Wijzigingen Officiële bron
Successiewet 1956; artikel 35c, eerste lid, berekeningsmodel voortzettingswaarde en agrarische normbedragenSuccessiewet 1956; artikel 35c, eerste lid, berekeningsmodel voortzettingswaarde en agrarische normbedragen

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

In mijn besluit van 12 februari 2004, nr. CPP2003/3061M, heb ik aangegeven dat voor de berekening van de voortzettingswaarde als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, Successiewet 1956, naast de methodieken die in de fiscaliteit het meest gebruikelijk zijn, de Discounted Cash Flow (DCF) methodiek kan worden gebruikt.

Hiervoor wordt een rekenmodel gehanteerd waarbij eerst de contante waarde van de kasstromen gedurende 15 jaar wordt berekend. Onder de kasstroom wordt in dit kader verstaan het jaarlijkse resultaat gecorrigeerd met afschrijvingen, de financieringslasten en de vergoeding voor arbeid. Om de voortzettingswaarde te kunnen bepalen wordt bij de contante waarde van de kasstroom, de restwaarde van de tot de onderneming behorende vermogensbestanddelen met uitzondering van de schulden opgeteld.

De parameters en normen die in het rekenmodel worden gebruikt zal ik jaarlijks bekend maken. De eerste publicatie vond plaats in het besluit van 22 februari 2004, nr. CPP2004/322M. De volgende publicatie vindt hierbij plaats.

Voor de agrarische sector is afgesproken om - indien mogelijk - voor de berekening van de kasstroom te werken met genormeerde bedragen op basis van KWIN-gegevens (praktijkboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij en Kwantitatieve Informatie Akkerbouw). Dit heeft geleid tot normen voor melkvee, fokzeugen, vleesvarkens, pluimvee en akkerbouw. In dit besluit worden ook enkele andere sectoren uit de veehouderij toegevoegd (zie onderdeel 3).

Voor de overige bedrijfstakken geldt dat in principe het rekenmodel kan worden gehanteerd, maar voor de berekening van de kasstroom moet de verlies- en winstrekening over de laatste drie jaren als uitgangspunt worden genomen.

Hierbij gelden dezelfde uitgangspunten als bij de vaststelling van de normen op basis van de KWIN-gegevens.

Indien een bedrijf één of meerdere bedrijfstakken omvat waarvoor geen normbedragen zijn vastgesteld dient per onderdeel de kasstroom te worden vastgesteld. Dit is ook van toepassing op bedrijven met nevenactiviteiten. Bij een samenloop van bedrijfstakken met genormeerde bedragen en bedrijfstakken waarvoor geen normbedragen zijn vastgesteld blijft bij de berekening van de afzonderlijke kasstromen de hoofdregel gelden. De hoofdregel is dat bij bedrijfstakken met genormeerde bedragen de normbedragen moeten worden toegepast.

Bij de bepaling van de hierna in onderdeel 3 genoemde cijfers, de nettokasstromen, gelden de hier genoemde uitgangspunten.

Uitgangspunten en doelstellingen

De Belastingdienst heeft in het kader van de bepaling van de voortzettingswaarde in de Successiewet 1956 in samenspraak met het landbouwbedrijfsleven de normen voor diverse sectoren voor de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 voorbereid. Deze normen zijn door mij vastgesteld en worden hierbij bekendgemaakt. De reeds eerder vastgestelde normen worden hierbij, om het overzicht te behouden, in de publicatie opgenomen.

De normen beogen eenheid in beleid te bewerkstelligen, gelijkheid van behandeling te bereiken, rechtszekerheid te verschaffen en geschillen tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst te voorkomen.

De vastgestelde normen en normbedragen gelden zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtige ondernemers in de agrarische sector. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan van de vastgestelde normen worden afgeweken. Dit kan zich voordoen indien een belastingplichtige aannemelijk kan maken, dat de normen, gelet op de specifieke situatie, te hoog zijn vastgesteld. Een dergelijke kwestie moet mij worden voorgelegd.

Onderstaande tabellen bevatten ook de normen en normbedragen over 2002, 2003 en 2004, voorzover die waren opgenomen in het besluit van 22 februari 2004, nr. CPP2004/322M. De cijfers voor de overige sectoren in de veehouderij zijn toegevoegd. De in dat besluit opgenomen arbeidsvergoedingen op basis van de KWIN-gegevens zijn niet meer afzonderlijk genoemd. Die gegevens zijn verwerkt in de normen.

De inflatiecorrectie wordt voor de kasstromen op nihil gesteld.

Ter ondersteuning van de berekening van de voorzettingswaarde kan men een rekenmodule gebuiken. De meeste landbouwboekhoudkantoren kunnen hier reeds mee werken. Sinds kort is de module ook op de website van de Belastingdienst geplaatst. Deze berekening kan men afdrukken en meesturen met de aangifte voor het successie- of schenkingsrecht. De module is te vinden op: www.belastingdienst.nl/zakelijk/voortzettingswaarde.htm.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Het besluit van 22 februari 2004, nr. CPP2004/322M, is hiermee vervallen.