Wijzigingen Officiële bron
Toekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenarenToekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren De Minister van Justitie, namens deze: de Directeur-Generaal Rechtshandhaving, J. van derVlist

Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de buitengewoon opsporingsambtenaar gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (BBO). Indien hem de bevoegdheid is verleend om geweld te gebruiken en/of de veiligheidsfouillering toe te passen dan wel aan hem geweldsmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 1993, de Wet wapens en munitie alsmede de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna te noemen: Ambtsinstructie). Aan de toekenning van voornoemde bevoegdheden en geweldsmiddelen zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden worden in de onderhavige circulaire beschreven.

In mijn circulaire van 26 mei 2003, kenmerk 5228035/503, heb ik de criteria inzake de toekenning van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren nader uiteen gezet. In de afgelopen twee jaar heeft zich een aantal wijzigingen voorgedaan.

In de eerste plaats is voor de buitengewoon opsporingsambtenaren de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon opsporingsambtenaar (RTGB) van kracht geworden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om, onder voorwaarden, aan buitengewoon opsporingsambtenaren pepperspray toe te kennen. Gelet op deze wijzigingen acht ik het aangewezen de circulaire van 26 mei 2003 integraal te herzien.

Uitgangspunt bij de toekenning van buitengewone opsporingsbevoegdheid is dat opsporing in beginsel een overheidstaak is. Dit impliceert dat het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen bij uitstek is voorbehouden aan overheidsfunctionarissen. Op dit uitgangspunt wordt een aantal uitzonderingen gemaakt:

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd onder voorwaarden geweld te gebruiken en onderzoek aan de kleding van personen te verrichten (artikel 8, leden 1 en 3, van de Politiewet 1993). Op grond van artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993 kunnen aan een buitengewoon opsporingsambtenaar deze zogenaamde politiebevoegdheden door mij worden toegekend.

De buitengewoon opsporingsambtenaar beschikt, tenzij deze op grond van de Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen worden toegekend of op grond van een categoriale beschikking zijn toegekend, in beginsel niet over politiebevoegdheden. Indien politiebevoegdheden zijn toegekend beschikt de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee over dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, voor wat betreft het aanwenden van geweld, het melden van het gebruik van geweld en het toepassen van de veiligheidsfouillering. Indien aan de buitengewoon opsporingsambtenaar geen politiebevoegdheden zijn toegekend, mag deze geen geweld toepassen. Wel mag hij net als iedere burger aanhouden op heterdaad en daarbij gepast geweld gebruiken.

Bij de aanvraag van politiebevoegdheden zal de noodzaak duidelijk moeten worden aangetoond. Onderstaand worden de criteria voor de toekenning van politiebevoegdheden beschreven.

Onder geweld wordt verstaan: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken (artikel 1 van de Ambtsinstructie).

Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld (artikel 1, derde lid, onder b en c, van de Ambtsinstructie). Het slechts vastpakken van een verdachte valt niet onder het aanwenden van geweld. Het duwen in een bepaalde richting of het met kracht tegenhouden van een verdachte valt wel onder het aanwenden van geweld.

De geweldsbevoegdheid wordt gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid. Voor de toekenning van de geweldsbevoegdheid van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, gelden de volgende criteria:

De geweldsbevoegdheid mag eerst worden uitgeoefend indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Op grond van artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993 is een politieambtenaar bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar. De veiligheidsfouillering bestaat uit het met de hand aftasten van de kleding van de betrokkene. Het gaat daarbij om het zoeken naar gevaarlijke voorwerpen.

De bevoegdheid om de veiligheidsfouillering toe te passen wordt, evenals de geweldsbevoegdheid, gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid. Voor de toekenning van de bevoegdheid ex artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993, gelden dezelfde criteria als voor toekenning van de geweldsbevoegdheid:

De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik dient te worden gemaakt, is nader geregeld in de artikelen 20 en 21 van de Ambtsinstructie.

De veiligheidsfouillering mag eerst worden toegepast indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

De buitengewoon opsporingsambtenaar beschikt, tenzij deze op grond van de Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen worden toegekend of op grond van een categoriale beschikking zijn toegekend, in beginsel niet over geweldsmiddelen.

Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen de volgende geweldsmiddelen worden toegekend: de handboeien, de wapenstok, de pepperspray, het vuurwapen en de surveillancehond. Handboeien zijn volgens de Bewapeningsregeling politie en de Wet wapens en munitie (WWM) geen geweldsmiddel, maar worden in de RTGB wel als geweldsmiddel beschouwd.

Voor de toekenning van handboeien aan buitengewoon opsporingsambtenaren worden derhalve dezelfde criteria gehanteerd als voor de toekenning van de overige geweldsmiddelen.

Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldsmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. Derhalve worden slechts in uitzonderlijke gevallen geweldsmiddelen aan anderen toegekend. Mede vanuit de doelstelling van de WWM wordt een restrictief beleid gehanteerd, verwoord in het ‘neen, tenzij…’ principe.

Het toekennen van geweldsmiddelen aan een buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt slechts indien de noodzaak hiertoe door de aanvrager aangetoond is en indien zijn bekwaamheid in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook art. 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, RWM). Het toekennen van de geweldsmiddelen wordt tevens afhankelijk gesteld van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met geweld of dreiging met geweld wordt geconfronteerd. In mijn circulaire Functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar is per functiecategorie de maximaal toe te kennen bewapening vastgesteld. Het formele kader voor de toekenning van de bevoegdheid tot het dragen en gebruiken van geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren wordt bepaald door de WWM en de RWM. Ten aanzien van de buitengewoon opsporingsambtenaren, tevens zijnde ambtenaren van politie (politieboa’s), is niet de RWM van toepassing, maar de Bewapeningsregeling politie. Het toekennen van wapenstok, pepperspray en vuurwapen aan politieboa’s geschiedt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij gezamenlijk (art. 3 Bewapeningsregeling politie) en valt buiten de reikwijdte van deze circulaire. De bevoegdheid tot het gebruik van handboeien kan wel door mij worden toegekend. De criteria voor toekenning van geweldsmiddelen worden hieronder beschreven.

Elke aanvraag tot het toekennen van geweldsmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

Indien de beantwoording van bovenstaande vragen nog onvoldoende duidelijkheid geeft over de aanwezigheid van de noodzaak, kunnen aanvullende vragen naar de (on)mogelijkheid van politieassistentie en de aandacht bij de scholing van buitengewoon opsporingsambtenaren voor het onderwerp sociale vaardigheden nog een nadere indicatie geven. Indien zich vaak situaties voordoen waarin het aanwenden van sociale vaardigheden en geweldsbeheersingstechnieken niet (meer) afdoende zijn, kan er aanleiding zijn voor het toekennen van geweldsmiddelen.

Een buitengewoon opsporingsambtenaar kan worden aangewezen om handboeien te gebruiken (art. 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie). Bij de beslissing omtrent het al dan niet toekennen, gelden de criteria a. tot en met d. zoals hiervoor beschreven.

De toekenning van de bevoegdheid om handboeien te gebruiken is in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met (dreiging met) geweld wordt geconfronteerd.

Het gebruik van de handboeien is uitsluitend toegestaan indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Het dragen van handboeien door een buitengewoon opsporingsambtenaar op het moment dat aan hem niet de bevoegdheid tot het gebruik van de handboeien is toegekend, is niet toegestaan. Hoewel het slechts dragen van handboeien niet wettelijk is verboden, acht ik het niet gewenst dat buitengewoon opsporingsambtenaren aan wie niet de bevoegdheid is toegekend de handboeien daadwerkelijk te gebruiken, deze zichtbaar dragen. Het zichtbaar dragen van handboeien kan enerzijds gezien worden als ‘passief gebruik’ in het kader van de taakuitoefening, anderzijds kan het dragen van handboeien leiden tot het actieve onbevoegde gebruik ervan.

Een buitengewoon opsporingsambtenaar kan worden uitgerust met een wapenstok. Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met d. zoals hiervoor beschreven. Evenals bij de toekenning van de handboeien is ook de toekenning van de bevoegdheid om een wapenstok te gebruiken in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met (bedreiging met) geweld wordt geconfronteerd.

Het gebruik van de wapenstok is uitsluitend toegestaan indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Bij besluit van 19 februari 2005 (Stb. 2005, 110) is de Ambtsinstructie gewijzigd. Deze wijziging houdt onder meer in dat het mogelijk is buitengewoon opsporingsambtenaren met pepperspray uit te rusten. Bij de toekenning gelden de criteria a. tot en met d. zoals hiervoor beschreven. Daarnaast geldend de volgende criteria:

De toelichting bij de artikelen 12a, tweede lid, 12b en 12c van de Ambtsinstructie bepaalt dat na gebruik van de pepperspray de opsporingsambtenaar verantwoordelijk is voor het verlenen van adequate nazorg. In artikel 5a van de Uitrustingsregeling politie 1994 is een bepaling opgenomen dat de met pepperspray bewapende ambtenaren dienen te beschikken over de voorgeschreven middelen voor het kunnen verlenen van een adequate nazorg. Dit nazorgprotocol is van overeenkomstige toepassing op buitengewoon opsporingsambtenaren die beschikken over pepperspray. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in de Circulaire Landelijke invoering van het geweldsmiddel pepperspray nadere voorschriften gegeven ter zake de nazorg bij het gebruik van pepperspray. In deze circulaire worden de nadere voorschriften als volgt omschreven.

In deze voorschriften wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone nazorg en nazorg bij het optreden van medische noodsituaties. De politieambtenaar die pepperspray heeft gebruikt verricht de gewone nazorg. De nazorg bij het optreden van medische noodsituaties wordt verricht door medisch geschoold personeel. Deze voorschriften zijn toegesneden op een situatie waarbij tegen een verdachte pepperspray wordt gebruikt. Indien van toepassing wordt dezelfde nazorg zo mogelijk eveneens verleend aan collega-ambtenaren en aan omstanders die met het middel in aanraking komen.

De nazorg vindt plaats door middel van toepassing van de nazorgmiddelen, dat wil zeggen middelen bestemd voor deze nazorg, van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het kader van een Europese aanbestedingsprocedure geselecteerd merk en type alsmede door het gebruik van oogdouches.

Tot het moment dat de aanbestedingsprocedure geheel is afgerond worden de nazorgmiddelen gebruikt welke ten behoeve van de pilot zijn aangeschaft.

Bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een vuurwapen worden, naast de hiervoor beschreven criteria a. tot en met d. aanvullend de volgende criteria gehanteerd:

Het gebruik van het vuurwapen is uitsluitend toegestaan indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

Het formele kader voor de toekenning van de bevoegdheid tot gebruik van een politiesurveillancehond wordt bepaald door de artikelen 15 en 37, tweede lid, van de Ambtsinstructie en de Regeling politiesurveillancehonden 1999. Het inzetten van een politiesurveillancehond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij de surveillancedienst (artikel 15, eerste lid, onder a, van de Ambtsinstructie).

De geleider dient in het bezit te zijn van certificaat. Een keuringscommissie verstrekt aan de geleider een certificaat op naam van de combinatie van de geleider en de politiesurveillancehond, indien die combinatie onder leiding van die geleider aan de keuringseisen heeft voldaan.

In de Regeling politiesurveillancehonden wordt het kader aangegeven met betrekking tot de keuring en de keuringseisen voor de combinatie. De keuringseisen zijn opgenomen in het Keuringsreglement politiesurveillancehond.

Evenals bij de toekenning van de hierboven beschreven geweldsmiddelen is ook de toekenning van de bevoegdheid om een politiesurveillancehond in te zetten in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de vervulling van zijn functie met geweld of de dreiging met geweld wordt geconfronteerd.

Op het moment dat er wijzigingen plaatsvinden in de uitrustingsstukken of bewapening die door de politie worden gebruikt, bijvoorbeeld het holster of munitie, gelden deze wijzigingen tevens voor de buitengewoon opsporingsambtenaren. Op deze wijze wordt eenduidigheid in bewapening en uitrustingsstukken nagestreefd.

Aanvragen voor toekenning van politiebevoegdheden en/of geweldsmiddelen kunnen worden ingediend bij het Ministerie van Justitie.

Aan de toekenning van geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen nadere voorwaarden worden verbonden. Zo kan ervoor gekozen worden om, bij wijze van proef, voor een kortere periode bepaalde geweldsmiddelen toe te kennen of kan een aanvullende opleidingseis worden gesteld.

In de Regeling toetsing geweldbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar (RTGB) worden regels gesteld inzake de toetsing van ambtenaren van buitengewoon opsporingsambtenaren ter zake van geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de schietvaardigheid. Deze regeling is op 1 oktober 2003 in werking getreden en laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2005.

In artikel 4, sub b, van de Ambtsinstructie wordt bepaald dat het gebruik van een geweldsmiddel slechts is toegestaan door een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend. Voorts wordt in artikel 5 van de Regeling wapens en munitie bepaald dat de buitengewoon opsporingsambtenaar slechts met een wapen kan worden uitgerust indien de noodzaak van het dragen van dat wapen aannemelijk wordt gemaakt en de bekwaamheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar met het wapen is aangetoond. De RTGB is te zien als een uitwerking van deze regels.

Essentie van de RTGB is, dat alle buitengewoon opsporingsambtenaren die één of meer politiebevoegdheden hebben ofwel politiebevoegdheden en één of meer geweldsmiddelen, dienen te voldoen aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB. Voor inhoudelijke uitleg van de RTGB en het toetsingsschema wordt verwezen naar de toelichting op deze regeling.