Ministeriële regeling · BWBR0018590

Meetregeling luchtkwaliteit 2005

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 juli 2005, nr. LMV2005165892, houdende vaststelling van de wijze van meten en berekenen van de luchtkwaliteit (Meetregeling luchtkwaliteit 2005)Meetregeling luchtkwaliteit 2005 De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000, betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313), richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163), richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996, inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), en de artikelen 3, eerste lid, en 6, van het Besluit luchtkwaliteit 2005;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag11 juli 2005De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeel

In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit luchtkwaliteit 2005.

Voor de toepassing van het besluit worden als agglomeraties aangewezen:

Voor de toepassing van het besluit worden als zones aangewezen:

Meetpunten voor de meting van concentraties zwaveldioxide en stikstofoxiden ter beoordeling van de luchtkwaliteit voor stoffen waarvoor de grenswaarden, bedoeld in artikel 13, onderscheidenlijk 19, van het besluit gelden, worden geplaatst op een zodanig punt dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof die representatief zijn voor gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km2, die geheel gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 kilometer van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 kilometer van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen of van autosnelwegen.

Monsterneming bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde meetpunten gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:

Monsterneming bij de in artikel 7 bedoelde meetpunten op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:

Voor de analyse van zwaveldioxide wordt gebruik gemaakt van

Voor de analyse van stikstofdioxide en stikstofoxiden wordt gebruik gemaakt van

Voor de monsterneming en meting van PM10 wordt gebruik gemaakt van

Voor de monsterneming van lood wordt gebruik gemaakt van

Voor de analyse van lood wordt gebruik gemaakt van

Voor de analyse van koolmonoxide wordt gebruik gemaakt van

Voor de monsterneming en analyse van benzeen wordt gebruik gemaakt van

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit luchtkwaliteit 2005 in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Meetregeling luchtkwaliteit 2005.

Het buiten beschouwing laten van concentraties van zwevende deeltjes (PM10), die zich van nature in de lucht bevinden en die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, geschiedt op de volgende wijze.

Voor zwevende deeltjes (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie (artikel 20, onder a. van het besluit).

Het aandeel zeezout in de jaargemiddelde concentratie PM10 varieert van circa 7 µg/m3 langs de westkust tot circa 3 µg/m3 in het oostelijk deel van Nederland. Om een voor zeezout gecorrigeerde jaargemiddelde concentratie te bepalen, is een plaatsafhankelijke correctie nodig. In bijgevoegde tabel is per gemeente aangegeven met welke getalswaarde de op de gebruikelijke wijze bepaalde jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) gecorrigeerd dient te worden, om te komen tot een voor zeezout gecorrigeerde jaargemiddelde waarde.

Voor zwevende deeltjes (PM10) geldt een grenswaarde van 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze waarde maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden (artikel 20, onder b. van het besluit).

Uit meetgevens blijkt dat overschrijding van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 met name plaats vindt bij oostelijke en zuidelijke windrichtingen, als de concentratiebijdrage van zeezout relatief beperkt is. Zeezout speelt dus vrijwel geen rol in het veroorzaken van de overschrijdingsdagen in een jaar. Dit leidt er toe dat voor de correctie van het aantal overschrijdingsdagen in verband met zeezout een andere berekeningswijze nodig is dan voor de correctie van de jaargemiddelde concentratie van PM10.

Het blijkt dat de invloed van de in de buitenlucht aanwezige concentratie zeezout op het aantal dagen waarop de concentratie van PM10 de waarde van 50 µg/m3 overschrijdt, voor geheel Nederland nagenoeg gelijk is.

Uitgaande van de niet voor zeezout gecorrigeerde jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes PM10), wordt het voor zeezout gecorrigeerde aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 verkregen, door het op de gebruikelijke wijze bepaalde aantal overschrijdingsdagen met 6 dagen te verminderen.