Regeling · BWBR0018633
Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers 2005
Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 30 mei 2005, Directie Wetgeving, nr. 5354121/05/6;
Gelet op artikel 17a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
De Raad van State gehoord (advies van 23 juni 2005, nr. W03.05.0208/l);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 juli 2005, Directie Wetgeving, nr. 5361651/05/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage27 juli 2005BeatrixDe Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ,M. C. F.Verdonkde vierde augustus 2005De Minister voor Justitie a.i. ,M. C. F.VerdonkIn dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
de wet: de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
- b.
opvangvermogen: het geheel van bij het orgaan beschikbare voorzieningen geschikt voor de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet;
- c.
product: door het orgaan leverbare, aan de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet gerelateerde en in overeenstemming met Onze Minister gedefinieerde, voorziening;
- d.
project: eenmalig of tijdelijk door het orgaan te leveren voorziening of geheel van voorzieningen;
- e.
subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet.
Het in dit besluit bepaalde is van overeenkomstige toepassing op door Onze Minister op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet aan het orgaan opgedragen taken met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.
Onze Minister doet vóór 1 juni van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar aan het orgaan een raming voor het desbetreffende kalenderjaar toekomen van de bezetting en behoefte aan producten en projecten. Indien deze raming bijstelling behoeft meldt Onze Minister dit schriftelijk aan het orgaan.
De raming, bedoeld in het eerste lid, wordt door het orgaan als uitgangspunt gehanteerd bij de opstelling van het activiteitenplan. De aanvraag van de subsidie wordt, vergezeld van het activiteitenplan, vóór 1 augustus voorafgaand aan het kalenderjaar door het orgaan ingediend.
Onze Minister beslist vóór 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar omtrent de aanvraag van de subsidie en doet het orgaan een beschikking tot subsidieverlening toekomen.
In de beschikking tot subsidieverlening wordt in ieder geval opgenomen het aantal af te nemen eenheden per product, de hoogte van het voorschot en de wijze waarop zal worden bevoorschot.
De aan het orgaan toe te kennen subsidie bestaat uit een bedrag voor de door het orgaan in het betreffende boekjaar te leveren producten.
De subsidie voor de producten wordt bepaald op basis van het bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal af te nemen producten met de voor het desbetreffende product vastgestelde kostprijs.
De prijs van een product wordt vastgesteld aan de hand van de door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde kostprijssystematiek.
Onze Minister kan, naast de subsidie bedoeld in artikel 4, het orgaan een subsidie verstrekken en kan, in aanvulling op de verplichtingen genoemd in hoofdstuk VI, in verband daarmee verplichtingen opleggen:
- a.
voor de uitvoering van projecten;
- b.
ter vergoeding van de door het orgaan te maken kosten als gevolg van toename of afname van de behoefte aan opvangvermogen overeenkomstig de door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde groei- en krimpsystematiek;
- c.
ter vergoeding van de door het orgaan ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, van de wet aan gemeenten betaalde bijdragen en ingevolge artikel 4 van de wet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan gemeenten verstrekte uitkeringen;
- d.
ter vergoeding van de door het orgaan verstrekte uitkeringen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet;
- e.
voor de aanvulling van de egalisatiereserve overeenkomstig de door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde vermogenssystematiek;
- f.
voor overige uitgaven.
Indien de beschikking, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, bijstelling behoeft meldt Onze Minister dit schriftelijk aan het orgaan.
Het orgaan reageert door middel van een aanvullende aanvraag tot subsidie uiterlijk 8 weken na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling van Onze Minister.
Beslissing door Onze Minister op de in het tweede lid bedoelde aanvullende aanvraag geschiedt uiterlijk 8 weken na ontvangst.
De wijziging wordt vastgesteld aan de hand van de door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde wijzigingssystematiek.
Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, en 18, eerste en derde lid, van de wet op de aanvraag tot subsidievaststelling.
Te veel ontvangen voorschotten worden verrekend met voorschotten in volgende jaren, tenzij Onze Minister besluit tot verrekening op andere wijze.
De vaststelling van de subsidie geschiedt overeenkomstig de door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde afrekensystematiek.
Eenmaal in de drie jaar worden de in de artikelen 5, tweede lid, 6, onderdelen b en e, 7, vierde lid, en 9 genoemde systematieken geëvalueerd door Onze Minister in overleg met het orgaan.
Het vermogen, met inbegrip van de inkomsten daaruit, wordt slechts aangewend voor de taken die het orgaan ingevolge artikel 3 van de wet zijn opgedragen.
Het orgaan doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekken of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
Op door Onze Minister te bepalen tijdstippen verstrekt het orgaan aan Onze Minister een exploitatieoverzicht.
Voor de in artikel 4:71, eerste lid, onder a en f, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen, is toestemming van Onze Minister vereist.
Het orgaan kan uitsluitend lenen bij Onze Minister van Financiën.
Het orgaan vormt een egalisatiereserve. De minimale en maximale omvang van de egalisatiereserve wordt voorafgaand aan het boekjaar door Onze Minister vastgesteld door toepassing van de door Onze Minister na overleg met het orgaan overeengekomen vermogenssystematiek.
Indien de inkomsten hoger zijn dan geraamd, wordt zonodig de egalisatiereserve aangevuld tot het niveau van de ingevolge artikel 14 vastgestelde minimale omvang.
Indien na aanvulling van de egalisatiereserve, bedoeld in het eerste lid, een overschot resteert, kan het orgaan een op grond van de vermogenssystematiek vastgesteld percentage daarvan voor vooraf door Onze Minister goed te keuren aanvragen aanwenden. Deze aanvragen houden verband met de taken die het orgaan ingevolge artikel 3 van de wet zijn opgedragen.
Met het na aftrek van het in het tweede lid bedoelde percentage resterende overschot, wordt zonodig de egalisatiereserve aangevuld tot het niveau van de ingevolge artikel 14 vastgestelde maximale omvang.
Het orgaan werkt mee aan door of namens Onze Minister ingestelde onderzoeken die erop zijn gericht Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van zijn beleid.
Onze Minister kan op verzoek van het orgaan bepalingen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte toepassing leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na plaatsing in het Staatsblad en werkt terug tot en met 1 mei 2004.
Op de subsidieverstrekking aan het orgaan in het jaar 2004 blijft het Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers van toepassing.
Het Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt ingetrokken.
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers 2005.