsdieren of dieren die worden opgefokt tot vermeerderingsdier wordt bloed afgenomen van ten minste 30 dieren per stal op de volgende momenten:

Bij leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen wordt bloed afgenomen van ten minste 30 dieren per stal op de volgende momenten:

Bij vleeskuikens wordt bloed afgenomen van ten minste 30 dieren per koppel, waaronder ten minste 5 dieren per stal op de volgende momenten:

Bij vleeskalkoenen wordt bloed afgenomen van ten minste 30 dieren per koppel, waaronder ten minste 5 dieren per stal op de volgende momenten:

Indien het dieren, bedoeld in artikel 94c, derde lid, betreft, is de aanhef van de artikelen 94f, 94g, 94h of 94i, van overeenkomstige toepassing en wordt bloed afgenomen in de periode van 3 tot 4 weken na de datum waarop de dieren zijn gevaccineerd.

Een koppel van de dieren, bedoeld in artikel 94a, eerste lid, wordt alleen verplaatst van een bedrijf naar een ander bedrijf waar deze dieren worden gehouden of naar een andere locatie van hetzelfde bedrijf, waarbij de dieren over de openbare weg worden vervoerd, indien is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 94o tot en met 94q.

Van een koppel vleeskuikens of vleeskalkoenen dat wordt verplaatst na 70 dagen na het uitkomen, kan worden aangetoond dat het koppel overeenkomstig artikel 94e, eerste lid, is onderzocht en dat de waarde, bedoeld in bijlage 16, onderdeel 2, onder b, is behaald.

Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden kippen en kalkoenen.

Het is verboden legkippen of dieren die daartoe worden opgefokt, die niet tegen Mycoplasma gallisepticum zijn gevaccineerd, af te voeren van een bedrijf en aan te voeren op een bedrijf, indien er op dat bedrijf nog legkippen aanwezig zijn die gelijktijdig zijn gehouden met al geslachte legkippen waarbij de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma gallisepticum was vastgesteld.

De houder bewaart de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 94t, tweede lid, gedurende een periode van twee jaar.

Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden kippen, kalkoenen, parelhoenders, kwartels, fazanten, patrijzen en eenden, die worden gehouden als vermeerderingsdier.

Het is verboden kalkoenen af te voeren van een bedrijf en aan te voeren op een bedrijf waar de aanwezigheid van Salmonella arizonae is vastgesteld indien er nog kalkoenen aanwezig zijn die op het moment dat deze besmetting is vastgesteld op dat bedrijf aanwezig waren.

De houder bewaart de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 94y, tweede lid, gedurende een periode van twee jaar.

De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2160/2003.

Het is verboden te handelen in strijd met:

De bemonstering, bedoeld in:

Deze paragraaf is niet van toepassing, indien de minister op het moment van bemonstering, bedoeld in deze paragraaf, monsters heeft laten nemen en onderzoeken op de aanwezigheid van de relevante serotypen salmonella.

Het is de exploitant van een levensmiddelenbedrijf, bedoeld in de bijlage, punt 2.1, bij verordening (EU) nr. 517/2011, verboden om leghennen aan te voeren op een bedrijf waar de aanwezigheid van Salmonella enteritidis is vastgesteld, tenzij die dieren zijn gevaccineerd tegen Salmonella enteritidis.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

basismonster:

basismonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;

eindmonster:

eindmonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;

verzamelmonster:

verzamelmonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009.

Het certificatiesysteem, bedoeld in bijlage VII, hoofdstuk C, deel 1, punt 3, bij verordening (EG) nr. 999/2001, bevat naast de gegevens, bedoeld in hoofdstuk C, deel 1, punt 2, van die bijlage:

Indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 99, tweede lid respectievelijk artikel 99b, eerste lid, trekt de minister een erkenning als bedoeld in die artikelen in.

Een instelling en een groep houders van schapen als bedoeld in artikel 99, eerste lid, rapporteren jaarlijks voor 1 februari aan de minister over:

Het is verboden in strijd te handelen met artikel 9, eerste lid, tweede lid, van verordening (EG) nr. 999/2001.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Als modellen van waarschuwingsborden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van de wet, die worden geplaatst ter aanduiding van een gebied waar ingevolge artikel 30 van de wet een verbod tot vervoeren van kracht is, worden vastgesteld de in bijlage 21 opgenomen modellen.

Het onschadelijk maken, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, van de wet, en het vernietigen, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdelen f en g, van de wet, geschiedt:

Op een tegemoetkoming in de schade voor dieren, producten of voorwerpen die zijn gedood of onschadelijk gemaakt als bedoeld in artikel 86, eerste lid, van de wet wordt de eventuele opbrengst van die dieren, producten of voorwerpen in mindering gebracht.

Het ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest, bijenwoning en dieren, voorwerpen en producten is gericht op het effectief en efficiënt onschadelijk maken van smetstof, waarbij elk geval op zichzelf wordt beoordeeld en geschiedt op de in de bijlage 23 beschreven wijze.

Het ontsmetten geschiedt met een van de volgende middelen:

De minister beslist in elk bijzonder geval op welke wijze het onschadelijk maken, het vernietigen en het reinigen en ontsmetten geschiedt en welke reinigings- en ontsmettingsmiddelen daarbij worden gebruikt.

In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de minister.

Als personen of groepen van personen die toegang hebben tot gebouwen, terreinen of gedeelten van gebouwen of terreinen waar een kenteken als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet is geplaatst, worden aangewezen:

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit gebruik sera en entstoffen wordt ter behandeling tegen rabiës een recombinant vaccin als bedoeld in bijlage III, onderdeel 1, onder a, onder ii, van Verordening (EU) nr. 576/2013 aangewezen.

Wijzigt de Regeling toegelaten handelingen.

Wijzigt de Regeling zekerheidsstelling en betaling VWA-keurlonen.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Wit van kleur met een rode rand en bedrukt met rode letters:

Blauw van kleur met een witte opdruk:

a. Blauw van kleur en bedrukt met zwarte letters:

Blauw van kleur met een witte opdruk:

b. Blauw van kleur en bedrukt met zwarte letters: