U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 09-12-2016.

Regeling · BWBR0020183

Besluit Participatiewet

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007)Besluit ParticipatiewetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/54989;

Gelet op de artikelen 40, eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid, 73, derde lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus 2006, nr. W&B/SFI/06/62412;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden geplaatst.

’s-Gravenhage16 augustus 2006BeatrixDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,H. A. L. vanHoofde negenentwintigste augustus 2006De Staatssecretaris van Justitie ,J. P. H.Donner

In dit besluit wordt verstaan onder:

Voor een gemeente met 15.000 inwoners of minder is de budgetgrondslag gelijk aan de som van de gemeentelijke lasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004.

De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en ontslagen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Wijzigt het Besluit uitkeringen gemeenten IOAW en IOAZ.

Het Besluit WWB wordt ingetrokken.

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a, 10b, 10c en 10d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze artikelen in de praktijk.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Participatiewet.

Bij de berekening van de uitkering aan gemeenten op grond van artikel 69, eerste lid,van de Participatiewet, wordt voor elke gemeente een grondslag berekend. Voor de kleine gemeenten met 15.000 inwoners of minder is dit het historisch bepaalde budget: de lasten, opgeschaald met de groei of krimp in huishoudens. Bij de berekening van de grondslag voor gemeenten met meer dan 15.000 inwoners wordt gebruikgemaakt van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten (dit betreft de kosten van loonkostensubsidie en algemene bijstand op grond van de Participatiewet, inclusief de bijstand aan startende ondernemers op grond van het Bbz 2004 en uitkeringen IOAW en IOAZ). Deze worden, op grond van artikel 6, vastgesteld aan de hand van een objectief verdeelmodel. Dit objectief verdeelmodel is opgenomen in deze bijlage.

Voor gemeenten tussen de 15.000 en 40.000 inwoners worden de budgetten niet geheel vastgesteld op basis van de uitkomsten van het objectief verdeelmodel. Voor deze groep gemeenten wordt zowel het historisch als het objectief bepaalde budget berekend. Welk deel objectief en welk deel op basis van de gemeentelijke lasten wordt bepaald hangt af van het aantal inwoners. Bij een stijgend aantal inwoners loopt het aandeel dat objectief wordt bepaald lineair op van 0% bij 15.000 inwoners tot 100% bij 40.000 inwoners. Voor middelgrote gemeenten wordt allereerst berekend wat het budget zou zijn geweest van de gemeente als dit volledig historisch zou zijn bepaald. Dit budget wordt vermenigvuldigd met het voor de gemeente berekende aandeel dat historisch wordt bepaald. Met het objectieve verdeelmodel worden vervolgens de te verwachten bijstandsuitgaven voor zowel middelgrote als grote gemeenten berekend. Voor een middelgrote gemeente wordt het berekende bedrag vermenigvuldigd met het voor de gemeente berekende aandeel dat objectief wordt bepaald. Het historisch bepaalde deel van de grondslag en het objectief bepaalde deel van de grondslag worden bij elkaar opgeteld.

De uitkomsten van het verdeelmodel worden zo geijkt dat het totaal van de grondslagen van de middelgrote en grote gemeenten samen precies gelijk zijn aan het macrobudget dat beschikbaar is voor middelgrote en grote gemeenten. De eerst voor middelgrote gemeenten bepaalde historische delen van de grondslag staan hierbij vast en wijzigen dus niet. Deze systematiek zorgt ervoor dat de uitkomst van het verdeelmodel voor een grote gemeente direct het budget is dat de gemeente ontvangt. De berekende grondslag is dus gelijk aan het budget. Ook voor middelgrote gemeenten is de grondslag gelijk aan het budget al wordt de grondslag voor deze gemeenten niet alleen objectief berekend. Het totale bedrag dat beschikbaar is voor gemeenten met 15.000 inwoners of minder is gelijk aan het aandeel van de som van de gemeentelijke lasten van gemeenten met minder dan 15.000 inwoners ten opzichte van de som van alle gemeentelijke lasten (compartimentering). De gemeentelijke lasten zijn de historische uitgaven van twee jaar eerder, opgeschaald met de groei of krimp in huishoudens. Het resterende budget is beschikbaar voor de gemeenten met meer dan 15.000 inwoners.

De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten is een verklaringsmodel. Dit verklaringsmodel beoogt inzichtelijk te maken welke factoren bepalend zijn voor de kans dat een (particulier) huishouden een bijstandsuitkering ontvangt. Tabel 1 geeft inzicht in de variabelen die in het verklaringsmodel zijn opgenomen, alsmede de bron waaraan deze gegevens zijn ontleend. De parameters (gewichten) van het verklaringsmodel zullen in een ministeriële regeling worden vastgelegd.

Het verklaringsmodel is (grotendeels) gebaseerd op de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Aangezien dit een steekproef is, zijn hierin niet de gegevens van alle huishoudens (in een gemeente) opgenomen. Voor het omzetten van de resultaten van het verklaringsmodel in feitelijke budgetaandelen voor gemeenten wordt daarom gebruikgemaakt van microsimulatie. Hierbij wordt het databestand voor alle gemeenten zodanig herwogen dat het representatief is voor die gemeente. Als een gemeente dus bijvoorbeeld 30.000 huishoudens en 50.000 inwoners heeft waarvan 25% laag opgeleid is, en 48% in een koopwoning woont, dan wordt het databestand voor deze gemeente zodanig aangepast dat het volledig aan deze kenmerken voldoet. Voor de herweging wordt gebruik gemaakt van de Linear Truncated-methode, zoals beschreven in Singh and Mohl (1996) als methode 5, waarbij de ondergrens (U) op nul gezet wordt terwijl de bovengrens (L) vrij wordt gelaten.1

Hierbij wordt een startverdeling (hiervoor wordt in dit geval de landelijke verdeling gebruikt op basis van de EBB) zodanig aangepast dat het databestand representatief is voor de betreffende gemeente. Bij dit representatief maken worden minimaal de kenmerken van gemeenten uit tabel 2 gebruikt. De te hanteren peiljaren van deze gegevens worden in een ministeriële regeling vastgelegd. In deze ministeriële regeling kan ook worden bepaald dat meer gegevens dan die in tabel 2 worden gebruikt met als doel de representativiteit verder te verbeteren.

Na het representatief maken kan met de coëfficiënten uit het verklaringsmodel de kans op bijstand voor elk huishouden in het bestand bepaald worden. Die kans wordt bepaald op basis van de huishoudenskenmerken waarbij ook rekening wordt gehouden met de omgevingskenmerken uit tabel 1 en het effect van het COROP-gebied. Hierbij worden alle buurten met dezelfde leefbaarheid bij elkaar genomen, waarbij de gemiddelde WOZ-waarde van die buurten wordt toegepast bij de berekening van de kansen van de desbetreffende huishoudens. De peiljaren en peildata van de omgevingskenmerken worden ook vastgelegd in de genoemde ministeriële regeling.

Vervolgens wordt aan de hand van de bruto bijstandsbedragen (op jaarbasis) bepaald hoeveel een huishouden zou ontvangen op basis van de leefvorm van het huishouden (paar of alleenstaande). De bruto bijstandsbedragen zijn afgeleid van de netto bijstandsbedragen zoals deze in juni voorafgaand aan het uitvoeringsjaar per ministeriële regeling bekend worden gemaakt. In combinatie met de kans op bijstand geeft dit het verwachte bedrag aan bijstand dat de gemeente aan dit huishouden moet uitgeven gezien het risicoprofiel van het huishouden. De verwachte bedragen per huishouden worden voor alle huishoudens binnen het representatief gemaakte bestand opgeteld.

Bij de vaststelling van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten worden de verdeelkenmerken gehanteerd die hierboven zijn omschreven. De budgetberekening geschiedt op grond van de cijfers zoals die bij het vaststellen van de verdeling bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beschikbaar zijn. Indien deze cijfers hierna nog wijzigen (bijvoorbeeld door toepassing van een alternatieve meetmethode of nagekomen informatie), dan zullen de budgetten hiervoor niet worden aangepast. Indien vanwege ontbrekende data (bijvoorbeeld doordat het aantal waarnemingen zo klein is dat het CBS geen cijfers vrijgeeft) geen goede berekening kan worden gemaakt van de uitkeringskosten zal voor deze data een redelijke benadering worden toegepast.

Geregeld vinden er herindelingen en fusies van gemeenten plaats. In die gevallen is het nodig om vast te stellen welke waarden van de verdeelkenmerken voor de nieuwe gemeenten zullen worden toegepast. In die gevallen zal voor de nieuwe gemeenten een redelijke schatting worden gemaakt van de toestand zoals die op het moment van vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was ingegaan.