Wijzigingen Officiële bron
Accijns, rechtstreekse aflevering van goederen die onder schorsing van de accijns worden vervoerdAccijns, rechtstreekse aflevering van goederen die onder schorsing van de accijns worden vervoerd De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten:

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag29 maart 2006De Staatssecretaris van Financiën,namens deze:de Directeur-Generaal Belastingdienst, J.Thunnissen

Het vervoer van accijnsgoederen van een belastingentrepot in een andere lidstaat naar een accijnsgoederenplaats (AGP) of geregistreerd bedrijf in Nederland of van een accijnsgoederenplaats naar een andere accijnsgoederenplaats vindt plaats onder schorsing van de accijns onder geleide van een administratief geleidedocument (AGD).

In de praktijk is gebleken dat vergunninghouders van een AGP of van een geregistreerd bedrijf uit logistieke overwegingen er behoefte aan hebben om die accijnsgoederen rechtstreeks van hun leverancier af te laten leveren bij hun afnemer in Nederland die niet in het bezit is van een vergunning AGP of geregistreerd bedrijf.

Dit is bij voorbeeld het geval indien de afnemer geografisch dichter bij de leverancier is gesitueerd dan de locatie van de vergunninghouder. Het is in dat geval niet efficiënt om de goederen eerst naar de locatie van de vergunninghouder te vervoeren en daarna pas naar de afnemer. Een voorbeeld van een zodanige situatie is een bedrijf dat is gelegen in de grensstreek en dat wordt bevoorraad vanuit een belastingentrepot dat net over de grens is gevestigd. Deze situatie wordt aangeduid als rechtstreekse aflevering.

Rechtstreekse aflevering is op grond van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad (hierna: de richtlijn) en op grond van de Wet op de accijns (hierna: de wet) niet mogelijk. Alleen een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of een (niet) geregistreerd bedrijf mag immers op grond van artikel 1a, onderdelen d, j en k van de wet accijnsgoederen onder schorsing van accijns ontvangen.

Wat betreft de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats wordt op grond van artikel 2, eerste lid, van de wet onder uitslag verstaan het brengen van een accijnsgoed buiten de accijnsgoederenplaats. Wat betreft het geregistreerd bedrijf wordt op grond van artikel 2a, eerste lid, van de wet onder uitslag mede verstaan de ontvangst van een accijnsgoed dat wordt overgebracht vanuit een belastingentrepot.

Indien goederen rechtstreeks worden afgeleverd vindt er geen fysieke uitslag als hiervoor bedoeld plaats en zou de accijns derhalve niet bij de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats of van het geregistreerd bedrijf kunnen worden geheven.

Hoewel de systematiek van de wet zich verzet tegen rechtstreekse aflevering van accijnsgoederen ben ik van mening dat sprake is van een gerechtvaardigde wens van het bedrijfsleven.

Er kunnen verschillende redenen aan deze commerciële praktijk ten grondslag liggen, zoals het besparen van kosten die anders gemaakt moeten worden voor het vervoer en de tussentijdse lossing, opslag en lading van de goederen. De heffing van de accijns dient echter voldoende te zijn verzekerd. Daarom is er aanleiding een regeling te treffen die tegemoet komt aan deze wens van het bedrijfsleven, maar tevens bewerkstelligt dat de heffing van accijns voldoende is verzekerd.

In EU-kader is de rechtstreekse aflevering onderwerp van discussie en het is waarschijnlijk dat te zijner tijd aanpassing van de richtlijn, en daarna van de wet, zal plaatsvinden.

Ik keur, vooruitlopend op wijziging van de richtlijn en de wet, goed dat de inspecteur op verzoek van een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats of geregistreerd bedrijf toestaat dat hij goederen onder schorsing van de accijns ontvangt zonder dat hij deze goederen fysiek in bezit krijgt.

Daarbij geldt als voorwaarde dat de vergunninghouder met overeenkomstige toepassing van artikel 53, respectievelijk artikel 53a van de wet, de accijns op aangifte voldoet, als ware sprake van uitslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, respectievelijk artikel 2a, eerste lid, van de wet.

Een dergelijke toestemming kan niet worden verleend:

De toestemming ziet niet op het rechtstreekse vervoer onder schorsing van de accijns tussen accijnsgoederenplaatsen onderling (A-B-C transacties) zoals bedoeld in paragraaf 16.13 van de Leidraad accijns 1997.

Voordat toestemming wordt verleend, moet de desbetreffende vergunninghouder voldoende waarborgen treffen om de accijnsbelangen veilig te stellen en het toezicht daarop mogelijk maken.

Voor het verlenen van de toestemming gelden voorts de volgende voorwaarden:

De toestemming wordt opgenomen in de vergunning van de houder van de accijnsgoederenplaats of het geregistreerd bedrijf die de goederen laat afleveren aan zijn afnemer in Nederland.

De inspecteur kan in die vergunning nog nadere voorwaarden stellen aan het toezicht op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden.

Bij gebleken misbruik of indien aan één of meer van de hiervoor genoemde voorwaarden niet wordt voldaan wordt de verleende toestemming ingetrokken door aanpassing van de vergunning.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Na verloop van een jaar zal deze regeling in overleg met het bedrijfsleven worden geëvalueerd. De Europese besluitvorming omtrent dit onderwerp wordt bij deze evaluatie meegenomen. Hierna zal eventueel een aanpassing van deze regeling plaatsvinden.