Regeling · BWBR0019836
Besluit videoconferentie
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 januari 2006, 5396943/06/1;
Gelet op artikel 97 van de Vreemdelingenwet 2000;
De Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2006, nr. W03.06.0013/I);
Gezien het nader rapport van 28 april 2006, nr. 5415979/06/6 van Onze Minister van Justitie en Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage8 mei 2006BeatrixDe Minister van Justitie , J. P. H.DonnerDe Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie , M. C. F.Verdonkde twintigste juni 2006De Minister van Justitie , J. P. H.DonnerHet horen van een vreemdeling in een beroepsprocedure tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 94 en 96 van de Vreemdelingenwet 2000, kan per videoconferentie geschieden, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tussen de betrokken personen totstandkomt.
De rechtbank beslist of van videoconferentie gebruik wordt gemaakt.
In de navolgende gevallen wordt geen gebruik gemaakt van videoconferentie, tenzij met instemming van de verdachte of diens raadsman:
- a.
ten aanzien van de verdachte, die in de desbetreffende zaak wordt voorgeleid voor de rechter-commissaris in verband met de inbewaringstelling;
- b.
ten aanzien van de verdachte, bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer.
Van toepassing van videoconferentie wordt bovendien geen gebruik gemaakt indien de te horen persoon een zodanige auditieve of visuele handicap heeft waardoor redelijkerwijs kan worden verondersteld dat videoconferentie afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers.
In afwijking van het eerste lid kan van videoconferentie gebruik worden gemaakt indien de meervoudige kamer of de rechter-commissaris bepaalt dat videoconferentie noodzakelijk is in het bijzondere belang van de beveiliging van de zitting of van het vervoer naar of van de zitting.
Indien de te horen persoon schriftelijk wordt opgeroepen teneinde te worden gehoord, geeft deze oproep aan of tijdens het horen gebruik zal worden gemaakt van videoconferentie. De oproep vermeldt op welke wijze en binnen welke termijn hij kan aangeven zich niet te kunnen verenigen met het gebruik van videoconferentie.
De mededeling van de te horen persoon dan wel in voorkomende gevallen de officier van justitie, dat hij zich niet met de gebruikmaking van videoconferentie kan verenigen, wordt schriftelijk gedaan en bevat de gronden waarop het verzoek berust. De mededeling wordt gericht aan de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is belast.
Op een mededeling als bedoeld in het tweede lid wordt zo spoedig mogelijk beslist door de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is belast. Aan de te horen persoon en diens raadsman, onderscheidenlijk in voorkomende gevallen de officier van justitie, wordt de beslissing uiterlijk vierentwintig uur voor aanvang van het horen meegedeeld.
Indien geen schriftelijke oproep aan het horen voorafgaat, kan de te horen persoon, dan wel in voorkomende gevallen de officier van justitie, niet later dan direct bij aanvang van het verhoor aan de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is belast, mondeling dan wel schriftelijk mededelen zich niet te kunnen verenigen met het gebruik van videoconferentie, onder vermelding van de gronden. Op deze mededeling wordt beslist door de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is belast.
Het systeem door middel waarvan videoconferentie wordt toegepast, is zodanig ingericht dat:
- a.
de betrokken personen een natuurgetrouwe weergave krijgen van hetgeen zich in de andere ruimte afspeelt;
- b.
overleg kan worden gevoerd zonder dat dit voor derden hoorbaar is;
- c.
stukken kunnen worden uitgewisseld, en
- d.
het systeem is beveiligd tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking;
- e.
het systeem aan de internationale standaarden voldoet indien de videoconferentie plaatsvindt met een persoon die zich buiten Nederland bevindt.
Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere eisen worden gesteld aan het systeem, bedoeld in het eerste lid.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit videoconferentie.