U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 15-06-2006.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, van 30 juni 2005, nr. 2005-0000059936/CZW/WVOB, houdende regels ter uitvoering van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid)Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Handelende in overeenstemming met de Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 4, tweede lid, 7, tweede en vierde lid, 16, eerste en tweede lid, 20, derde lid en 24, negende lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, A.Pechtold

In deze regeling wordt verstaan onder:

De artikelen 2 tot en met 9, 15 en 15b zijn niet van toepassing op de gemeente Sittard-Geleen.

Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor leefbaarheid en veiligheid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule:

0,3366 × ((0,50 × Inw2004gem /Inw2004G30) + 0,50 (Nwal2004gem/Nwal2004G30)) + 0,4795 × ((0,3333 × (Jong2004gem/Jong2004G30) + 0,3333 × (A/B) + 0,3333 × (HKS2003gem/HKS2003G30)) + 0,1839 × ((0,50 × Inw2004gem/Inw2004G30) + 0,25 × ((Link2004gem × Kpreg2004gem)/(Link2004G30 × Kpreg2004G30)+ 0,25 × (Jonggem × Kpreg2004gem)/(JongG30 × Kpreg2004G30)).

In deze formule is

Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule

0,3333 × (NWAl2004gem/NWAl2004G30) + 0,3333 × (ABW2003gem/ABW2003G30) + 0,3333 × (Loplgem/LoplG30).

In deze formule is

Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden wordt bepaald volgens de formule

Schgw2003gem/Schgw2003G30.

In deze formule is

Het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de maatschappelijke centrumgemeenten in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule

In deze formule is

Het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang in de middelen voor vrouwenopvang, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule

In deze formule is

Het procentuele aandeel van de gemeente in de extra middelen voor veiligheid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule

0,1950 × (Inw2004gem/Inw2004G30) + 0,2090 × (Min2004gem/Min2004G30) + 0,12 × (Jonggem/JongG30) + 0,12 × (K/L) + 0,12 × (HKS2003gem/HKS2003G30) + 0,083 × (ABWontgem/ABWontG30) + 0,083 × (Loplgem/LoplG30) + 0,035 × ((Li2004gem × Kpreg2004gem)/(Li2004G30 × Kpreg2004G30)) + 0, 035 × ((Jonggem × Kpreg2004gem)/(JongG30 × Kpreg2004G30)).

In deze formule is

De aan de gemeente Sittard-Geleen te verstrekken uitkering bedraagt

De indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, zijn:

Onverminderd artikel 15 wordt in november 2005 een additioneel voorschot verstrekt op het inburgeringsdeel, ter hoogte van het verschil tussen enerzijds de helft van de door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers, per 31 december 2004, en anderzijds de helft van de verantwoorde reserve van een gemeente per 31 december 2004, mits dat verschil groter is dan € 0.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2005.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen.

In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen

Format verantwoording Prestaties

Voor iedere indicator waar eventueel het resultaat niet (volledig) is gerealiseerd, geeft de stad conform artikel 24, derde lid, van het besluit brede doeluitkering sociaal, veiligheid en integratie aan:

Het hier volgende deel van het format verantwoording prestaties GSB/BDU SIV is alleen van toepassing indien uit voorgaande blijkt dat de stad een of meer resultaten niet (geheel) heeft bereikt én de stad in dat geval op basis van artikel 27, vijfde lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, veiligheid en integratie kiest voor verrekening per indicator op basis van feitelijke bestedingen van de rijksbijdrage.

De stad kan zelf bepalen hoe de gegevens voor deze verantwoording worden verzameld. De stad kan de gegevens herkenbaar opnemen in de jaarrekening en ten behoeve van de eenmalige verantwoording in 2010 de totalen berekenen over de jaren 2005 t/m 2009 of de stad kan in 2010 eenmalig een totaal eindverantwoording opmaken.

Op basis van artikel 24, tweede lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: het Besluit) dienen de steden een verantwoordingsverslag in over de uitvoering van het MOP bij de aanvraag tot vaststelling van het programmadeel. Het verantwoordingsverslag heeft dus geen betrekking op het inburgeringsdeel. De GSB-steden verantwoorden de gerealiseerde aantallen op inburgeringsgebied separaat aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Dit is geregeld in artikel 15 van het Besluit.

Ingevolge artikel 24, vierde lid, van het Besluit, dienen de steden een verslag in waarin de bestedingen van de verleende voorschotten worden verantwoord. Het financieel verslag bevat zowel de bestedingen van de voorschotten op het programmadeel als de bestedingen van de voorschotten op het inburgeringsdeel.

Dit controleprotocol dient om de reikwijdte en het object van de accountantscontrole nader aan te geven. Er wordt niet beoogd een aanpak van de accountantscontrole voor te schrijven. Veelal zal de accountant zich immers bij zijn controle baseren op een (risico)analyse van de administratieve organisatie en interne controle bij de desbetreffende gemeente en op basis daarvan komen tot een optimale afweging van de in te zetten controlemiddelen.

Aangezien deze aanpak leidt tot maatwerk per gemeente is dat ook niet mogelijk.

De accountantscontrole strekt zich uit tot de deugdelijkheid van het financiële verslag en de rechtmatigheid van het daarin verantwoorde beheer. Onder de controle op de rechtmatigheid van het verantwoorde beheer wordt verstaan de controle of de verantwoorde bestedingen (lasten) tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de relevante regelgeving. Het doel van deze controle is te komen tot het afgeven van een accountantsverklaring bij de financiële eindverantwoording GSBIII.

Voor de beoordeling van de prestatieindicatoren is geen maatwerk voor de steden voor te schrijven. Iedere gemeente zal op eigen wijze haar systemen ter registratie van de uitvoering in het MOP hebben ingericht, als gevolg waarvan er geen eenduidig normenkader bestaat. De inrichting van dit soort systemen valt onder de verantwoordelijheid van de gemeenten, waaronder begrepen de verantwoordelijkheid voor een adequate AO/IC.

De bemoeienis van de accountant richt zich in het bijzonder op de vraag of het systeem een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maakt.

Het verantwoordingsverslag gaat vergezeld van een door de accountant opgesteld rapport van bevindingen met betrekking tot de beoordeling van de registratiesystemen vanuit het oogpunt of deze systemen een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk hebben gemaakt. De rapportage heeft betrekking op de gehele GSB periode.

Dit impliceert betrokkenheid van de accountant vanaf de start van de GSB III periode.

De situatie kan zich voordoen dat de systemen met betrekking tot het generen van prestatiegegevens bij aanvang van de GSBIII periode nog niet geheel adequaat zijn ingericht. De accountant rapporteert dan zijn bevindingen en aanbevelingen hierover tijdig en periodiek aan het College van B&W (als verantwoordelijke voor de bedrijfsvoering), waarbij hij tevens aandacht schenkt aan het groeipad naar de gewenste situatie.

Een deel van de uitkering zal in de praktijk, via subsidiëring door de gemeente, worden uitgegeven door derden die bepaalde taken zullen uitvoeren in opdracht van de gemeente. Ook daarover zal de gemeente verantwoording moeten afleggen, op dezelfde wijze als ten aanzien van de uitgaven die door de gemeente zelf zijn gedaan. De gemeente zal dan ook moeten beschikken over een beleidslijn (bijvoorbeeld in de vorm van gemeentelijke subsidievoorwaarden) ten aanzien van derden waarin onder meer moet zijn opgenomen dat de controle op de financiële gegevens en de beoordeling van de registratiesystemen analoog zijn aan de richtlijnen die voor de gemeente zelf gelden. De accountant stelt vast of een dergelijke beleidslijn bestaat en wordt nageleefd.

De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van een adequate AO/IC met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbare gegevens van derden. De accountant stelt het bestaan en de werking van deze AO/IC vast.

Indien instellingen en stichtingen door een andere accountant worden gecontroleerd dan degene die de accountantsverklaring afgeeft, dan dient de gemeente ervoor zorg te dragen dat de eindbegunstigden en hun accountants op de hoogte zijn van dit controleprotocol. De instellingsaccountant dient dit protocol na te leven.

Indien de gemeente accountant ten behoeve van zijn oordeelsvorming gebruik maakt van verklaringen, die door andere accountants zijn afgegeven, dan kan hij zich door middel van een review ervan te vergewissen dat hij gebruik kan maken van de werkzaamheden van de andere accountants. Hierbij kan hij onder meer na gaan of het controleprotocol is nageleefd.

De van toepassing zijnde regelgeving betreft:

Ten aanzien van de registratiesystemen kan een onderscheid worden gemaakt in systemen waarin documenten en gegevens uit externe gezaghebbende bron worden verwerkt en interne registratiesystemen waarvan de gegevens door de gemeente zelf worden bijgehouden.

In het eerste geval zal de bemoeienis van de accountant beperkter kunnen zijn, in ieder geval dient de accountant vast te stellen dat de gegevens zijn ontleend aan de gezaghebbende extern bronnen en dat de uitkomsten zijn opgenomen in de verantwoording.

In het tweede geval zal de beoordeling breder zijn. De bemoeienis van de accountant richt zich bij de lokale registratiesystemen in het bijzonder op de vraag of het systeem een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maakt.

De volgende punten kunnen hierbij als handreiking dienen.

De accountant stelt vast dat de bestedingen rechtmatig zijn geweest; de bestede rijksbijdragen moeten passen binnen de reikwijdte van de BDU. Onder bestedingen wordt verstaan: de besteding door de gemeente zelf of door derden in opdracht van de steden.

Bij dit onderdeel gaat het uitsluitend om de rechtmatigheid van de bestedingen door de gemeente en derden ten behoeve van de uitvoering van het MOP, uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, eerste lid, en artikel 15 van de WIN in 2005 en het aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005.

In het kader van de besteding van de bijdragen GSBIII kan het voorkomen dat de gemeente aan derden voorschotten verstrekt. De stad dient voordat de verantwoording GSBIII moet worden ingediend (15 juli 2010), de aan derden verstrekte subsidies te hebben beoordeeld en vastgesteld. In de onder punt 1.2. aangehaalde gemeentelijke beleidslijn zal hierin moeten zijn voorzien.

De accountant stelt vast dat dit is gebeurd.

Voor de gemeenterekening wordt op grond van artikel 2, eerste lid, BBV, een stelsel van baten en lasten gehanteerd.

Het bedrag van de verleende voorschotten dat niet in het ontvangstjaar is besteed wordt gedoteerd aan een voorziening (art 44 BBV). De aanwending van de voorziening is de besteding van de uitkering.

Rechtmatige bestedingen zijn dus betalingen ten aanzien van activiteiten met betrekking tot de BDU SIV in de GSBIII periode of per 31-12-2009 openstaande verplichtingen ten aanzien van bovenbedoelde activiteiten waarvan de prestatie al heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de voorziening BDU SIV bij de gemeente (artikel 44 BBV) per 31-12-09 nihil moet zijn, en dat de verplichtingen onder de openstaande passiva zijn opgenomen (artikel 49 BBV).

De accountant stelt vast dat de in de verantwoording opgenomen bestedingen

Indien uit het door de stad uitgebrachte prestatie-verantwoordingsverslag blijkt dat de prestaties niet geheel zijn gehaald dan vindt verrekening plaats op basis van de rijkstarievenlijst. De minister kan op verzoek van de gemeente de verrekening ook laten plaatsvinden op basis van de daadwerkelijke bestedingen per indicator van de rijksbijdrage door de stad. Indien de stad hiervoor kiest dan dient een aangepast financieel verslag van de bestedingen per indicator te worden ingediend (onderdeel van bijlage C bij deze regeling). In dit geval dient de accountant vast te stellen dat de bedragen in de prestatieverantwoording in de kolom ‘besteding ten laste van de rijksbijdrage’ een getrouw en rechtmatig beeld geven van de feitelijke bestedingen per indicator. Wanneer blijkt dat het gemeentebestuur een deel van de voorschotten heeft besteed aan andere in het MOP opgenomen onderwerpen dan die waarvoor op grond van artikel 7 indicatoren zijn vastgesteld en waaraan het bedrag van het programmadeel van de uitkering op grond van artikel 7, tweede en derde lid, percentsgewijs is toegedeeld, wordt bij de berekening van de korting niettemin uitgegaan van een 100-procents toedeling van de uitkering aan de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid. Uitgangspunt daarbij is dan de relatieve verdeling van de feitelijke besteding over de verschillende indicatoren.

De accountant stelt vast dat voorzover ten aanzien van de bestedingen van de stad BTW in rekening is gebracht en in de gemeenterekening nettobedragen zijn opgenomen, de stad in de verantwoording op basis van een beredeneerde schatting heeft bepaald hoe groot de bruto bestedingen zijn. De accountant dient vast te stellen dat de beredeneerde schatting op aanvaardbare wijze tot stand is gekomen.

Voor geconstateerde onjuistheden en onzekerheden gaat de accountant na wat hiervan de consequenties zijn voor de af te geven accountantsverklaring.

In de accountantsverklaring bij het financiële verslag dient het punt dat het controleprotocol is nageleefd tot uitdrukking te worden gebracht. Een dergelijke vermelding impliceert mede dat de controle is uitgevoerd met inachtname van de hieronder gestelde eisen.

De accountant heeft bij zijn oordeelsvorming gestreefd naar een ‘hoge mate van zekerheid’. Indien dit begrip ten behoeve van het gebruik van statistische technieken moet worden gekwantificeerd, dan is een betrouwbaarheid van 95% gehanteerd.

De accountant heeft geconcludeerd dat de meest waarschijnlijke fout (goedkeuringstolerantie), met betrekking tot de deugdelijkheid van het financiële verslag en de rechtmatigheid van het daarin verantwoorde beheer, gerelateerd aan de BDU-bijdrage per verantwoordingsperiode, niet groter is dan aangegeven in onderstaande tabel.

Zoals reeds onder 1.1 is aangegeven brengt de accountant een rapport van bevindingen uit met betrekking tot de beoordeling van de registratiesystemen vanuit het oogpunt of deze systemen een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maken.

Door het Rijk zal een reviewbeleid worden opgesteld ten aanzien van GSBIII. In dit beleid zal worden uiteengezet wat de uitgangspunten zijn voor het al dan niet houden van een review bij de accountant van de stad. Het review door het rijk zal door één Auditdienst (AD) per stad namens de ministeries voor de 3 bdu’s worden gehouden. De coördinatie van de reviews geschiedt door de AD/BZK. De gemeente en haar accountant zijn verplicht mee te werken aan het review door de accountant van het Rijk. Het review kan plaats vinden door een dossierreview of een collegiaal evaluerend gesprek. In het review wordt de wijze beoordeeld waarop de gemeenteaccountants zijn omgegaan met de controlevoorschriften. Dit review omvat het beoordelen van de grondslagen, de uitvoering en de uitkomsten van de verrichte controles; De AD kondigt een onderzoek altijd eerst schriftelijk aan bij de gemeente. Daarna neemt zij rechtstreeks contact op met de betreffende accountant. De bevindingen van het gehouden review worden voor commentaar voorgelegd aan de accountant. Vervolgens wordt de verantwoordelijke beleidsdirectie – en indien noodzakelijk de betrokken gemeente – op de hoogte gesteld van de bevindingen.

Het spreekt voor zich dat de gemeente voor haar accountant in de onder 2.1 genoemde beleidslijn de mogelijkheid creëert reviews toe te passen bij de accountants van de subsidieontvangers.