U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2017.

Regeling · BWBR0020183

Besluit Participatiewet

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007)Besluit ParticipatiewetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/54989;

Gelet op de artikelen 40, eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid, 73, derde lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus 2006, nr. W&B/SFI/06/62412;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden geplaatst.

’s-Gravenhage16 augustus 2006BeatrixDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,H. A. L. vanHoofde negenentwintigste augustus 2006De Staatssecretaris van Justitie ,J. P. H.Donner

In dit besluit wordt verstaan onder:

Vervallen

Vervallen

In afwijking van artikel 3 wordt de uitkering voor een gemeente in het jaar 2017 berekend aan de hand van de volgende formule:

U = 0.25 * L/ TL * TB + 0,75 * (BO + BL + BDT) + BV

Waarbij:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Wijzigt het Besluit uitkeringen gemeenten IOAW en IOAZ.

Het Besluit WWB wordt ingetrokken.

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a, 10b, 10c en 10d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze artikelen in de praktijk.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Participatiewet.

Deze bijlage bevat een nadere toelichting bij de verdeelsystematiek zoals deze is beschreven in artikel 3 van het Besluit. Daarnaast bevat deze bijlage een toelichting op het verdeelmodel zoals genoemd in artikel 6 van het Besluit.

De wijze waarop de uitkering voor gemeenten wordt vastgesteld is afhankelijk van het aantal inwoners. Voor gemeenten met 15.000 inwoners of minder (kleine gemeenten) wordt de uitkering volledig historisch bepaald. Dit betekent dat het budget wordt berekend op basis van de historisch gerealiseerde gemeentelijke lasten, waarbij rekening wordt gehouden met de groei of krimp van het aantal huishoudens in de tussenliggende periode. Concreet betekent dit dat het uitgavenaandeel in jaar t-2 (gecorrigeerd voor groei en krimp van huishoudens tussen 1 januari t-2 en 1 januari t-1) gelijk is aan het budgetaandeel in jaar t. Voor de bepaling van de uitkering wordt dit budgetaandeel (ofwel gecorrigeerde uitgavenaandeel) vermenigvuldigd met het voor jaar t beschikbare macrobudget.

Voor de vaststelling van de uitkering voor gemeenten met meer dan 40.000 inwoners (grote gemeenten) wordt gebruik gemaakt van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten. Deze worden op grond van artikel 6 van het besluit bepaald aan de hand van een objectief verdeelmodel. Een toelichting op dit objectief verdeelmodel is opgenomen in het vervolg van deze bijlage. Voor de uitkering aan dak- en thuislozen ontvangen deze gemeenten een aparte extra uitkering. Een toelichting hierop is ook opgenomen in deze bijlage.

Voor de vaststelling van de uitkering voor gemeenten tussen de 15.000 en 40.000 inwoners (middelgrote gemeenten) wordt deels gebruik gemaakt van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten (plus de uitkering voor dak- en thuislozen) en wordt deels gebruik gemaakt van de gerealiseerde gemeentelijke lasten (gecorrigeerd voor groei of krimp van huishoudens). Voor deze groep gemeenten bestaat de uitkering dus uit een objectief en een historisch bepaald deel. Welk deel objectief en welk deel historisch wordt bepaald hangt af van het aantal inwoners. Bij een stijgend aantal inwoners loopt het aandeel dat objectief wordt bepaald lineair op van 0% bij 15.000 inwoners tot 100% bij 40.000 inwoners. Voor deze gemeenten wordt allereerst berekend wat het budgetaandeel zou zijn als dit volledig historisch zou zijn bepaald. Net als bij kleine gemeenten wordt hierbij rekening gehouden met de groei of krimp van het aantal huishoudens in de tussenliggende periode. Dit budgetaandeel wordt vermenigvuldigd met het voor de gemeente berekende aandeel dat historisch wordt bepaald en het beschikbare macrobudget. Het resultaat hiervan is het historisch verdeelde deel van de uitkering.

De objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten worden bepaald op basis van de uitkomsten van het objectieve verdeelmodel. Het verdeelmodel berekent een objectieve grondslag die vervolgens gebruikt wordt om een budgetaandeel te berekenen in het objectief te verdelen deel van het macrobudget. De formule hiervoor is te vinden in artikel 3 van het Besluit. Het budgetaandeel wordt berekend door eerst het product te berekenen van 1) het objectief te verdelen percentage (m in de formule uit het besluit) en 2) de objectieve grondslag. Dit product wordt vervolgens gedeeld door de som van dit product voor alle gemeenten. De uitkomst hiervan (een budgetaandeel) wordt vermenigvuldigd met het objectief te verdelen deel van het macrobudget. Het resultaat is het objectief vastgestelde deel van de gemeentelijke uitkering. Het objectief te verdelen deel van het macrobudget wordt bepaald door op het totaal beschikbare macrobudget alle historisch verdeelde (delen van de) uitkeringen en de uitkeringen voor dak- en thuislozen in mindering te brengen. Deze systematiek garandeert dat de historisch verdeelde uitkeringen en de uitkeringen ten behoeve van dak- en thuislozen onafhankelijk van de objectieve verdeling worden vastgesteld.

Voor alle gemeenten worden ten slotte het objectief berekende deel van de uitkering, het historisch berekende deel van de uitkering en de uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen bij elkaar opgeteld. Alle gemeenten ontvangen daarnaast eenmalig voor het jaar 2017 een uitkering ten behoeve van vergunninghouders die in de periode januari tot en met juli 2016 gehuisvest zijn. Een toelichting hierop is opgenomen in deze bijlage.

Alle uitkeringsdelen bij elkaar opgeteld vormen het voorlopig budget van gemeenten. Dit budget wordt uiterlijk drie maanden voor het begin van het uitvoeringsjaar bekend gemaakt aan gemeenten. Op basis van het voorlopig budget wordt voor elke gemeente het aandeel berekend in het totaal beschikbare voorlopige macrobudget. Dit budgetaandeel wordt per beschikking aan gemeenten bekend gemaakt en wijzigt daarna niet meer. Het macrobudget kan nog wel wijzigen op grond van artikel 71, eerste lid van de Pw waarmee het gemeentelijk budget ook kan wijzigen. Het definitieve macrobudget voor het lopende uitvoeringsjaar wordt in beginsel bekend gemaakt tegelijk met de bekendmaking van het voorlopig macrobudget voor het volgende uitvoeringsjaar. Gemeenten ontvangen een beschikking met het definitieve budget.

De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten is een niet-lineair (logit) verdeelmodel met indicatoren op meerdere niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau. Hiermee wordt de kans op bijstand voor een huishouden ingeschat. Het huishouden is het niveau waarop gemeenten bepalen of recht op bijstand bestaat en hiermee sluit het verdeelmodel aan bij de praktijk van bijstandverlening. De kans op bijstand (te verklaren variabele) is bepaald op peildatum 5 januari 2014.

Bij het bepalen van de kans op bijstand is rekening gehouden met de instroom van de nieuwe doelgroep door ervan uit te gaan dat 75% van de historische instroom in de WSW en de Wajong uiteindelijk zal instromen in de Participatiewet. Er is vervolgens aangenomen dat 75% van deze groep zal zijn ingestroomd in 2017.

De in het model opgenomen verklarende variabelen zijn grotendeels individuele kenmerken van huishoudens aangevuld met omgevingskenmerken. Daarbij is voor de individuele huishoudkenmerken onderscheid gemaakt tussen indicatoren die corrigeren voor mensen in een huishouden die geen recht hebben op bijstand en indicatoren die van belang zijn voor de kans op bijstand van personen in een huishouden. Bij de omgevingskenmerken wordt onderscheid gemaakt tussen indicatoren die een rol spelen aan de vraagkant van de arbeidsmarkt (de vraag naar werk; de beschikbare banen) en de aanbodkant van de arbeidsmarkt (het aanbod van werk; de kenmerken van de beroepsbevolking). Daarnaast kunnen ook buurteffecten van invloed zijn op de kans voor bijstand, los van de huishoudkenmerken en de regionale beschikbaarheid van werk.

De in het model opgenomen verklarende indicatoren zijn opgenomen in tabel 1 (hh staat voor huishouden).

De inschatting van de kans op bijstand gebeurt door – voor de in het model opgenomen verklarende variabelen – een coëfficiënt (gewicht) te berekenen. Met deze coëfficiënten kan voor elk huishouden in de dataset een objectieve kans op bijstand worden bepaald. De dataset wordt gevormd door integrale gegevens die grotendeels afkomstig zijn van het CBS. Voor iedere persoon in de dataset is bepaald tot welk huishouden hij behoort en wat de kenmerken van zijn huishouden en zijn omgeving zijn. Voor enkele omgevingsfactoren wordt gebruik gemaakt van gegevens van Atlas voor gemeenten.

Nadat de bijstandskans voor elk huishouden is bepaald wordt aan de hand van bruto bijstandsbedragen bepaald welk bedrag een huishouden aan bijstand zou ontvangen. Hiervoor wordt de bijstandskans vermenigvuldigd met het relevante bruto bijstandsbedrag. Deze bruto bijstandsbedragen zijn afgeleid van de netto bijstandsbedragen zoals deze in juni voorafgaand aan het uitvoeringsjaar per ministeriële regeling bekend zijn gemaakt. De bruto bijstandsbedragen zijn afhankelijk van het type huishouden en het aantal huishoudleden (de kostendelersnorm). Tabel 2 bevat de normbedragen zoals deze in het model zijn gehanteerd.

Bij tabel 2 wordt opgemerkt dat bij het verwerken van de kostendelersnorm in de bruto bijstandsbedragen rekening is gehouden met de groepen die uitgezonderd zijn van de kostendelersnorm: jongeren tot 21 jaar, studenten (mbo/hbo/wo) en personen die in een instelling verblijven. Het is niet mogelijk om rekening te houden met de uitzondering voor commerciële kamerhuurders vanwege het ontbreken van gegevens hierover. Daarnaast wordt geen onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande en paar in een instelling. Aan ieder persoon in een institutioneel huishouden wordt het normbedrag voor een alleenstaande toegekend.

Voor studenten wordt de bruto norm op 0 gesteld. Thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder worden als zelfstandige huishoudens gezien met een eigen recht op bijstand.

Als voor alle huishoudens het te verwachten bijstandsbedrag is bepaald worden deze voor elke gemeente bij elkaar opgeteld. Het resulterende bedrag vormt de input voor de verdelingssystematiek zoals beschreven onder het kopje «algemene beschrijving verdeelsystematiek».

Het benodigde budget ten behoeve van de uitkering aan dak- en thuislozen wordt apart bepaald. Gemeenten ontvangen dit budget voor zover de gemeentelijke uitkering objectief wordt verdeeld. Voor gemeenten die (deels) historisch worden verdeeld geldt dat de uitgaven aan dak- en thuislozen meelopen in de historische verdeling. De uitgaven aan dak- en thuislozen maken namelijk onderdeel uit van de realisaties van gemeenten.

Het budget voor dak- en thuislozen wordt bepaald aan de hand van de verhouding tussen de netto uitgaven van een gemeente aan deze doelgroep en de totale netto uitgaven van alle gemeenten aan uitkeringen op grond van de Pw, de IOAW en de IOAZ. Dit budgetaandeel wordt vermenigvuldigd met het totaal beschikbare macrobudget en het percentage dat een gemeente objectief wordt verdeeld (de m in de formule). De uitgaven voor levensonderhoud aan startende zelfstandigen in het kader van de Bbz 2004 worden hierbij buiten beschouwing gelaten omdat deze niet als aparte post door het CBS worden geregistreerd en alleen de totale uitgaven aan Bbz-uitkeringen worden geregistreerd. Deze gegevens worden ontleend aan het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze bestanden bevatten gegevens over de netto uitkeringen op grond van de wet, IOAWIOAZ, bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag en de Bbz. De bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag worden net als de Bbz buiten beschouwing gelaten voor het bepalen van de totale netto uitgaven aan uitkeringen.

Van de hierboven beschreven verdelingssystematiek wordt voor de verdeling voor 2017 eenmalig afgeweken om beter rekening te kunnen houden met de verhoogde asielinstroom die in Nederland heeft plaatsgevonden. Voor deze groep wordt voor de verdeling een apart budget ter grootte van € 100 miljoen uit het voorlopig macrobudget gereserveerd en verdeeld. Het macrobudget dat – na aftrek van de € 100 miljoen – overblijft wordt verdeeld volgens de reguliere systematiek.

Voor de verdeling van dit budget wordt gekeken naar het aantal gehuisveste vergunninghouders bij gemeenten in de periode januari tot en met juli 2016. Het aandeel dat een individuele gemeente ontvangt van het genoemde budget van €–100 miljoen wordt bepaald door het aantal gehuisveste vergunninghouders van een individuele gemeente in de genoemde periode als percentage van het totaal aantal gehuisveste vergunninghouders in deze periode.

De budgetberekening geschiedt op grond van de cijfers zoals die bij het vaststellen van de verdeling beschikbaar zijn. Indien deze cijfers hierna nog wijzigen (bijvoorbeeld door toepassing van een alternatieve meetmethode of nagekomen informatie), dan zullen de budgetten hiervoor niet worden aangepast. Geregeld vinden er herindelingen en fusies van gemeenten plaats. Het kan nodig zijn om vast te stellen welke waarden van de verdeelkenmerken voor de nieuwe gemeenten zullen worden toegepast. In dat geval zal voor de nieuwe gemeenten een redelijke schatting worden gemaakt van de toestand zoals die op het moment van vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was ingegaan.