U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2008.

Regeling · BWBR0020445

Besluit geluidhinder

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 20 oktober 2006 tot ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende regels ter uitvoering van de Wet geluidhinder (Besluit geluidhinder)Besluit geluidhinderWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 november 2005, nr. DJZ2005205709, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 1, 47, 64, 82, tweede lid, 85, eerste lid, 89, tweede lid, 90, derde en vierde lid, 100b, 104, 105, 107, 110a, derde en vierde lid, 110c, derde lid, 113, 114, 114a, tweede lid, en 174 van de Wet geluidhinder;

De Raad van State gehoord (advies van 16 februari 2006, no. W08.05.0544/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 oktober 2006, nr. DJZ2006310259, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage20 oktober 2006BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening en Milieubeheer, P. L. B. A. vanGeelde zevende november 2006De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballin

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Als andere gezondheidszorggebouwen als bedoeld in artikel 1, in de definitie van andere geluidsgevoelige gebouwen, onder 3°, van de wet worden aangewezen:

Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bij ministeriële regeling vast de in artikel 1 van de wet bedoelde kaart.

Indien artikel 110f van de wet van toepassing is, geeft het bevoegd gezag slechts toepassing aan de artikelen 110a, 110b en 110c van de wet voorzover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f van de wet niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

Behoudens de artikelen 65 en 66 van de wet en artikel 2.2 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van dat industrieterrein en aan de grens van binnen de zone van dat industrieterrein gelegen geluidsgevoelige terreinen 50 dB(A).

Een krachtens de artikelen 47, tweede lid, 54 of 59 van de wet vast te stellen hogere waarde dan de in artikel 2.1 genoemde waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, mag niet hoger worden vastgesteld dan:

De artikelen 62 en 63 van de wet zijn met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen en andere geluidsgevoelige terreinen dan woonwagenstandplaatsen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met overeenkomstige toepassing van artikel 63, tweede lid, van de wet door Onze Minister vast te stellen ten hoogste toelaatbare waarde voor de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, niet hoger mag worden vastgesteld dan:

Indien door de toepassing van de artikelen 47, tweede lid, 54, 59, 65 of 66 van de wet voor de gevel van één of meer in aanbouw zijnde of aanwezige gebouwen binnen een zone rond een industrieterrein een hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A) als toelaatbaar is aangemerkt, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevel maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,

Artikel 111, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet is met betrekking tot andere geluidsgevoelige gebouwen en andere geluidsgevoelige terreinen dan woonwagenstandplaatsen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met overeenkomstige toepassing van artikel 111, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet door burgemeester en wethouders te treffen maatregelen bevorderen, dat de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein,

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels vast met betrekking tot de vormgeving en inrichting van een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de wet.

Artikel 4.1, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.23, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 1.4.

Tot aanleg of wijziging van een spoorweg, anders dan op grondslag van een overeenkomstig artikel 4.1 of 4.3 vastgesteld of herzien bestemmingsplan of een besluit als bedoeld in artikel 4.2, wordt, indien binnen de aanwezige of toekomstige zone woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een besluit van burgemeester en wethouders krachtens artikel 4.6, eerste lid, genomen naar aanleiding van een door de spoorwegexploitant aan burgemeester en wethouders gedane mededeling van zijn voornemen en na een overeenkomstig artikel 4.5 ingesteld onderzoek.

Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen kan een hogere dan de in artikel 4.9, eerste lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.

Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen kan een hogere dan de in artikel 4.9, tweede lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.

Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg aan de grens van geluidsgevoelige terreinen kan een hogere dan de in artikel 4.8, derde lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Op de voorbereiding van een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 4.18 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels vast met betrekking tot de vormgeving en inrichting van een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 4.18.

Een verzoek als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet kan met betrekking tot een zone langs een weg worden gedaan door de wegaanlegger, of indien het verzoek gedaan wordt in het kader van de toepassing van artikel 3.4 of de artikelen 79 en 99 van de wet, of – indien het betreft de aanleg of reconstructie van een rijksweg – in het kader van de toepassing van artikel 76, eerste lid, van de wet, door de wegbeheerder.

Bij het ambtshalve vaststellen van een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet is artikel 5.4, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Dit hoofdstuk is van toepassing op woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen die voor het van overheidswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in aanmerking worden genomen.

De eigenaren en bewoners van de woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen worden schriftelijk op de hoogste gesteld dat van overheidswege wordt overwogen geluidwerende voorzieningen aan te brengen.

Indien de in artikel 6.4, eerste of tweede lid, bedoelde toestemming is verleend, stelt het bevoegd gezag een akoestisch en bouwtechnisch onderzoek in. Het onderzoek resulteert in ieder geval in:

Na ontvangst van het ondertekende aanbod en, indien van toepassing, de ondertekende overeenkomst, besluit het bevoegd gezag tot het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen.

Een melding krachtens artikel 25, eerste lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegen zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldt als melding krachtens artikel 4.17, eerste lid, van dit besluit.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit geluidhinder.