U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-08-2017.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 23 augustus 2005, houdende vaststelling van bekwaamheidseisen voor leraren in het basisonderwijs, het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en voor docenten educatie en beroepsonderwijs, alsmede houdende aanwijzing van vakken voor bekwaamheid als vakleerkracht in het primair onderwijs (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel)Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneelWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 10 februari 2005, nr. WJZ/2005/2292 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder b.1°, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 3, eerste lid, onder b.1°, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 35a en 36, eerste, vierde en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel 4.2.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 4 april 2005, nr. W05.05.0034/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 18 augustus 2005, nr. WJZ/2005/36434 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage23 augustus 2005BeatrixDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,M. J. A. van derHoevenDe Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , C. P.Veermande zevenentwintigste september 2005De Minister van Justitie ,J. P. H.Donner

In dit besluit wordt verstaan onder:

Vervallen

In afwijking van artikel 2.1 omvat de bekwaamheid tot het geven van onderwijs voor leraren of docenten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs niet de vakinhoudelijke bekwaamheid.

Vakinhoudelijk bekwaam betekent dat de leraar of docent in ieder geval:

Om ten minste te voldoen aan artikel 2.4:

Om ten minste te voldoen aan artikel 2.4:

Vakdidactisch bekwaam betekent dat de leraar of docent:

De leraar of docent is vakdidactisch bekwaam wat betreft kennis, indien hij ten minste:

Voor het beroepsgerichte onderwijs houdt de kennis, bedoeld in artikel 2.9:

De leraar is vakdidactisch bekwaam wat betreft kunde indien de leraar of docent ten minste:

In aanvulling op artikel 2.11 houdt de kunde in:

In aanvulling op artikel 2.11, onderdeel b, onder 1, houdt de kunde in dat de leraar vho leiding en begeleiding kan geven aan groepen leerlingen buiten de context van de klas of les.

Pedagogische bekwaamheid betekent dat de leraar of docent:

In aanvulling op artikel 2.14, onder e, betekent pedagogische bekwaamheid van de leraar vo of docent in het beroepsgerichte onderwijs tevens dat het gaat om de begeleiding van de leerling bij zijn oriëntatie op beroepen en het ontwikkelen van beroepsidentiteit.

De leraar is pedagogisch bekwaam wat betreft kennis, indien hij ten minste:

In aanvulling op artikel 2.16, onder a, houdt kennis voor het beroepsgerichte onderwijs in dat de leraar vo of docent zich verdiept in de theoretische en praktische aspecten van het leren functioneren in een beroep en de ontwikkeling van beroepsidentiteit.

De leraar of docent is pedagogisch bekwaam wat betreft kunde, indien hij ten minste:

De op grond van artikel 3, eerste lid, onder b.1°, van de Wet op het primair onderwijs aan te wijzen onderwijsactiviteiten, bedoeld in artikel 9 van die wet, zijn alle in die bepaling genoemde en bedoelde onderwijsactiviteiten.

De op grond van artikel 3, eerste lid, onder b.1°, van de Wet op de expertisecentra aan te wijzen onderdelen en vakken als bedoeld in artikel 13, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van die wet zijn alle in dat artikel genoemde en bedoelde onderdelen en vakken.

De op grond van artikel 3, eerste lid, onder b.1°, van de Wet op de expertisecentra aan te wijzen onderdelen en vakken ingevolge de artikelen 14a, tweede lid, 14c en 14f, van die wet, zijn alle in die bepalingen genoemde en bedoelde onderdelen en vakken.

De op grond van artikel 33, lid 1b, van de Wet op het voortgezet onderwijs aan te wijzen vakken zijn:

De verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 32, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 32, negende lid, van de Wet op de expertisecentra, is bij overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan zes maanden.