Circulaire · BWBR0019510

Regeling bijzondere opsporingsgelden

Wijzigingen Officiële bron
Regeling bijzondere opsporingsgeldenRegeling bijzondere opsporingsgelden

Deze circulaire zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag1 februari 2006De Minister van Justitie, J.P.H.Donner

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

Onverminderd de overige voorwaarden die in deze regeling aan de toekenning of beschikbaarstelling zijn gesteld, wordt geen tipgeld toegekend of beschikbaar gesteld indien:

Onverminderd de overige voorwaarden die in deze regeling aan de toekenning of beschikbaarstelling zijn gesteld, wordt geen tipgeld c.q. een beloning toegekend of beschikbaar gesteld indien:

Deze circulaire treedt in werking op 2 april 2006.

Deze circulaire kan worden aangehaald als: Regeling bijzondere opsporingsgelden.

1. Wegingsfactoren vaststelling hoogte tipgeldbedragen

2. Modelrapport opsporingsdienst inzake aanvraag tipgeld

2a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling tipgeld

3. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek machtiging uitloven beloning

4. Modelbrief zaaksofficier inzake advies beschikbaarstelling beloning

4a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling beloning

5. Modelverzoek opsporingsdienst inzake aanvraag toongeld

5a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling toongeld

6. Modelverzoek opsporingsdienst inzake aanvraag pseudokoopgeld

6a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling pseudokoopgeld

7. Modelverzoek opsporingsdienst inzake aanvraag opkoopgeld

7a. Modelbrief hoofdofficier van justitie inzake verzoek beschikbaarstelling opkoopgeld

8. Modelfaxbericht van de officier van justitie inzake spoedprocedure ex artikel 16 van de Regeling bijzondere opsporingsgelden.

9. Stroomschema’s aanvragen bijzondere opsporingsgelden

10. Convenant tipgelden 2004

In een concreet geval kunnen één of meer van de onderstaande wegingsfactoren aanleiding vormen het tipgeldbedrag enigermate te verhogen. Deze wegingsfactoren dienen, voor zover van toepassing, in het rapport voor de tipgeldaanvraag van de opsporingsdienst met een korte toelichting tot uitdrukking te worden gebracht:

Iedere informant loopt risico. Dit vloeit voort uit het verstrekken van inlichtingen aan een opsporingsdienst over criminele activiteiten van een ander. In sommige gevallen kan echter de reële inschatting worden gemaakt dat de informant een verhoogd risico loopt.

Het betreft hier de duur van de periode waarin de inlichtingen worden verstrekt en de mate van inspanning die het de informant heeft gekost teneinde inlichtingen te kunnen verstrekken.

Het gaat hierbij om informatie die heeft geleid tot het aan het licht brengen van een georganiseerde groepering en de zwaarte van de rol die de verdachten daarin hebben gespeeld.

Hierbij gaat het om de gevolgen van de aanhoudingen voor de werkzaamheid van de criminele organisatie.

Van belang is de maatschappelijke impact van de opheldering van het misdrijf, de aanhouding van de verdachte(n) en de inbeslagneming van goederen.

In samenhang met punt 5 kunnen lokale omstandigheden van invloed zijn op de hoogte van het tipgeld. In bepaalde delen van Nederland kunnen de criminaliteitscijfers, al dan niet tijdelijk, beduidend hoger liggen dan elders.

Dit aspect betreft de kostenbesparing voor de opsporingsdienst in verband met de bekorting van een (reeds lopend) opsporingsonderzoek door de verstrekte inlichtingen.

Hierbij gaat het om de gebleken ‘zakelijke’ betrouwbaarheid van de informant en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie in de voorgaande zaken.

Relevant is het aantal aangehouden verdachten, alsmede de verdachten die nog niet zijn aangehouden maar waarvan de identiteit is komen vast te staan.

Het betreft hier het aantal informanten dat in een opsporingsonderzoek inlichtingen heeft verstrekt om het voor tipgeld in aanmerking komende (strafvorderlijke) eindresultaat te bereiken.

Dit aspect betreft gelden en of andere waardevolle (on)roerende goederen waarover de informant geen specifieke inlichtingen heeft verstrekt, maar die door en tijdens het opsporingsonderzoek wel in beslag zijn genomen.

Het gaat hierbij om de door het College van procureurs-generaal aangegeven opsporings- en vervolgingsprioriteiten.

(September 2004 (aanvulling artikel 12 d.d. 10 augustus 2004)

Partijen hebben overwogen dat:

De partijen bij het Convenant Tipgeld 2004, vertegenwoordigd;

zijn, omtrent de regeling inzake financiële beloningen (tipgelden), overeengekomen dat zij zich overeenkomstig dit Convenant zullen gedragen.

In dit convenant wordt verstaan onder:

Verzekeraar: een bij het Verbond van Verzekeraars aangesloten verzekeringsmaatschappij.

Bureau Justitiële Zaken: het Bureau bij het Verbond van Verzekeraars met als doelstelling belangenbehartiging op verzoek van verzekeraars en van politie/justitie in actuele zaken van verzekeringsfraude en criminaliteitsbeheersing. Het Bureau geeft invulling aan het Fraudeloket Verzekeringsbedrijf.

Fraudecoördinator: Medewerker van een verzekeraar, belast met de interne werking en toepassing van het Fraudeprotocol Verzekeringsbedrijf van het Verbond van Verzekeraars.

Onderzoeksbureau: een particulier bureau met vergunning op grond van de Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, dat niet tot het concern van de verzekeraar behoort en dat in opdracht van de verzekeraar de schadetoedracht onderzoekt dan wel de hoogte van de schade vaststelt.

NCIE: Nationale Criminele Inlichtingen Eenheid (onderdeel van politie)

CIE: Criminele Inlichtingen Eenheid van een betrokken opsporingsinstantie (onderdeel van politie)

Tipgever: Voor de toepassing van dit convenant: de burger die informatie verstrekt over een strafbaar feit, waarbij de verzekeraar een financieel belang heeft.

Tipgeld: Voor de toepassing van dit convenant: de financiële beloning voor de tipgever betaald door de verzekeraar(s) via de CIE.

Betalingsgarantie: een op grond van artikel 6:198 e.v. of artikel 7:850 e.v. Burgerlijk Wetboek gegeven garantie tot betaling die in beginsel wordt afgegeven door Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars.

Beloningsadvertentie: de advertentie zoals wordt bedoeld in artikel 9 van dit convenant.

Regeling Bijzondere Opsporingsgelden: de beleidsregels neergelegd in de vigerende circulaire van de Minister van Justitie.

De partijen die dit convenant hebben ondertekend, stellen alles in het werk om binnen hun organisatie op een juiste wijze uitvoering te geven aan deze regeling. Verzekeraars geven de door hen ingeschakelde onderzoeksbureaus opdracht overeenkomstig dit convenant te handelen.

In dit convenant zijn afspraken opgenomen tussen de politie, het Openbaar Ministerie en het Verbond van Verzekeraars over de omgang met de tipgever. Conform het Convenant wordt degene die zich bij de verzekeraar meldt met informatie, altijd doorgeleid naar de politie (CIE), zie artikel 4 van het Convenant. De politie beoordeelt namelijk of de burger vinder is of tipgever. Het convenant is niet van toepassing op de omgang met de burger, die de vindplaats een onbeheerde zaak aanwijst (= vinder). Uit het bijgevoegde stroomdiagram (bijlage 4) blijkt, hoe de verhouding tussen de tipgever en de vinder is geregeld.

De bepalingen van het Convenant Tipgelden 2004 zullen om de drie jaar door de betrokken partijen worden geëvalueerd.

De integrale tekst van deze regeling wordt door het college van procureurs-generaal bekendgemaakt binnen het Openbaar Ministerie, door de Raad van Hoofdcommissarissen breed verspreid onder de politiekorpsen en door het Verbond van Verzekeraars bekend gemaakt aan de leden.

Dit convenant treedt in werking op 6 april 2005.

De regels die gelden voor het betalen voor inlichtingen ten behoeve van criminaliteitsbestrijding zijn reeds in 1986 vastgelegd in de toenmalige Regeling tip-, toon- en verkoopgelden. Deze regeling onderscheidde de tipgelden die werden betaald door politie en justitie, verzekeraars, banken en andere derden. Ook werd onderscheid gemaakt tussen voorkoopgelden, toongelden en onkostenvergoedingen/werkgelden. In 1991 is er bij deze Regeling een Gedragscode opgesteld die van toepassing is indien verzekeraars, Stichting CIS en/of expertisebureaus tipgelden beschikbaar stellen. In deze Gedragscode is vastgelegd dat bij het beschikbaar stellen van tipgelden moet worden gehandeld conform de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden.

De oude Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden is inmiddels door het Ministerie van Justitie herzien in de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden (RBO). Belangrijke ontwikkelingen als de veranderende opsporingspraktijk, de veranderingen in de politie-organisatie en de uitkomsten van de parlementaire enquête inzake het gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden (Commissie van Traa), gaven hier aanleiding toe. Inmiddels is het hoog tijd om ook de geldende Gedragscode van 1991 aan te passen. De uitwerking hiervan is vastgelegd in het onderhavige Convenant. De rol van de Stichting CIS onder de gedragscode van 1991 is inmiddels overgenomen door het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars.

Doel van dit convenant is het regelen van die situaties waarin met behulp van door verzekeraars te betalen informatie kan worden bijgedragen aan criminaliteitsbestrijding en wel zodanig dat de belangen van de politie, het Openbaar Ministerie en van de verzekeraars worden gediend in het kader van hun maatschappelijke verantwoordelijkheden, zonder dat daarbij de tipgevende burger en de dader in één persoon verenigd zijn. Het convenant sluit aan bij de regels die partijen hanteren en schept de voorwaarden voor een integere en uniforme werkwijze ten aanzien van het werken met betaalde informatie.

Het betalen voor informatie bij de opsporing in het algemeen van strafbare feiten is in toenemende mate te zien als een werkwijze die bij het opsporingswerk moeilijk kan worden gemist. Bij het ophelderen van een misdrijf en het opsporen van door misdrijf verdwenen goederen is de rol van betaalde informatie vaak doorslaggevend. Het is niet bezwaarlijk dat de politie op dergelijke aanbiedingen ingaat, mits daarbij niet alleen de goederen worden teruggevonden, maar óók de daders worden aangehouden. De politie zal zich wel vooraf dienen te overtuigen van de betrouwbaarheid van de burger en er is een aantal stringente voorwaarden waaraan voldaan moet zijn vóórdat tipgeld daadwerkelijk betaald mag worden.

Partijen beogen de uit te betalen tipgelden in de hand te houden. Belangrijk verschil tussen het onderhavige convenant en de gedragscode van 1991 is gelegen in de manier waarop de hoogte van het tipgeld wordt vastgesteld. De gedragscode van 1991 bepaalde dat ‘het tipgeld in beginsel maximaal 10% van de dagwaarde van de verzekerde goederen in de toestand waarin zij ter beschikking van de rechthebbenden zijn gesteld bedraagt’. Deze 10% was een eigen leven gaan leiden en het leek van plafondwaarde in de praktijk soms te zijn verworden tot uniform tarief. In het onderhavige convenant wordt daarom in verband met de hoogte van de tipgelden verwezen naar de centrale registraties van tipgelden van de NCIE en van het Bureau Justitiële Zaken.

Verzekeraar: Door de definiëring van verzekeraars in deze gedragscode zijn alle verzekeraars die lid zijn van het Verbond van Verzekeraars gehouden dit convenant na te leven. Het Verbond van Verzekeraars heeft bijna alle in Nederland werkende verzekeringsmaatschappijen – zowel die met een zetel in Nederland als die met een zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie – als lid. De ‘dekkingsgraad’ is ongeveer 95%.

Daarnaast zijn er verzekeringsmaatschappijen wier goederen door Nederland heen stromen, maar die hier te lande geheel geen vestiging, of alleen een wettelijk vertegenwoordiger ex artikel 45 van de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf hebben. Bureau Justitiële Zaken zal bemiddelen bij de betaling van tipgelden door buitenlandse verzekeraars of verzekeraars die geen lid zijn van het Verbond van Verzekeraars, conform artikel 7 lid 3 van dit Convenant.

Tipgever: Voor de toepassing van het Convenant Tipgelden: de burger die informatie verstrekt over een strafbaar feit, waarbij de verzekeraar een financieel belang heeft.

De Regeling Bijzondere Opsporingsbevoegdheden die voor de politie van toepassing is, maakt onder andere onderscheid tussen de begripsbepalingen ‘informant’ en ‘tipgever’. Verzekeraars onderhouden – in tegenstelling tot de politie – geen contacten met informanten, hetgeen de reden was om in dit convenant te kiezen voor de term ‘tipgever’. Voor de definitie van ‘tipgever’ in de zin van het onderhavige convenant is niet bepalend of deze reageert op een beloningsadvertentie, maar bepalend is dat hij/zij informatie heeft over een strafbaar feit waarbij de verzekeraar een financieel belang heeft.

Dit artikel is het fundament van dit convenant en geeft de basis voor de inspanningsverplichting van de betrokken partijen. De uitvoering van dit convenant vraagt om alertheid, een consequente werkwijze en voorlichting in de eigen organisatie. Van de partijen wordt verwacht dat zij hieraan de juiste invulling geven. Er kan sprake zijn van conflicterende belangen en van dilemma’s, bijvoorbeeld een opsporingsbelang van het Openbaar Ministerie versus een financieel belang van een verzekeraar.

Van verzekeraars wordt verwacht dat zij accepteren dat door de CIE niet gewerkt kan worden met een bepaalde tipgever. Van het Openbaar Ministerie wordt verwacht ervoor zorg te dragen dat de CIE voldoende investeert in het opsporen en veiligstellen van gestolen goederen. In de praktijk zullen partijen nog vele varianten van tegenstellingen en dilemma’s tegenkomen, maar met de ondertekening van het convenant is de bereidverklaring om tot optimale samenwerking te komen en de wil tot integere criminaliteitsbestrijding en een efficiënte werkwijze zeker gesteld.

Indien de burger informatie heeft over zowel de verdachte als de door misdrijf verdwenen goederen, dan wordt de burger als tipgever aangemerkt en dan kan het tipgeld worden uitbetaald conform het Convenant.

Indien de burger alleen informatie heeft die niet leidt tot het aanhouden van de verdachte, zal deze op aangeven van de CIE door de verzekeraars als vinder worden behandeld conform artikel 5:5 van het Burgerlijk Wetboek. Terwijl de identiteit van de tipgever wordt afgeschermd, kan de vinder nooit anoniem zijn. Anders zou de vinder zijn recht ex artikel 5:5 BW niet geldend kunnen maken voor de rechter. Het Verbond van Verzekeraars zal voor de leden een advies opstellen inzake de omgang met de vinder en de rol van Bureau Justitiële Zaken in dit kader.

Het begrip goederen is, als algemeen begrip, de overkoepelende aanduiding voor zowel zaken als vermogensrechten. Het tipgeld kan derhalve óók worden betaald indien blijkt dat de verzekeringnemer zelf betrokken is bij de brandstichting en de verzekeraar daarom geen uitkering doet.

Indien een verzekeraar, bijvoorbeeld via een beloningsadvertentie, rechtstreeks in contact komt met een burger die anoniem wil blijven en informatie wil verstrekken (tipgever), dan dient de verzekeraar zo snel mogelijk nadat bekend is om welke goederen het gaat de burger via de fraudecoördinator door te verwijzen naar het hoofd van de CIE van de regio waar het misdrijf heeft plaatsgevonden of van de regio waar de burger woont. Of de goederen verzekerd zijn of niet maakt geen verschil. Indien het de verzekeraar onduidelijk is welke afdeling van politie de meest toepasselijke is om de burger naar te verwijzen, kan Bureau Justitiële Zaken worden geraadpleegd.

De fraudecoördinator is bij de verzekeraar het centrale aanspreekpunt als het gaat om tipgeldzaken. De CIE die in een tipgeldzaak de verzekeraar wil benaderen, zal contact opnemen met de fraudecoördinator van de verzekeraar. Is de naam van de verzekeraar niet bekend, dan neemt de CIE contact op met Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars.

De mogelijkheid dat de burger dubbel spel speelt en als schakel fungeert tussen dief of heler enerzijds en de benadeelde anderzijds, of zelfs de dief is, moet, vooral wanneer het om verzekerde goederen gaat, niet worden uitgesloten. Wanneer de burger daarentegen te goeder trouw is, zal hij met een zekere gevaarzetting voor eigen veiligheid informatie verstrekken die hij uit het criminele milieu heeft verkregen. Het werken met burgers vraagt dan ook een uitermate zorgvuldig optreden van de zijde van politie en verzekeraars. In geval de burger geen contact op wil nemen met de CIE, zal de verzekeraar geen tipgeldregeling treffen.

Het zogenaamde ‘runnen’ van tipgevers is een exclusieve bevoegdheid van daartoe aangewezen (politie)ambtenaren van de CIE. Onder ‘runnen’ wordt verstaan: het contact met en het begeleiden van burgers die, onder waarborging van anonimiteit, – anders dan een getuige en/of verdachte en al dan niet gevraagd –, aan een opsporingsambtenaar inlichtingen vertrekken over gepleegde of nog te plegen criminele feiten.

Verzekeraars doen dat dus niet en wel om de volgende redenen: zowel de daartoe aangewezen (politie)ambtenaren als de tipgevers kunnen aan onaanvaardbare risico’s worden blootgesteld en de succesvolle afloop van een opsporingsonderzoek kan in gevaar komen indien niet op juiste wijze met de tipgever of diens informatie is omgegaan. Alleen de aangewezen (politie)ambtenaar heeft de gevraagde deskundigheid en is op de hoogte van de vereiste procedures om deze risico’s te kunnen inschatten en hiermee zo goed mogelijk om te gaan.

Het kan voorkomen, dat niet met de burger kan worden samengewerkt. Dit oordeel zal doorgaans gebaseerd zijn op de betrouwbaarheid van de burger of diens rol in de onderhavige zaak (b.v. als getuige of als verdachte). De politie kan beschikken over informatie om een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van een burger. De betrokken verzekeraar zal de zienswijze van de politie onderschrijven (zie artikel 2 van het convenant).

De NCIE en het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond houden ieder afzonderlijk een register bij van uitbetaalde tipgelden door politie/Justitie respectievelijk verzekeraars. Het register stelt de verzekeraar in staat zich te vergewissen van betaalde bedragen in vergelijkbare gevallen. Verzekeraars en politie/Justitie kunnen met elkaar overleggen m.b.t. de benodigde gegevens en de criteria voor het bepalen van de hoogte van de tipgelden.

De dagwaarde of marktwaarde van de geretourneerde door misdrijf verdwenen goederen speelt onder meer een rol bij de overweging van de verzekeraar ten aanzien van de maximale hoogte van het bedrag dat hij ter beschikking zou willen stellen. Het spreekt immers vanzelf dat de verzekeraar of eigenaar niet meer zal willen uitgeven aan het terugverkrijgen van een goed dan de waarde die het op het moment van terugkeer in zijn beschikkingsmacht nog heeft.

Bij groepagegoederen bevinden zich in één vrachtwagen, container, etc. goederen van meer dan één eigenaar/verzekeraar. Als de vrachtwagen gestolen wordt is er soms het probleem dat slechts van een deel van de goederen de eigenaren/verzekeraars bekend zijn. Bovendien is vaak de waarde onbekend en is sprake van een groot scala van artikelen. Als de ‘tip’ ook leidt tot het terugvinden van andere goederen uit hetzelfde voertuig als waarvoor getipt was, dan willen tipgevers wel de vraag opwerpen of de waarde van die goederen moet meetellen voor de hoogte van het tipgeld. De bestaande beleidslijn daarop is dat de tipgever alleen tipgeld kan krijgen op de goederen waarop hij voldoende concreet tipt. De vraag hoe de verzekeraar de financiering van het aan de politie uit te betalen tipgeld regelt met de ‘meeliftende’ verzekeraars waarvan de goederen bij toeval ook zijn teruggevonden, is een zaak tussen verzekeraars.

Tipgever en verzekeraar worden door de CIE wederzijds van elkaar afgeschermd. Met deze afspraak wordt recht gedaan aan het beginsel van waarborgen van anonimiteit aan tipgevers. Het kan voorkomen dat een tipgever zich met naam en toenaam meldt bij een verzekeraar maar toch anoniem wil blijven tegenover de daders van het misdrijf waarover wordt getipt. Het is dan van groot belang de identiteit af te schermen en de personalia van de tipgever alleen te geven aan de aangewezen functionaris van de CIE van een betrokken opsporingsinstantie.

De anonimiteit van de identiteit van een tipgever is nooit absoluut te waarborgen. De rechter kan tijdens de zitting bepalen dat het belang dat de Officier van Justitie tegen openbaarmaking van de identiteit van de tipgever aanvoert niet zwaar genoeg weegt. De rechter kan dan besluiten de tipgever te (laten) horen, waarbij overigens de identiteit niet bekend hoeft te worden bij de verdachte, door bijvoorbeeld het onherkenbaar en met stemvervormer horen van de tipgever. Tevens kan de rechter bepalen dat de tipgever door de rechter-commissaris wordt verhoord waarbij de rechter-commissaris de identiteit van de tipgever wel kent maar de verdachte of zijn raadsman niet.

Moment van verstrekking

Betalingsgaranties voor tipgelden kunnen uitsluitend vóóraf worden gegeven, uitbetaling vindt uitsluitend achteraf plaats. Strekking van deze bepaling is dat voorkomen moet worden dat kosten worden gemaakt zonder dat het resultaat voor verzekeraars vaststaat.

Termijn

De betalingsgarantie is beperkt geldig. Het is een mogelijke toekomstige financiële verplichting en komt als zodanig ook in de financiële administratie van het Verbond van Verzekeraars terecht. Als deze garantstelling in tijd onbeperkt zou zijn, zou een ‘stuwmeer’ ontstaan van door de jaren heen toegezegde gelden, waarvan nooit gebruik is gemaakt, terwijl de zaak ook nooit is opgelost. Dit zou tot boekhoudkundige problemen leiden. Daarom wordt de betalingsgarantie in beginsel afgegeven voor de duur van 6 maanden.

Voor motorrijtuigen geldt een specifieke betalingsgarantie-termijn van 30 dagen. Reden voor de 30 dagen termijn is dat de polis bij motorrijtuigenverzekeringen doorgaans een termijn van 30 dagen kent, waarbinnen de verzekeraar het verzekerd object mag teruggeven aan de verzekerde. De verzekeraar is na de 30e dag gehouden een schadeloosstelling te betalen, ook al wordt het motorrijtuig op of na die dag nog opgespoord. Indien het goed binnen die termijn niet kan worden opgespoord, vervalt in beginsel de garantstelling. De garantstelling kan 2 maal worden verlengd, indien de betrokken partijen dit in het kader van het onderzoek wenselijk achten. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan de situatie dat het eind van het onderzoek nabij is op het moment dat de 30 dagen termijn verstrijkt. De termijn kan dan op verzoek van politie verlengd worden. Bij elke verlenging van de garantstelling treedt telkens een nieuwe boekhoudkundige verplichting op.

Hoe gaat de betalingsgarantie in de praktijk?

In geval de belanghebbende verzekeraar bekend is kan de CIE zowel deze verzekeraar als Bureau Justitiële Zaken benaderen voor het afgeven van een garantstelling. In geval de belanghebbende verzekeraar niet bekend is, zal de CIE zich wenden tot Bureau Justitiële Zaken. Ook zal de CIE zich wenden tot Bureau Justitiële Zaken indien te verwachten is dat er meerdere betrokken verzekeraars zullen zijn, die belang hebben bij een positieve afronding van de zaak. De financiering van het tipgeld zal dan immers naar evenredigheid van de onderscheidenlijke verzekerde belangen over betrokken verzekeraars verdeeld moet worden.

Bureau Justitiële Zaken zal de belanghebbende verzekeraar(s) trachten te achterhalen. Bureau Justitiële Zaken kan zich garant stellen voor de betaling van tipgeld tot een door de directie van het Verbond van Verzekeraars vastgesteld maximum. Bureau Justitiële Zaken is 24 uur per dag bereikbaar.

Rol Bureau Justitiële Zaken

Bureau Justitiële Zaken speelt in principe een coördinerende rol. Over het algemeen zal Bureau Justitiële Zaken zich terugtrekken indien de contacten tussen de CIE en de belanghebbende verzekeraar goed functioneren. De betalingsgarantie door Bureau Justitiële Zaken is een overeenkomst van borgtocht ex artikel 7:850 Burgerlijk Wetboek.

Deze regeling is getroffen om te vermijden dat burgers of onderzoeksbureaus achteraf tipgeld claimen, omdat dat in de haast van het opsporen, het veilig stellen of terugbezorgen van het goed vergeten is of omdat er geen tijd voor was. Ook tracht deze regeling te vermijden dat onderzoeksbureaus of andersoortige tussenpersonen de verzekeraar of de politie onder (tijds)druk zetten om tipgeld beschikbaar te stellen en uit te betalen, terwijl de burger zelf voor alle partijen anoniem blijft.

De garantstelling geschiedt zonder winstoogmerk op basis van civielrechtelijke zaakwaarneming ex artikel 6:198 en 6:199 Burgerlijk Wetboek, alléén indien en voor zover er een verzekerd belang is. In geval de garantstelling is verleend door Bureau Justitiële Zaken, moeten de goederen via Bureau Justitiële Zaken terug naar de verzekeraar. Bureau Justitiële Zaken heeft in zijn kwaliteit van borg een retentierecht op het goed (art. 7:850 e.v. BW) voor het bedrag van het aan de politie na terugkeer uitbetaalde tipgeld. Bureau Justitiële Zaken kan ook garant staan voor niet bij het Verbond aangesloten verzekeraars (bijvoorbeeld buitenlandse verzekeraars).

De betaling van het tipgeld geschiedt volgens de richtlijnen genoemd in de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden.

Deze regeling betreft de voorwaarden waaronder en de procedures waarlangs opsporingsgelden in het kader van bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden ingezet.

De door de verzekeraar toegezegde bedragen voor tipgeld worden pas aan de politie uitbetaald als het door misdrijf verdwenen goed in de beschikkingsmacht van de verzekeraar is. Het is voor alle partijen van belang dat het door misdrijf verdwenen goed zo snel als mogelijk in de beschikkingsmacht van de verzekeraar is.

Beloningsadvertenties dienen overeen te stemmen met de doelstellingen van dit convenant. Daarom is afgesproken dat verzekeraars uitsluitend beloningsadvertenties (laten) plaatsen die de in bijlage 3 neergelegde tekst volgen. Beloningen worden door verzekeraars alleen uitgeloofd indien daarmee ook het ophelderen van één of meer misdrijven wordt beoogd. Beloningsadvertenties zijn niet bedoeld om vindersloon ex artikel 5:5 e.v. van het Burgerlijk Wetboek uit te loven, maar om informatie te verkrijgen over goederen én verdachten. De tekst van de beloningsadvertentie vermijdt altijd het noemen van concrete bedragen of daartoe eenvoudig herleidbare informatie. Het Openbaar Ministerie is niet gehouden uitsluitend deze voorschriften te volgen.

Het noemen van concrete bedragen of daartoe herleidbare informatie kan in de praktijk tipgevers lokken en op korte termijn voor snellere informatie zorgen, zodat de door misdrijf verdwenen goederen eerder terug zijn in de beschikkingsmacht van de rechthebbende verzekeraar. Toch is het noemen van concrete bedragen door verzekeraars in de beloningsadvertentie niet toegestaan. Dit zou namelijk kunnen leiden tot ‘tariefvorming’ voor bepaalde categorieën goederen op grond van de waarde van het verzekerd belang. De waarde van de informatie en de toegevoegde waarde van de burger in het concrete geval zijn echter veel meer van invloed op de hoogte van het tipgeld. Aangezien deze waarde pas duidelijk is op het moment dat de burger zijn verhaal heeft gedaan, kan een beloningsadvertentie nooit bedragen bevatten. Het wekken van zulke financiële verwachtingen kan bovendien aanleiding zijn voor burgers om zèlf strafbare feiten met betrekking tot de goederen te plegen. Ook kan het leiden tot ongewenste claims van burgers. Te allen tijde moeten de advertentieteksten onderhandeling mogelijk maken over de hoogte van het tipgeld. Ook het noemen van percentages van de waarde van de verzekerde goederen is onverstandig, omdat burgers dan vaak in de praktijk voor gedeelten van de ontvreemde partij goederen geld willen incasseren.

Bij de omschrijving van de goederen moet er ook voor worden gewaakt dat die niet van dien aard is dat feitelijk iedereen zich als tipgever kan uitgeven. Als alle details over de door misdrijf verdwenen goederen al worden weggegeven, is aan de hand van de telefonische informatie van de tipgever niet meer te bepalen of zijn informatie waarde heeft en of hij geloofwaardig is.

Tussen de partijen die bij dit convenant betrokken zijn kan sprake zijn van verschillen van inzicht en zelfs van tegenstrijdige belangen. Het is van belang dat de partijen met enige regelmaat met elkaar in gesprek blijven over dit onderwerp, zodat zij alert blijven op de aandachtspunten die zich in de praktijk kunnen voordoen. Hiervoor wordt het Platform Tipgelden ingesteld, dat minimaal tweemaal per jaar zal vergaderen. De leden van het platform vertegenwoordigen de bij de uitvoering van dit convenant betrokken partijen.

De evaluatie van de werking van het convenant om de drie jaar is van belang gelet op de ontwikkeling van de regelgeving en de aandachtspunten die zich in de praktijk kunnen voordoen.

De integrale tekst van deze regeling wordt door het Ministerie van Justitie gepubliceerd in de Staatscourant, door het Openbaar Ministerie in het Handboek Opsporing en door het Verbond van Verzekeraars in een ledencirculaire.

Bij inwerkingtreding van dit convenant komen de circulaires van het Verbond LV 89/30, LV 91/21; MOT-L-96/46 en TRA-L-96/25 te vervallen.

Het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars is 24 uur per dag bereikbaar via de piketfunctionaris. Tijdens kantooruren 070 – 333 87 12/070 – 333 87 13 en buiten kantooruren: 06 – 65 19 15 21.

Op te vragen bij Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars. Tijdens kantooruren 070 – 333 87 11 of 070 – 333 87 12.

Gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 16 maart 2002, nummer 54. Voor de toepassing van dit convenant geldt de vigerende regeling.

Het secretariaat van het Platform Tipgelden is bereikbaar via het Verbond van Verzekeraars:

Postbus 93450

2509 AL Den Haag

Telefoon: 070 – 333 86 73

Beloning

Voor aanwijzingen die leiden tot de opheldering van een misdrijf

gepleegd op/omstreeks d.d. ..-..-.… en tot terugverkrijging van ..........… [omschrijving van de zaken]

alles ontvreemd te .....................….

of

waarbij in [omschrijving van het object] brand is ontstaan

Contactpersoon: …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

N.b.: