U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2007.

Regeling · BWBR0020112

Besluit landbouw milieubeheer

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 13 juli 2006, houdende regels voor akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt, melkrundveehouderijen, gemechaniseerde loonbedrijven, witloftrekkerijen, teeltbedrijven met eetbare paddestoelen, paardenhouderijen, kinderboerderijen, kleinschalige veehouderijen, spoelbassins en opslagen van vaste mest (Besluit landbouw milieubeheer)Besluit landbouw milieubeheerWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 oktober 2005, nr. DJZ2005186687, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377) en richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135) en de artikelen 8.40, 8.41, 8.42 en 21.8 van de Wet milieubeheer,

De Raad van State gehoord (advies van 1 februari 2006, nr. W08.05.0478/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juli 2006, nr. DJZ2006282748, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage13 juli 2006BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer , P. L. B. A. vanGeelDe Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , C. P.Veermande vijfde september 2006De Minister van Justitie , J. P. H.Donner

Indien op grond van een vergunning die in werking of onherroepelijk was, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking heeft op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor de witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, een termijn voor keuring niet is verstreken, is de termijn als bedoeld in dit besluit van toepassing vanaf het tijdstip na afloop van die termijn voor keuring.

Wijzigt het Besluit glastuinbouw.

Wijzigt het Besluit mestbassins milieubeheer.

Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.

Wijzigt dit besluit.

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit landbouw milieubeheer.

INHOUD

In deze bijlage wordt verstaan onder:

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, vanwege de vast opgestelde installaties en toestellen:

a. bedragen de niveaus op de plaatsen en tijdstippen, genoemd in tabel I, niet meer dan de in die tabel aangegeven waarden;

b. gelden de aangegeven waarden niet binnen een in- of aanpandige geluidgevoelige bestemming indien de gebruiker van die geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

Bij het bepalen van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

1.1.2 De waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van een geluidgevoelige bestemming zijn niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in een gebied waarvoor bij of krachtens een gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

In een dergelijk gebied bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet meer dan de waarden die zijn opgenomen in die gemeentelijke verordening. De waarden bedragen ten hoogste 5 dB(A) meer of minder dan de in tabel I opgenomen waarden.

Bij vaststelling van de waarden wordt ten minste rekening gehouden met het in het gebied heersende referentieniveau.

1.1.3 Voor het piekniveau vanwege de vast opgestelde installaties en toestellen, alsmede door de verrichte werkzaamheden en activiteiten:

a. bedragen de niveaus op de plaatsen en tijdstippen, genoemd in tabel II, niet meer dan de in die tabel aangegeven waarden;

b. zijn de in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en lossen, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid;

c. zijn de in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en lossen ten behoeve van de afvoer van tuinbouwprodukten door middel van groepsvervoer, voorzover dat ten hoogste een keer in de genoemde periode plaatsvindt;

d. gelden de aangegeven waarden binnen een in- of aanpandige geluidgevoelige bestemming niet indien de gebruiker van die geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

1.1.4 Geluidhinder door grondstomen met een installatie van derden, wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die de inrichting drijft, treft met het oog daarop maatregelen of voorzieningen die betrekking hebben op:

1.1.5 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de aan de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B, «Hinder voor personen in gebouwen», uitgave 2002 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet voorzover de gebruiker van een woning of geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingsmetingen.

1.1.6 Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1, blijft buiten beschouwing het stemgeluid van:

1.1.7 Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1, wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.

1.1.8 Bij het bepalen van de piekniveaus (LAmax), bedoeld in voorschrift 1.1.1, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

1.2.1 Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50.000 kWh elektriciteit, 25.000 m3 aardgasequivalenten aan aardgas en andere brandstoffen, treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die ertoe leiden dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is. Degene die de inrichting drijft, geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

1.2.2 Binnen een inrichting worden ten minste die energiebesparingsmaatregelen of energiebesparingsvoorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.3.1 Degene die de inrichting drijft:

1.3.2 Afvalstoffen worden van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Dat geldt in elk geval voor:

1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.3.4 Afvalstoffen worden niet verbrand. Afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover de nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, worden die maatregelen getroffen waarmee de grootst mogelijke bescherming tegen die gevolgen wordt geboden en waarbij gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.3.5 Bedrijfsafvalwater dat:

wordt niet in een riolering gebracht.

1.3.6 Bedrijfsafvalwater dat grove of snel bezinkende bedrijfsafvalstoffen of meststoffen bevat, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.7 Bedrijfsafvalwater afkomstig van een wasplaats voor het wassen van spuitapparatuur of van voertuigen die gebruikt zijn voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden, wordt niet in een openbaar riool gebracht.

1.3.8 Bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht;

1.3.9 Voorschrift 1.3.8 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

1.3.10 Bedrijfsafvalwater afkomstig van een wasplaats, met uitzondering van een wasplaats als bedoeld in voorschrift 1.3.7, of van een vulplaats van motorbrandstoffen voor motorvoertuigen, machines of apparatuur, dat:

wordt niet in het openbaar riool gebracht.

1.3.11 In afwijking van voorschrift 1.3.10 kan bedrijfsafvalwater, na behandeling in een slibvangput en olie-afscheider in een openbaar riool worden gebracht, indien de concentratie aan minerale oliën na de afscheider niet hoger is dan 200 mg/l in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2 uitgave december 2000.

1.3.12 Aan voorschrift 1.3.8 wordt ten aanzien van het in een openbaar riool brengen van plantaardige of dierlijke oliën of vetten in elk geval voldaan, indien:

1.3.13

1.3.14 Bedrijfsafvalwater afkomstig uit een ruimte als bedoeld in voorschrift 1.3.10 en bedrijfsafvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.12, onderdeel a, dat niet is geleid door een slibvangput en een olie- of vetafscheider als bedoeld in dat onderdeel, worden, alvorens vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

1.3.15 In de vloer van een ruimte waar minerale olie wordt gebruikt, is geen schrobput aanwezig die in verbinding staat met een riolering, tenzij tussen schrobput en riolering een olie-afscheider aanwezig is, die voldoet aan voorschrift 1.3.13.

1.4.1 Verwarmings- en stookinstallaties en verbrandingsmotoren zijn zo afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt.

1.4.2 Dampen die vrijkomen in een ruimte waarin anders dan voor personen die wonen of werken in de inrichting voedingsmiddelen worden bereid, worden zodanig afgezogen dat zij zich niet binnen de inrichting kunnen verspreiden. De afvoerleiding voor de dampen is gasdicht uitgevoerd.

1.4.3 De afgezogen dampen, bedoeld in voorschrift 1.4.2:

1.4.4 De dampen die worden afgezogen bij het bakken in olie of vet, frituren of het grillen, anders dan door een houtskoolgrill, worden, alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, geleid door een verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.

1.4.5 Voorschrift 1.4.3, onderdeel a, is niet van toepassing indien van de uittredende lucht van een ventilatiesysteem of luchtbehandelinginstallatie van een ruimte waarin voeding-middelen worden bereid, geen geurhinder kan worden ondervonden.

1.4.6 De voorschriften 1.4.2 en 1.4.3 zijn niet van toepassing indien voor de bereiding van voedingsmiddelen in de inrichting een elektrische frituurpan aanwezig is met een inhoud van niet meer dan 4 liter of kookketels aanwezig zijn met een inhoud van niet meer dan 25 liter.

1.4.7 Onverpakt zand of grond en ander fijnkorrelig materiaal, dat in een niet afgesloten ruimte is opgeslagen, wordt op een zodanige wijze opgeslagen, dat zand- of stofver-spreiding wordt voorkomen. Bij het tegengaan van zand- of stofverspreiding wordt gehandeld dan wel worden maatregelen getroffen in overeenstemming met paragraaf 3.8.1 van de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht.

1.5.1 De gevel van een permanente opstand van glas of kunststof waarin assimilatie-belichting wordt toegepast, is afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel, met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

1.5.2 Gedurende drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is voorschrift 1.5.1 niet van toepassing op een permanente opstand van glas of kunststof, waarin reeds voor dat tijdstip assimilatiebelichting werd toegepast en waar een afscherming als bedoeld in voorschrift 1.5.1 niet is aangebracht.

1.5.3 Voorschrift 1.5.2 is niet van toepassing, indien een voorziening of maatregel als bedoeld in voorschrift 1.5.1 was voorgeschreven in nadere eisen of in de vergunning.

1.5.4 De voorschriften 1.5.1 en 1.5.2 gelden vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang.

1.5.5 Van 1 september tot 1 mei vindt van 20.00 tot 24.00 uur geen lichtemissie als gevolg van toepassing van assimilatiebelichting plaats, tenzij de bovenzijde van de permanente opstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang op een zodanige wijze wordt afgeschermd dat de lichtuitstraling met tenminste 85% en ten hoogste 95% wordt gereduceerd.

1.5.6 De overige verlichting van gebouwen en open terreinen van de inrichting of verlichting ten behoeve van reclamedoeleinden, wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen.

1.5.7 De verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de open lucht is uitgeschakeld indien er geen sport wordt beoefend en in ieder geval tussen 23.00 en 07.00 uur.

1.6.1 In ruimten waar zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool. In die ruimten is de elektrische installatie uitgevoerd in overeenstemming met normen op het gebied van explosieveiligheid.

1.6.2 Gasflessen en daarmee in verbinding zijnde vaste leidingen

Indien meer dan 1000 liter brandbare gassen en zuurstof in gasflessen wordt opgeslagen, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 15 meter. Indien een brandmuur van voldoende grootte en met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 60 minuten tussen de opslagplaats en de woning aanwezig is, bedraagt de afstand ten minste 7,5 meter.

1.6.3 In de hoofdaanvoerleiding van (aard)gas is een afsluiter geplaatst. De plaats van de afsluiter is duidelijk aangegeven en goed bereikbaar. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven. Indien de afsluiter wordt afgesloten met een speciale sleutel, wordt die binnen de inrichting op een vaste, goed bereikbare plaats bewaard. Dit voorschrift is niet van toepassing op apparatuur vallend onder het Besluit drukapparatuur.

1.6.4 Acculaders, accu’s, noodstroomaggregaten en andere installaties waar explosieve gassen kunnen ontstaan, zijn tijdens het laden respectievelijk in werking zijn, opgesteld in een goed geventileerde ruimte. In die ruimte is geen schrobput aanwezig die in verbinding staat met een riolering.

1.6.5 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.6.6 Het verwisselen van een LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of transporthulpmiddel geschiedt in de buitenlucht.

1.6.7 Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmedium niet boven 200° C kan oplopen. Nabij een frituurtoestel is voor elke frituurbak een passend metalen deksel aanwezig waarmee de frituurbakken in geval van brand worden afgedekt.

1.6.8 Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden, zijn binnen de inrichting voldoende mobiele brandblusapparaten aanwezig.

1.6.9 In de inrichting worden uitsluitend gasflessen gevuld:

Het vulstation is ingericht en in gebruik overeenkomstig de voorschriften opgenomen in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 12 van de richtlijn CPR 11-5.

1.7.1 Indien het leidingwaterverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 5.000 m3 per jaar, treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die ertoe leiden dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van water wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is. Degene die de inrichting drijft, geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

1.7.2 Binnen een inrichting worden ten minste die waterbesparingsmaatregelen of waterbesparingsvoorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.8.1 Indien in enig voorschrift in dit besluit is bepaald dat een vloer vloeistofkerend is uitgevoerd of dat een vloeistofdichte lekbak wordt toegepast, wordt de vloer of de lekbak periodiek visueel geïnspecteerd. Voorkomen wordt dat vloeistoffen of vaste stoffen in de bodem terechtkomen. Daartoe zijn voldoende hulpmiddelen in de inrichting aanwezig.

1.8.2 Degene die voornemens is de inrichting of een gedeelte daarvan buiten werking te stellen, meldt dit voornemen voor het beëindigen aan het bevoegd gezag. In geval van het buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan, wordt een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het onderzoek richt zich op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormden. Binnen vier weken na het tijdstip van het buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan wordt het bevoegd gezag schriftelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek.

1.9 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen zoveel mogelijk voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

2.1.1 Een mestkelder voor de bewaring van dunne mest, welke geheel of gedeeltelijk onder een stal is gelegen en die tot stand is gebracht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen Mestbassins 1992, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Een mestkelder die tot stand is gebracht na 1 augustus 1991 en waarop het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer van toepassing was, is uitgevoerd overeenkomstig de Bouwtechnische Richtlijnen 1990, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Een mestkelder die tot stand is gebracht na 1 april 1994 en waarop het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer van toepassing was, is uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen Mestbassins 1992, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Een mestkelder waarop geen van de eerder genoemde richtlijnen van toepassing is, is ten minste mestdicht uitgevoerd.

Voor zover onder de stalvloer geen mestkelder is gelegen, is de stalvloer ten minste mestdicht uitgevoerd.

2.1.2 Het Besluit mestbassins milieubeheer met uitzondering van artikel 1, tweede en derde lid, is van toepassing op een mestbassin dat tot stand is gebracht op of na 1 juni 1987.

2.1.3 De opslag van dunne mest in een mestbassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987, is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften 1.1.1, 1.1.3, 1.1.4, 1.1.6, 1.8.2, 1.9.2, 1.9.3, 1.9.5, 1.9.6, 1.9.7, 2.1.2, 2.1.3, 2.1.5, 2.2.10, 2.3.5, 2.3.6, 2.3.7, 2.4.2, 2.4.3, 2.5.2, 2.5.3, 2.5.4, 3.7 en 3.9 van de Bouwtechnische Richtlijnen mestbassins 1987, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Bij vervanging worden nieuw geplaatste onderdelen van een mestbassin dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987, uitgevoerd overeenkomstig de Richtlijnen mestbassins 1992, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2.1.4 Bij het vullen of ledigen van een bassin of anderszins vindt geen verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater plaats.

2.1.5 Bij het aan- en afvoeren van dunne mest wordt de omgeving niet verontreinigd. Transport geschiedt in gesloten tankwagens of door een gesloten, mestdichte leiding.

2.1.6 Een mestbassin voor de opslag van dunne mest dat tot stand is gebracht voor 1 juni 1987 en waarbij geen afdekking is aangebracht, wordt:

2.2.1 Indien vaste mest, gebruikt substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval gedurende een half jaar of langer wordt opgeslagen, vindt die opslag plaats op een mestdichte vloer met opstaande randen of een ten minste gelijkwaardige voorziening. Uitzakkend vocht kan niet in contact treden met de bodem en het oppervlaktewater en wordt bewaard in een vloeistofdichte opslagruimte of vloeistofdichte voorziening.

2.2.2 Indien vaste mest, gebruikt substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval langer dan twee weken, maar korter dan een half jaar op een locatie wordt opgeslagen, vindt de opslag in elk geval plaats:

Indien de opgeslagen vaste mest, het gebruikt substraatmateriaal, het afgedragen gewas of het bloembollenafval wordt verwijderd, wordt de absorberende laag eveneens verwijderd.

2.2.3 Opslagplaatsen voor zand, grond en grind van onbekende kwaliteit of grond, zand en grind behorende tot categorie 1 of 2 als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer en zodanig ingericht dat contact met hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2.2.4 Voorschrift 2.2.3 is niet van toepassing op aanhangende grond die vrijkomt bij het reinigen van in de grond geteelde gewassen.

2.3.1 De opslag van vaste mest, gebruikt substraatmateriaal, afgedragen gewas of bloembollenafval of de locatie waar plantaardig restmateriaal wordt gecomposteerd, vindt plaats:

In afwijking van het eerste lid geldt voor de opslag van vaste mest op kinderboerderijen een afstand van 50 meter. Indien niet aan deze afstand kan worden voldaan wordt de vaste mest opgeslagen in een dichte container of gelijkwaardige voorziening en wordt de mest ten minste een keer per twee weken afgevoerd.

2.3.2 De opslag van veevoeder in de open lucht, vindt plaats op ten minste 25 meter afstand van een object categorie I, II, III, IV of V.

2.3.3 Indien de opslag van veevoeder in de open lucht, van gras, snijmaïs of de opslag van voederproducten met een droge stofgehalte lager dan 60%, niet zijnde knol of wortelgewassen of fruit, op minder dan 50 meter afstand plaatsvindt van een gevoelig object van categorie I, II, III, IV of V, is de veevoederopslag afgedekt, behoudens de periode dat veevoeder aan de veevoederopslag wordt toegevoegd of onttrokken.

2.3.4 De voorschriften 2.3.2 en 2.3.3 zijn niet van toepassing op in plastic folie verpakte veevoederbalen.

2.3.5 Na verwijdering van vaste mest, gebruikt substraatmateriaal, veevoeder, opgeslagen afgedragen gewas of bloembollenafval of gecomposteerd plantaardig restmateriaal, worden restanten direct opgeslagen of van het terrein van de inrichting afgevoerd.

2.3.6 De opslag van dunne mest vindt plaats op een afstand van ten minste 50 meter van een object categorie IV of V en ten minste 100 meter van een object categorie I, II of III. Indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige mestbassins minder bedraagt dan 350 m2, bedragen de afstanden, bedoeld in de eerste volzin, 25 respectievelijk 50 meter.

2.3.7 Voorschrift 2.3.6 is niet van toepassing indien de opslag van dunne mest is gelegen binnen de afstand als bedoeld in dat voorschrift en de opslag reeds in gebruik was voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Degene die de inrichting drijft:

2.3.8 De afstanden, genoemd in paragraaf 2.3 worden gemeten vanaf de buitenzijde van een object categorie I, II, III, IV of V tot het dichtstbijzijnde punt van de opslag respectievelijk de composteringsplaats.

2.4.1 De opslag van vaste mest, veevoeder in de open lucht, gebruikt substraatmateriaal, afgedragen gewas en bloembollenafval vindt plaats op ten minste 5 meter vanaf de insteek van het oppervlaktewater.

2.4.2 Plantaardig restmateriaal wordt gecomposteerd overeenkomstig de «Handreiking composteringsplaats voor bedrijven met bloembollenteelt 2003», uitgegeven door het Landelijk Milieuoverleg Bloembollenteelt.

2.5.1 Een tank voor de opslag van vloeibare (kunst)meststoffen is:

2.5.2 Bij dosering van kunstmeststoffen in doseervaten, wordt eerst voorgedoseerd met water, voordat de kunstmeststoffen worden toegevoegd.

2.5.3 Emballage gevuld met:

2.5.4 De opslag van nitraathoudende kunstmeststoffen vindt plaats op een afstand van ten minste 5 meter van een opslag met zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen. Deze afstanden gelden niet indien de opslagvoorzieningen van elkaar worden gescheiden door een doelmatige brandwerende constructie met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 60 minuten.

2.6.1 De opslag van of werkzaamheden met gevaarlijke stoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden geschieden overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen of gegevens op de verpakking en de etiketten of het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad.

2.6.2 Opslag van vloeibare of viskeuze gevaarlijke stoffen, brandbare vloeistoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden vindt plaats boven een ten minste vloeistofkerende vloer of in een vloeistofdichte lekbak. Werkzaamheden met vloeibare of viskeuze gevaarlijke stoffen, brandbare vloeistoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden vinden plaats boven een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak.

De vloeistofkerende vloer, de vloeistofdichte vloer of de vloeistofdichte lekbak is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen inwerking van de in gebruik zijnde stoffen. De vloeistofkerende vloer, vloeistofdichte vloer of vloeistofdichte lekbak is permanent tegen inregenen beschermd. De vloeistofkerende vloer vormt samen met wanden, drempels of opstaande randen een vloeistofkerende opvangvoorziening.

Indien in de opvangvoorziening of lekbak zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen, moet de opvangvoorziening of de lekbak 100% van die vloeistoffen kunnen opvangen.

Indien boven de opvangvoorziening of lekbak andere gevaarlijke vloeistoffen, brandbare vloeistoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden opgeslagen, is de inhoud van de opvangvoorziening of lekbak ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de inhoud van de andere opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen, brandbare vloeistoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden.

2.6.3 Gevaarlijke stoffen, brandbare vloeistoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen.

2.6.4 Indien buiten de werkvoorraden meer dan 25 kilogram of liter gevaarlijke stoffen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden in emballage wordt opgeslagen, vindt de opslag plaats in een of meer speciaal daarvoor bestemde ruimte(n).

2.6.5 De constructie van en de wijze van opslag in de opslagruimte voor gevaarlijke stoffen in emballage voldoen aan richtlijn CPR 15-1. In de inrichting wordt ten hoogste 10.000 kilogram gevaarlijke stoffen in emballage opgeslagen. Indien in een opslagruimte voor gevaarlijke stoffen meer dan 2.500 kilogram gevaarlijke stoffen aanwezig is, bedraagt de afstand tussen de opslagruimte en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20 meter.

2.6.6 Indien meer dan 400 kilogram gewasbeschermingsmiddelen of biociden in emballage wordt opgeslagen, voldoet de constructie van en de wijze van opslag in de opslagruimte voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden aan richtlijn CPR 15-3. Indien in een opslagruimte voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden meer dan 2.500 kilogram gewasbeschermingsmiddelen of biociden aanwezig is, bedraagt de afstand tussen de opslagruimte en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20 meter.

2.6.7 De opslag van accu's vindt plaats boven een ten minste vloeistofkerende vloer of vloeistofdichte lekbak, die bestand is tegen het aanwezige electrolyt. Accu's worden rechtop opgeslagen. De vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is permanent tegen inregenen beschermd.

2.6.8 De opslag in een bovengrondse tank van brandbare vloeistoffen met een vlampunt tussen 55° C en 100° C, voldoet aan richtlijn CPR 9-6, waarvan de voorschriften 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet gelden voor een bovengrondse tank die is opgericht voor 1 juni 1996.

Een bovengrondse tank die is opgericht voor 1 juni 1996 waarvan:

wordt, in afwijking van de voorschriften 4.5.2 en 4.5.12 van richtlijn CPR 9-6, uiterlijk 1 juni 2011 buiten gebruik gesteld.

2.6.9 De opslag van petroleum en afgewerkte olie in een bovengrondse tank vindt plaats overeenkomstig voorschrift 2.6.8.

2.6.10 Binnen de inrichting worden:

2.6.11 Binnen de inrichting wordt geen strooizout opgeslagen anders dan onder een overkapping en boven een vloeistofkerende vloer. Het formaat van de overkapping is zodanig dat de vloeistofkerende vloer, permanent tegen inregenen is beschermd.

2.7.1

2.7.2 Een dompelbad waarin gewerkt wordt met gewasbeschermingsmiddelen of biociden is opgesteld boven een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak. Gedompelde producten en de tijdens het dompelen gebruikte emballage waar nog gewasbeschermingsmiddelen of biociden uit kunnen lekken, worden boven het dompelbad, boven een vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak bewaard. Een buitenopslag voor gedompelde producten of voor tijdens het dompelen gebruikte emballage, is tegen inregenen beschermd.

2.8.1 Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.

2.8.2 Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.

2.9.1 Een spoelbassin voor de opvang van spoelwater dat vrijkomt bij het wassen van in de grond geteelde gewassen met een spoelmachine, is ontworpen en wordt aangelegd en onderhouden overeenkomstig de richtlijnen in de Handreiking aanleg, beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2.9.2 Voor de ingebruikname van een spoelbassin wordt door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige een oplevercontrole overeenkomstig de handreiking, genoemd in voorschrift 2.9.1, uitgevoerd. Eenmaal per vijf jaar, waarbij de perioden tussen de inspecties van een vergelijkbare tijdsduur zijn, wordt een inspectie op de deugdelijkheid van het spoelbassin uitgevoerd. Resultaten van een controle of inspectie worden binnen drie maanden na uitvoering van de controle of inspectie aan het bevoegd gezag overgelegd.

2.9.3 Bij een spoelbassin met een hydrologische isolatie, vormt het deel van de bodem dat zich bevindt tussen het spoelbassin en de drainagebuizen onderdeel van het spoelbassin.

2.9.4 Een spoelbassin dat is aangelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt binnen drie jaar na dat tijdstip in overeenstemming gebracht met de voorschriften 2.9.1 en 2.9.2. Van een dergelijk spoelbassin wordt voor de ingebruikname als bedoeld in voorschrift 2.9.2 een rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem aan het bevoegd gezag overgelegd.

2.10.1 Een pomp voor het afleveren van motorbrandstoffen is:

Een pomp voor het afleveren van benzine of petroleum is in de buitenlucht opgesteld.

2.10.2 De elektrische installatie van een pomp kan zowel aan de pomp als bij een hoofdschakelaar worden uitgeschakeld. De schakelstanden zijn duidelijk zichtbaar.

2.10.3 De pompkast van een elektrische pomp is voldoende geventileerd. De uitsparing in de pompkast waarin de vulafsluiter van de afleverslang in ruststand wordt geborgen, is gasdicht van het inwendige van de pompkast afgesloten.

2.10.4 Aflevering van motorbrandstof vindt niet plaats indien:

2.10.5 Het afleveren van motorbrandstoffen met een pomp vindt plaats boven een daartoe bestemde tankplaats. Die tankplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer of vloeistofdichte voorziening, die zich vanaf het aflevertoestel uitstrekt over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus 1 meter, met een minimum van 5 meter. Tot dat vloeistofdichte gedeelte wordt tevens gerekend dat deel waarop het aflevertoestel is geplaatst tot op een afstand van 1 meter vanaf het aflevertoestel aan de zijde waar zich geen tankende motorvoertuigen of landbouwwerktuigen kunnen opstellen. In afwijking van het voorgaande kan met een vloeistofkerende vloer worden volstaan indien aflevering uitsluitend plaatsvindt aan voertuigen die niet bestemd zijn voor wegvervoer en die bestemd zijn voor eigen bedrijfsmatig gebruik, waarbij een jaaromzet van ten hoogste 25.000 liter wordt bereikt.

2.11.1 Motorvoertuigen of landbouwtractoren of onderdelen van motorvoertuigen of landbouwtractoren worden indien bodembedreigende vloeistoffen vrij kunnen komen, onderhouden of gerepareerd boven een vloeistofdichte vloer, een vloeistofdichte lekbak of een vloeistofkerende vloer. Apparaten of machines waar met bodembedreigende vloeistoffen wordt gewerkt, zijn geplaatst in een vloeistofdichte lekbak.

De vloeistofdichte vloer, vloeistofdichte lekbak of vloeistofkerende vloer is zodanig in omvang gedimensioneerd dat de bovengenoemde werkzaamheden boven de vloer kunnen plaatsvinden.

2.11.2 Bij het proefdraaien, testen of keuren van verbrandingsmotoren anders dan in de open lucht, worden de uitlaatgassen op een zodanige wijze afgevoerd dat voldoende verspreiding in de omgeving plaatsvindt.

2.11.3 Tijdens het schoonmaken van remvoeringen worden maatregelen getroffen om verspreiding van stof en eventuele asbestvezels buiten de inrichting te voorkomen.

2.11.4 Werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir of andere delen van een motorvoertuig die brandstof bevatten. In de werkplaats en in enig ander gebouw van de inrichting worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen of landbouwwerktuigen bijgevuld. De brandstofreservoirs zijn, behoudens tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.

2.11.5 Een brander van een hogedrukreiniger is voorzien van een vlambeveiliging.

2.11.6 Een brandstoftank van een hogedrukreiniger heeft onder normale bedrijfsomstandigheden geen hogere temperatuur dan 40° C.

2.11.7 Een werkplaats is zodanig geventileerd dat, ter voorkoming van brand- of explosiegevaar, gassen of dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden, voldoende worden afgevoerd.

2.12 Het reinigen van werktuigen of transportmiddelen waarbij afvalwater ontstaat, vindt plaats op een daartoe bestemde wasplaats die ten minste is uitgevoerd als een vloeistofkerende vloer. Indien met werktuigen of transportmiddelen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn vervoerd of verspreid is de wasplaats voorzien van een vloeistofdichte vloer of vloeistofdichte voorziening en wordt het afvalwater afgevoerd naar een vloeistofdichte opvangvoorziening.

2.13 De verontreinigde waterstroom die ontstaat bij het ontsmetten met gewasbeschermingsmiddelen of biociden van gebouwen, huisvestingssystemen of installaties, wordt direct of door een gesloten leiding of een gesloten bedrijfsriolering naar een vloeistofdichte opvangvoorziening afgevoerd.

2.14.1 Bij substraatteelt wordt overtollig gietwater of drainwater niet door middel van een systeem van onderbemaling gerecirculeerd.

2.14.2 Voorschrift 2.14.1 is niet van toepassing indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij substraatteelt door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd. In een dergelijk geval:

Binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige beoordeeld of aan de criteria, genoemd in de onderdelen a tot en met c, wordt voldaan. Een bewijs van de beoordeling afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, wordt binnen de inrichting bewaard.

2.15 Een koel- of vriesinstallatie of een warmtepomp, met als koudemiddel ammoniak, alsmede de ruimte waarin deze zich bevindt, dienen te voldoen aan CPR 13-2. Een koel- of vriesinstallatie of een warmtepomp met als koudemiddel propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan dient te voldoen aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn 7600, toepassing van natuurlijke koudemiddelen in koelinstallaties en waterpompen, uitgave maart 2001.

3.1.1 De inrichting is ordelijk, wordt regelmatig schoongemaakt en verkeert in goede staat van onderhoud. Insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden regelmatig en ten minste zo vaak als nodig is, bestreden en verwijderd. Vaste mest in een buitenrijbak wordt zo vaak als nodig is verwijderd.

3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen, (diesel)olie of afgewerkte olie worden direct opgeruimd en zo snel mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd.

De aard en de hoeveelheid van de absorptie- of neutralisatiemiddelen zijn afgestemd op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen en op de omvang van de werkzaamheden.

3.1.3 Indien aan emballage lekkage ontstaat, wordt die lekkage onmiddellijk verholpen. Bij lekkage wordt voorkomen dat:

3.1.4 Binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd.

3.2.1 Aan een verwarmings- of stookinstallatie en een verbrandingsgasafvoersysteem wordt ten minste eenmaal per jaar onderhoud verricht. Een verwarmings- of stookinstallatie met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, wordt bij ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per twee jaar geïnspecteerd op een goed en veilig functioneren en op de noodzakelijke afstelling teneinde aan voorschrift 1.4.1 te voldoen. Zowel het toevoersysteem van de brandstof als het afvoersysteem van het verbrandingsgas maken onderdeel uit van de inspectie.

3.2.2 Inspectie, onderhoud en afstelling van de verwarmings- of stookinstallatie geschieden door een onderneming die:

3.2.3 Een olie- of vetafscheider en een slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid:

3.2.4 Van het ledigen en reinigen van een olie- of vetafscheider en een slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid, wordt een logboek bijgehouden.

3.2.5 Van een afzuiginstallatie als bedoeld in voorschrift 1.4.2 wordt:

3.2.6

3.2.7 Indien gevaarlijke stoffen, afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, stelt degene die de inrichting drijft, voorschriften op waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage, de vloeistofdichte vloer, de vloeistofdichte lekbak of de vloeistofkerende vloer, worden gecontroleerd op lekkages, bodembeschermende aspecten en vloeistofdichtheid.

3.2.8 Indien bij werkzaamheden bedrijfsafvalwater vrij kan komen, stelt degene die de inrichting drijft, voorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu en een doelmatige afvoer van het bedrijfsafvalwater. Daarbij wordt in elk geval aangegeven hoe het afvalwater kan worden bemonsterd.

3.2.9 De voorschriften, bedoeld in de voorschriften 3.2.7 en 3.2.8, zijn binnen een inrichting zodanig aanwezig dat een ieder daarvan op een eenvoudige wijze kennis kan nemen.

3.2.10 Een foliebassin wordt op mestdichtheid gecontroleerd door of namens een door de Raad voor Accreditatie voor die controle erkende onderneming, door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige, binnen vijf jaar nadat de folie is aangebracht en binnen vijf jaar na de laatste controle.

3.2.11 Delen van de bouwconstructie alsmede de afdekking van een bassin en kruinslab worden voor het verstrijken van de referentieperiode als bedoeld in de van toepassing zijnde richtlijnen mestbassins vervangen, tenzij een beoordeling door of namens een door de Raad voor Accreditatie voor die beoordeling erkende onderneming, door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige uitwijst dat de referentieperiode kan worden verlengd. In het bewijs van de beoordeling is de verlengde referentieperiode voor de desbetreffende onderdelen van de bouwconstructie, afdekking of kruinslab opgenomen.

3.3.1 Voorzover documenten voor de inrichting zijn afgegeven of documenten op grond van dit besluit moeten worden bijgehouden, worden in elk geval de volgende documenten of een kopie daarvan, gedurende ten minste vijf jaar na dagtekening van die documenten in de inrichting bewaard:

3.3.2. Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven, worden de PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening, het daarbij behorende inspectierapport en de documenten waaruit blijkt dat de controles, bedoeld in voorschrift 3.2.6, onderdeel f, zijn uitgevoerd, gedurende zes jaar na dagtekening bewaard.

4.1.1 In gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 opgenomen waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag bij nadere eisen waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan die waarden.

4.1.2 Het bevoegd gezag stelt slechts hogere waarden als bedoeld in voorschrift 4.1.1, mits binnen geluidgevoelige bestemmingen die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van ten hoogste 35 dB(A) is gewaarborgd. De etmaalwaarde, bedoeld in de eerste volzin, geldt niet indien de gebruiker van die geluidgevoelige bestemmingen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen, kan het bevoegd gezag bij nadere eisen vaststellen op welke afstand van de inrichting de in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 bedoelde waarden gelden.

4.1.4 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot voorzieningen die binnen de inrichting worden aangebracht en gedragsregels die in acht worden genomen teneinde aan de voorschriften 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, 4.1.1 en 4.1.3 te voldoen.

4.1.5 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot binnen de inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.1.4.

4.1.6 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot geluidniveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten.

4.2.1 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:

Een onderzoek als bedoeld in onderdeel a wordt niet vaker dan eenmaal in de vijf jaar voorgeschreven, tenzij de omstandigheden in de inrichting zodanig zijn gewijzigd dat dat ter uitvoering van voorschrift 1.3.1 noodzakelijk is.

4.2.2 Nadere eisen als bedoeld in voorschrift 4.2.1, onder b, betreffen niet de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen, die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.2.3 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in de voorschrift 1.3.2 en 1.3.4 en gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.3.

4.2.4 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.8 of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.9, wordt gebracht.

4.2.5 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de regelmatige afvoer van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.4 en de plaats van een controlevoorziening als bedoeld in voorschrift 1.3.14.

4.3. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:

4.4 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de wijze van afscherming, als bedoeld in voorschrift 1.5.1 of 1.5.5.

4.5. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en de wijze van de opslag van gasflessen als bedoeld in voorschrift 1.6.2 onderdeel e.

4.6 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot te treffen voorzieningen en maatregelen, als bedoeld in de voorschriften 1.8.1, 2.2.3, 2.5.1, 2.5.3, 2.6.2, 2.7.1, 2.7.2, 2.11.1, 2.12, en met betrekking tot in acht te nemen gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, InfoMil, uitgave juli 2003;

4.7 Het bevoegd gezag kan wat betreft de omvang en het afdekken van een opslag, en de frequentie van afvoer nadere eisen stellen met betrekking tot het:

4.8 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de locatie van de opstelling van het dompelbad, de gedompelde producten en de emballage als bedoeld in voorschrift 2.7.2.

4.9 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen die de doelmatige werking van het huisvestingssysteem waarborgen in verband met de beperking van de ammoniakemissie, als bedoeld in paragraaf 2.8.