Ministeriële regeling · BWBR0019309

Regeling verplichte beroepspensioenregeling

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2005/103027, houdende vaststelling van regels op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Regeling verplichte beroepspensioenregeling)Regeling verplichte beroepspensioenregeling De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 4, vierde lid, 7, vierde lid, 11, zesde lid, 16, tweede lid, 17, tweede lid, 39, derde lid, 40, vierde lid, 44, vijfde lid, 45, vijfde lid en 102, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de artikelen 10, vierde lid, 12, eerste lid en 14, tweede lid, van het Besluit verplichte beroepspensioenregeling;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag16 december 2005De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J. deGeus

In deze regeling wordt verstaan onder:

De aanvraag van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, bevat:

Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigt van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel, indien tegen verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, wordt van de aanvrager een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen, bedoeld in artikel 2, onderdeel h.

De aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, bevat:

Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 3, onderdeel e, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigd van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel indien tegen wijziging van de verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, zal een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave worden verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen als bedoeld in artikel 3, onderdeel f.

Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigt van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel indien tegen intrekking van de verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, zal een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave worden verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel d.

De aanvragen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 5 worden eerst in behandeling genomen wanneer alle van belang zijnde gegevens en bescheiden, genoemd in die artikelen, bij de aanvragen zijn gevoegd.

De persoon die een ontheffing heeft, betaalt dezelfde bedragen welke hij verschuldigd zou zijn in de vorm van premies indien hij geen ontheffing had, aan de pensioenuitvoerder in de vorm van spaarbijdragen. In de beroepspensioenregeling wordt geregeld waarop deze spaarbijdragen recht geven.

Mits de pensioenuitvoerder daarmee instemt kan, in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding respectievelijk scheiding van tafel en bed pensioen of aanspraak op pensioen op verzoek van de rechthebbende met instemming van diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot worden afgekocht indien de afkoopsom bij dezelfde instelling wordt aangewend ter verwerving van eenzelfde of een ander soort pensioen ten behoeve van diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot.

Het bedrag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, bedraagt € 361,02.

Bij afkoop van het ouderdomspensioen op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet, heeft zowel de pensioenuitvoerder zonder toestemming van de rechthebbende als de rechthebbende zonder toestemming van de pensioenuitvoerder, het recht op afkoop van de bij het ouderdomspensioen behorende aanspraak op nabestaandenpensioen onder terhandstelling van de afkoopsom aan de rechthebbende.

Een pensioenuitvoerder is bevoegd dat deel van de aanspraak op pensioen dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen uitgaat boven de begrenzingen bedoeld in de artikelen 18a, zevende lid, 18b, zevende lid, 18c, vijfde lid, 18d, 18e, 18f en 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, af te kopen en de afkoopsom aan de rechthebbende ter hand te stellen.

Een pensioenuitvoerder is bevoegd het deel van de aanspraak op pensioen dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de deelnemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, uitgaat boven de begrenzingen bedoeld in de artikelen 18a, zevende lid, 18b, zevende lid, 18c, vijfde lid, 18d, 18e, 18f en 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, af te kopen en de afkoopsom aan de rechthebbende ter hand te stellen.

Voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 van de wet wordt verstaan onder gewezen deelnemer: de persoon, die heeft deelgenomen aan de beroepspensioenregeling, voor zover hij na de beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een premievrije aanspraak op pensioen op grond van artikel 29 of 30 van de wet heeft verkregen en behouden jegens de pensioenuitvoerder of, ingeval artikel 57 van de wet toepassing heeft gevonden in die zin dat het beroepspensioenfonds het uit de aangegane pensioenverplichtingen voortspruitende risico heeft overgedragen aan een verzekeraar, jegens die verzekeraar.

Voor de toepassing van artikel 45, derde lid, van de wet wordt met gewezen deelnemer gelijk gesteld de gewezen echtgenoot bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet vanaf het tijdstip waarop de deelnemer gewezen deelnemer is geworden of bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, voor zover die gewezen echtgenoot na de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed een premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen heeft verkregen en behouden jegens de pensioenuitvoerder of, ingeval artikel 57 van de wet toepassing heeft gevonden in die zin dat het beroepspensioenfonds het uit de aangegane pensioenverplichtingen voortspruitende risico heeft overgedragen aan een verzekeraar, jegens die verzekeraar.

In afwijking van artikel 22, tweede lid:

De rente, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het besluit wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld.

Wanneer waardeoverdracht van een niet-reguliere naar een reguliere regeling plaatsvindt, rekent het overnemende uitvoeringsorgaan, met toepassing van artikel 26, terug welk deel van de afkoopsom als verschuldigde rente wordt aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling verplichte beroepspensioenregeling.

Vervallen.

Vervallen.