U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2013.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 20 oktober 2006 tot vaststelling van het Besluit technische hulpmiddelen strafvorderingBesluit technische hulpmiddelen strafvorderingWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 1 mei 2006, nr. 5417624/06/6;

Gelet op de artikelen 126m, negende lid en 126ee van het Wetboek van Strafvordering en artikel 3.10 van de Telecommunicatiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 19 juni 2006, nr. W03.06.0141/l );

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 13 oktober 2006, nr. 5446307/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage20 oktober 2006BeatrixDe Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballinde zevende november 2006De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballin

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hetgeen in dit besluit wordt bepaald over de korpschef is van overeenkomstige toepassing op de werkgever van de ambtenaren bedoeld in artikel 141, onderdeel b en c van het Wetboek van Strafvordering.

Voorafgaand aan en na afloop van de daadwerkelijke inzet van een technisch hulpmiddel controleert de met de uitvoering belaste opsporingsambtenaar of wordt voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 10 tot en met 14 en legt daarvan verantwoording af in het proces-verbaal als bedoeld in artikel 7, vierde lid. Indien bij de controle een technische afwijking, defect, verwijdering of verandering van de oorspronkelijke beveiliging of enige andere onregelmatigheid wordt geconstateerd, maakt de opsporingsambtenaar daarvan proces-verbaal op dat aan de officier van justitie wordt gezonden.

Het technische hulpmiddel legt de datum en tijd waarop de signalen worden gedetecteerd, automatisch en doorlopend op de gegevensdrager vast.

Het technische hulpmiddel voor het opnemen van telecommunicatie neemt slechts de communicatie op die plaatsvindt met gebruikmaking van één of meer nummers van de individuele gebruiker of gebruikers, op wie het bevel tot het opnemen van de communicatie is gericht.

Indien de opsporingsambtenaar niet voortdurend aanwezig is gedurende de inzet van het technische hulpmiddel wordt het technische hulpmiddel zodanig beveiligd dat technische veranderingen achteraf zo veel mogelijk zijn vast te stellen.

Het transport van het signaal wordt dusdanig beveiligd dat manipulatie van de signalen wordt voorkomen of achteraf is vast te stellen.

Het opnemen van telecommunicatie waarmee overeenkomstig artikel 3.10 van de Telecommunicatiewet een gebruik van frequentieruimte wordt gemaakt dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet, geschiedt door een door of namens de korpschef aangewezen en terzake deskundige opsporingsambtenaar die in het bezit is van een door Onze Minister aangewezen document.

De keuringsdienst van de landelijke eenheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, houdt een centrale registratie bij van de keuringsrapporten.

Een geldige verklaring van goedkeuring verleend op grond van het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden wordt gelijkgesteld aan een keuringsrapport als bedoeld in artikel 24.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit technische hulpmiddelen strafvordering.