Beleidsregel · BWBR0019991

Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs

Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijsBeleidsregel doelmatigheid hoger onderwijsDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorzover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

Gelet op artikel 6.2, artikel 7.3a, tweede lid onder b en derde lid, en op artikel 7.17, tweede en derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW);

Besluit:

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.Rutte

Deze beleidsregel heeft betrekking op de volgende typen voornemens tot mutatie van het onderwijsaanbod:

Deze typen mutaties beïnvloeden het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs dan wel de spreiding van die voorzieningen, zoals bedoeld in de artikelen 6.2, eerste lid, en 7.17, derde lid, WHW, wat ook wel wordt aangeduid met het begrip macrodoelmatigheid. Onder dit begrip wordt verstaan een zo efficiënt mogelijke besteding van de rijksmiddelen voor de verzorging van initieel hoger onderwijs die zoveel mogelijk voldoet aan de behoeften van de samenleving in al haar geledingen. Deze bestelverantwoordelijkheid van de minister richt zich op het stimuleren van een grotere robuustheid ten behoeve van focus en massa in onderwijs en onderzoek. Dit kan impliceren dat het onontkoombaar is in te grijpen in keuzes van afzonderlijke instellingen, indien die keuzes zouden leiden tot een suboptimale uitkomst voor het hoger onderwijs en voor de samenleving in den brede. Initiatieven van instellingen die naar de mening van de minister op langere termijn negatieve effecten hebben op het maatschappelijke rendement en op een goede benutting van eerder gedane investeringen in kostbare infrastructuur zullen niet tot een positief oordeel kunnen leiden over de doelmatigheid. Deze beleidsregel vormt het toetsingskader voor deze oordeelsvorming, waarbij de minister zich kan laten bijstaan door een adviescommissie. Over de taakinvulling en de werkwijze van deze commissie volgt in de loop van 2006 nader bericht.

De minister beoordeelt het voornemen van een instelling tot het verzorgen van een nieuwe opleiding met het oog op een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, aan de hand van de volgende voorwaarden (criteria en vereisten):

Het voornemen moet minimaal voldoen aan één van de criteria a, b of c.2 en tevens aan de beide vereisten d en e.

Indien het voornemen voldoet aan het criterium c.1 moet het tevens voldoen aan één van de criteria a of b en tevens aan de beide vereisten d en e.

Indien het voornemen samenhangt met situaties die zijn aangegeven in de criteria c.1 of c.2, zal wat betreft het vereiste d een soepeler beoordeling plaatsvinden zoals hiervoor bij het vereiste d is aangegeven.

Indien meerdere voornemens voorliggen voor het realiseren van opleidingen die identiek of soortgelijk zijn, zal bij de beoordeling doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de mate waarin wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in dit artikel.

Bij de aanvraag tot beoordeling van het voornemen voor een nieuwe opleiding overlegt het instellingsbestuur aan de minister de hierna genoemde gegevens over de opleiding:

De minister beoordeelt het voornemen van het instellingsbestuur om een in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho) opgenomen opleiding of een gedeelte van een opleiding in één of meer andere gemeenten te vestigen om vast te stellen of het voornemen niet leidt tot een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs. Het voornemen dient daarvoor aan de volgende voorwaarden (criteria en vereisten) te voldoen:

Het voornemen moet minimaal voldoen aan één van de criteria a, b of c.2 en tevens aan de beide vereisten d en e.

Indien het voornemen voldoet aan het criterium c.1 moet het tevens voldoen aan één van de criteria a of b en tevens aan de beide vereisten d en e.

Indien het voornemen samenhangt met situaties die zijn aangegeven in de criteria c.1 of c.2, zal wat betreft het vereiste d een soepeler beoordeling plaatsvinden zoals hiervoor bij het vereiste d is aangegeven.

Indien meerdere voornemens voorliggen voor het realiseren van onderwijsaanbod in de vorm van een nieuwe vestigingsplaats die identiek of soortgelijk zijn, zal bij de beoordeling doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de mate waarin wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in dit artikel.

Bij de aanvraag tot beoordeling van het voornemen voor een nieuwe vestigingsplaats van een opleiding of een deel van een opleiding overlegt het instellingsbestuur aan de minister de hierna genoemde gegevens:

De minister beoordeelt het voornemen van het instellingsbestuur om een in het Croho opgenomen opleiding of een gedeelte daarvan te verplaatsen naar een andere gemeente om vast te stellen of het voornemen niet leidt tot een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs. Het voornemen dient daarvoor aan de volgende voorwaarden te voldoen:

Bij de aanvraag tot beoordeling van het voornemen tot verplaatsing van een opleiding of een deel van een opleiding overlegt het instellingsbestuur aan de minister de hierna genoemde gegevens:

De minister beoordeelt met inachtneming van het standpunt van de NVAO hieromtrent of het voornemen van het instellingsbestuur om twee of meer reeds in het Croho opgenomen opleidingen samen te voegen tot een verbrede opleiding al dan niet leidt tot het verzorgen van een nieuwe opleiding. Tevens beoordeelt de minister of er sprake is van het verzorgen van een opleiding in een nieuwe vestigingsplaats.

Het instellingsbestuur laat de wijzigingen in het Croho doorvoeren onder overlegging van het standpunt van de NVAO en het besluit van de minister waaruit blijkt dat de minister het standpunt van de NVAO bevestigt dat er op basis van een marginale toetsing geen indicaties zijn dat door de samenvoeging een nieuwe opleiding wordt ingesteld.

De IBG beëindigt de registratie van de oorspronkelijke opleidingen op het moment van registratie van de uit de samenvoeging voortkomende verbrede opleiding. Wanneer het instellingsbestuur ertoe besluit dat de oorspronkelijke opleidingen gefaseerd worden beëindigd, staat de eerste inschrijving in het eerste studiejaar van de oorspronkelijke opleidingen niet meer open op het moment dat de eerste inschrijving voor de verbrede opleiding mogelijk is.

Bij de aanvraag tot beoordeling van het voornemen tot samenvoeging van opleidingen overlegt het instellingsbestuur aan de minister de hierna genoemde gegevens:

Indien het instellingsbestuur een nieuwe opleiding op het moment van eerste registratie in het Croho in meer dan één gemeente wil vestigen, bevat de aanvraag zowel een voornemen in het kader van artikel 6.2 WHW als een voornemen in het kader van artikel 7.17 WHW.

De indiening van een voornemen voor een nieuwe opleiding vindt plaats binnen maximaal twee maanden na de datum van vaststelling van het NVAO-besluit over de toets nieuwe opleiding. De indiening van voornemens voor samenvoeging van opleidingen in het kader van verbreding van het onderwijsaanbod is niet aan een vaste termijn gebonden.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin deze beleidsregel is geplaatst en vervalt uiterlijk op 1 september 2009.

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs.

Voorafgaand aan de vaststelling van deze beleidsregel is overleg gevoerd met de instellingen in het hoger onderwijs, in casu met de HBO-raad en met de Vereniging van Universiteiten VSNU. Van de vaststelling van deze beleidsregel is mededeling gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Deze beleidsregel met de toelichting wordt geplaatst in de Staatscourant.