U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2006.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 6 oktober 2005, houdende nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet verplichte beroepspensioenregeling)Wet verplichte beroepspensioenregeling Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet ter zake;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage6 oktober 2005BeatrixDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid , A. J. deGeusde eerste november 2005De Minister van Justitie , J. P. H.Donner

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

Een beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door:

Uitsluiting van deelneming aan een beroepspensioenregeling op grond van het aantal uren dat het beroep wordt uitgeoefend, het gerealiseerde inkomen, het overeengekomen loon of de gerealiseerde omzet, is niet toegestaan.

De pensioenuitvoerder verstrekt een bewijsstuk ter zake van de bestaande aanspraken aan:

De opbouw en de financiering van de pensioenaanspraken vinden gedurende het deelnemerschap ten minste evenredig in tijd plaats.

Indien in een weduwen- of weduwnaarspensioen respectievelijk een partnerpensioen is voorzien, verkrijgt de deelnemer, tenzij artikel 33 toepassing vindt, bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ten behoeve van zijn echtgenoot respectievelijk zijn partner een door de pensioenuitvoerder naar redelijkheid vast te stellen premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen respectievelijk partnerpensioen.

De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming een opgave bevattende de hoogte van de premievrije aanspraken als bedoeld in de artikelen 29 en 30.

Indien artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding toepassing vindt is het bepaalde bij of krachtens deze wet van overeenkomstige toepassing op het eigen recht op pensioen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot.

Onverminderd de artikelen 41 en 42 is een pensioenuitvoerder uitsluitend bevoegd pensioen of aanspraken op pensioen bij beëindiging van de deelneming af te kopen voor zover de beroepspensioenregeling dat mogelijk maakt en indien:

Deelnemers en andere rechthebbenden die zich na beëindiging van de deelneming aan een beroepspensioenregeling naar een andere lidstaat begeven behouden hun aanspraak op pensioen in dezelfde mate als deelnemers en andere rechthebbenden die na beëindiging van de deelneming in Nederland blijven.

De pensioenuitvoerder betaalt het pensioen op verzoek van de rechthebbende in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die pensioenuitvoerder is gevestigd, waarbij transactiekosten op het pensioen in mindering gebracht kunnen worden.

Een beroepspensioenfonds is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.

De voor pensioenen bestemde gelden van een beroepspensioenfonds worden, tenzij artikel 58 toepassing vindt, aangewend tot het overdragen of het herverzekeren van het risico dat voortspruit uit de in de statuten en enig pensioenreglement van het beroepspensioenfonds neergelegde verplichtingen, door het sluiten van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar.

De bezittingen van een beroepspensioenfonds zijn tezamen met de te verwachten inkomsten, toereikend ter dekking van de uit de statuten en het beroepspensioenreglement voortvloeiende pensioenverplichtingen.

Belegging van de daartoe beschikbare gelden van een beroepspensioenfonds geschiedt op solide wijze.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 59, 60 en 61. Daarbij kan worden bepaald dat ingeval van overdracht of herverzekering als bedoeld in artikel 57, artikel 61 en die regels niet van toepassing zijn dan wel dat daarvan mag worden afgeweken.

In de verzekeringsovereenkomst waarin bij de totstandkoming of op een later tijdstip wordt gekozen voor ander dan Nederlands recht, wordt de volgende clausule opgenomen:

Ongeacht het gekozen rechtsstelsel is op deze verzekeringsovereenkomst in elk geval deze wet van toepassing.

De actuariële methoden, volgens welke de berekening van premievrije waarden en afkoopwaarden geschiedt alsmede elke wijziging daarvan, worden door de verzekeraar aan De Nederlandsche Bank N.V. medegedeeld. Die methoden mogen worden toegepast zolang De Nederlandsche Bank N.V. daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

Elk bewijs van verzekering als bedoeld in deze wet wordt voorzien van het opschrift: Verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

De Nederlandsche Bank N.V. brengt jaarlijks aan Onze Minister verslag uit over haar werkzaamheden en bevindingen over de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

De pensioenuitvoerder en de beroepspensioenvereniging verstrekken De Nederlandsche Bank N.V. binnen de door haar te bepalen termijn kosteloos de inlichtingen die zij voor de vervulling van de haar bij deze wet of de daarop berustende bepalingen opgelegde taak nodig acht.

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het niet naleven van de in artikel 85 genoemde voorschriften en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

De Nederlandsche Bank N.V. kan een bestuurlijke boete opleggen terzake van het niet naleven van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 19, 20, 21, 23, 24, 28, 32, 37, 38, 39, 41, eerste lid, 42, 44, 45, 50, 51, 53, eerste tot en met zevende lid, 54, eerste lid, 55, 57, 58, 59, 60, 61, eerste en tweede lid, 63, eerste tot en met vijfde lid, 71, eerste lid, 72, derde en vierde lid, 73, 74, eerste en tweede lid, 75, eerste lid, 79, tweede en derde lid, 81, tweede lid en 82, eerste en derde lid.

De persoon jegens wie door De Nederlandsche Bank N.V. een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens het begaan van een beboetbaar feit een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het niet naleven van de in artikel 88 genoemde artikelen en de daarop berustende bepalingen en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de uitvoering door De Nederlandsche Bank N.V. van de artikelen 20, 21, 23, 24, 29, 30, 34, 35, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 70 en 71.

Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand, welke met het oog op deelneming in een beroepspensioenregeling of uitkering op grond van beroepspensioenregeling ten aanzien van deelnemers, gewezen deelnemers, of pensioengerechtigden aan de pensioenuitvoerder worden verstrekt, zijn vrij van leges.

Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Wijzigt de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Wijzigt de Wet op de medische keuringen.

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Wijzigt de Wet op het notarisambt.

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 90 van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Op grond van artikel 92, tweede lid, van deze wet behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete is opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 is vastgesteld