U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2020.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 29 mei 2006 tot vaststelling van regels met betrekking tot de bijzondere opsporingsdiensten en de instelling van het functioneel parket (Wet op de bijzondere opsporingsdiensten)Wet op de bijzondere opsporingsdienstenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een afzonderlijke wet regels te stellen voor de bijzondere opsporingsdiensten, in verband met de samenhang van de rechtshandhaving en de democratische controle en ter verbetering van de handhaving van de ordeningswetgeving, alsmede de instelling van het functioneel parket;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage29 mei 2006BeatrixDe Minister van Justitie , J. P. H.DonnerDe Minister van Financiën , G.ZalmDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer , S. M.DekkerDe Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , C. P.VeermanDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid , A. J.de Geusde zevenentwintigste juni 2006De Minister van Justitie , J. P. H.Donner

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Er zijn vier bijzondere opsporingsdiensten, te weten:

Een bijzondere opsporingsdienst is onder gezag van de officier van justitie belast met:

De officier van justitie kan, onverlet de toepassing van artikel 80, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de betrokken opsporingsambtenaren de nodige aanwijzingen geven voor de vervulling van de in artikel 3 bedoelde taken.

De opsporingsambtenaar is bevoegd zijn taak uit te oefenen in het gehele land.

De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

Het College van procureurs-generaal kan Onze betrokken Minister adviseren over de uitoefening van de taken van de bijzondere opsporingsdienst en de feitelijke toepassing van de opsporingsbevoegdheden door de opsporingsambtenaren.

Onze betrokken Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie stellen, gehoord het College van procureurs-generaal, periodiek de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de taakuitoefening door de bijzondere opsporingsdiensten vast.

Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, wordt van de klacht onverwijld na de ontvangst daarvan afschrift gezonden aan het functioneel parket. Het hoofd van het functioneel parket wordt in de gelegenheid gesteld advies over de afhandeling van de klacht uit te brengen.

In afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de klacht afgehandeld binnen veertien weken na de ontvangst van het klaagschrift.

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie.

Wijzigt de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Wijzigt de Wet wapens en munitie.

Wijzigt de Politiewet 1993.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.