U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 04-12-2011.
Wijzigingen Officiële bron
Nadere regeling van de Autoriteit Financiële Markten van 15 november 2006, houdende regels voor het gedragstoezicht op financiële ondernemingen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen WftDe Autoriteit Financiële Markten,

Gelet op de artikelen 31, 35, 54, 56, 58, 59, 66, 67, 69, 70, 71, 84, 110, 112, 118, 123, 124, 133, 134, 164, 165, en 167 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam15 november 2006De Voorzitter, A.W.H.Docters van LeeuwenBestuurslid, P.M.Koster RA

In deze regeling wordt verstaan onder:

Indien in een reclame-uiting van een beheerder of beleggingsinstelling werkelijke rendementscijfers worden gepresenteerd:

Wanneer in een reclame-uiting van een beheerder of beleggingsinstelling rendementsprognoses worden gepresenteerd:

De financiële bijsluiter voor een complex product, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling, wordt opgesteld overeenkomstig de artikelen 3:2 tot en met 3:10.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Bij berekening van de beleggingsobjectkosten, bedoeld in artikel 4:2, worden opbrengsten en andere voordelen op deze kosten niet in mindering gebracht.

Vervallen

Een beheerder berekent het totale risico van een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten overeenkomstig de artikelen 5:4 tot en met 5:6.

Voor de toepassing van de voorschriften van dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen een vermogensbeheerder die in het kader van het beheer van een individueel vermogen:

De bewaaradministratie betreffende financiële instrumenten van een beleggingsonderneming voldoet aan het bepaalde in 9.26 van bijlage 9.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een beleggingsonderneming die de beleggingsdienst verleent als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet kan aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14 voldoen, indien wordt voorzien in een regeling krachtens welke de in onderdeel d van de definitie van het verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet bedoelde rekening en de voor de cliënt aangehouden geldrekening worden beheerd door een beleggersgiro die voldoet aan de volgende voorwaarden:

Een beleggingsonderneming die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft, kan aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14, voldoen door het sluiten van een overeenkomst met de cliënt, waarin tenminste is bepaald dat creditering of debitering van de bij de kredietinstelling aangehouden rekening in financiële instrumenten van de cliënt uitsluitend geschiedt tegen gelijktijdige debitering of creditering van het ingevolge de nota inzake financiële instrumenten te ontvangen of verschuldigde bedrag op de daarvoor bestemde geldrekening van de cliënt en:

Teneinde te voldoen aan het vereiste, bedoeld in artikel 6:14, kan de beleggingsonderneming andere regelingen treffen dan de regelingen als bedoeld in de artikelen 6:15 tot en met 6:19. Deze andere regelingen behoeven de voorafgaande goedkeuring van de Autoriteit Financiële Markten.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

De GUISE is de Gemiddelde Uitbetaling In geval van Slechte Eventualiteiten. Dit wordt gedefinieerd als de gemiddelde uitbetaling in de slechtste 10% van de gevallen. De slechtste 10% van de gevallen kunnen bepaald worden onder aanname van normaal verdeelde meetkundige rendementen met parameters μ (gemiddelde) en σ (standaarddeviatie, ook wel volatiliteit) voor rendementen van de onderliggende waarden waarin belegd wordt. De te gebruiken parameters voor verschillende onderliggende waarden, alsmede enkele bepalingen in welke gevallen welke klasse van onderliggende waarden moet worden gekozen, zijn te vinden in Bijlage 5.

De methode van bepaling van de GUISE hangt af van het type product waarvoor de GUISE berekend moet worden. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen lineaire en niet-lineaire producten en tussen de manier van inleggen (eenmalig versus periodiek). Lineaire producten zijn producten waarbij geen gebruik wordt gemaakt van derivaten (opties en garanties en dergelijke). Niet-lineaire producten zijn producten die wel derivaten als onderdeel hebben van het product of de constructie. Dit leidt tot de volgende productclassificaties

De GUISE kan voor lineaire producten met behulp van de volgende mathematische benadering (driepuntbenadering) worden bepaald.

Hierin is

x0,01 de waarde van het 1% kans scenario

x0,05 de waarde van het 5% kans scenario

x0,10 de waarde van het 10% kans scenario

Voor niet-lineaire producten kan deze benadering niet worden gebruikt en moet er gesimuleerd worden. De methode hiervoor staat hieronder globaal beschreven. Uitzondering is een product met een vast gegarandeerd bedrag op einddatum (dit valt in de categorie niet-lineair product met eenmalige inleg). Hiervoor kan wel de driepuntbenadering worden gebruikt.

Het is mogelijk om met behulp van de volgende mathematische benadering de waarden van de 1%, 5% en 10% kans scenario’s te berekenen:

waar

I = Inleg

H = aantal jaren dat het product al heeft gelopen

μ = verwacht rendement

σ = volatiliteit

dk = doorlopende kosten

UK = uitstapkosten

IK = instapkosten

z0.01 = 1% kwantiel van de standaardnormale verdeling

z0.05 = 5% kwantiel van de standaardnormale verdeling

z0.10 = 10% kwantiel van de standaardnormale verdeling

Tabel 1a geeft de GUISE voor een lineair product met eenmalige inleg zonder kosten. Voor elk van de beleggingsklassen uit tabel 0, bijlage 5 wordt de GUISE gegeven. Het bijbehorende pessimistische rendement wordt gegeven in tabel 1b. De GUISE van een lineair product met eenmalige inleg en met kosten kan worden afgeleid van tabel 1b. Dit gebeurt door met het aangegeven rendement bij de betreffende looptijd voor de juiste beleggingsklasse te rekenen als jaarlijks rendement. Als dan de kosten in mindering worden gebracht, resulteert direct de GUISE. Hierbij is van belang de kosten juist in rekening te brengen. Eenmalige kosten aan het begin die dus ook niet belegd worden kunnen direct in mindering worden gebracht op de eenmalige inleg; Eenmalige kosten aan het eind, die ingehouden worden op de opgebouwde waarde kunnen in mindering gebracht worden op de resulterende guise; Doorlopende kosten kunnen in mindering worden gebracht op het gemiddelde volume, dat benaderd kan worden op basis van het begin- en eindvolume. Naast het gebruik van tabel 1a en tabel 1b is het altijd mogelijk om formule 2 te gebruiken.

Er zijn twee methoden om de GUISE van producten met een periodieke inleg te berekenen, namelijk met behulp van een simulatie of met een benadering. Tabel 2a geeft de GUISE van een product zonderkosten op basis van een simulatie (op maandbasis). Deze GUISE is ‘vertaald’ naar een pessimistisch rendement in Tabel 2b. Het pessimistisch rendement uit deze tabel kan worden gebruikt om de GUISE van een product met doorlopende kosten uit te rekenen. Het is niet mogelijk om deze tabel te gebruiken voor producten met eenmalige kosten. Om de GUISE van producten met periodieke inleg en met eenmalige kosten te bepalen, moet de instelling zelf een simulatie uitvoeren of gebruik maken van onderstaande benadering.

De andere mogelijkheid is om gebruik te maken van een benadering. Bij deze benadering wordt de looptijd geschaald om rekening te houden met het feit dat niet de volledige inleg aan het begin wordt ingelegd maar in verschillende perioden. De formule is als volgt:

waar

EL = effectieve looptijd

It = inleg per jaar

Jaar = totale looptijd

IK = inlegkosten

Dk = doorlopende kosten

μ = verwacht rendement

σ = volatiliteit

zj = waarde standaardnormale verdeling voor punt j (j=1%, 5%, 10%)

Naast x0,01 moeten ook nog de 5% en 10% (x0,05 en x0,10) worden uitgerekend. Om de GUISE te berekenen moeten vervolgens de opbrengsten van de 1%, 5% en 10% (x0,01, x0,05 en x0,10) worden gemiddeld volgens formule 1.

Een niet-lineair product kan soms onderverdeeld worden in lineaire en niet-lineaire elementen. De methode voor de waardering van het lineaire element is hetzelfde als de methode voor het waarderen van een lineair product met eenmalige inleg. Dit betekent dat voor het lineaire deel, tabellen 1a en 1b kunnen worden gebruikt.

Bij de contractuele looptijd is de verrekening van het niet-lineaire element vaak eenvoudig aangezien het een bepaling is van het al dan niet ‘in the money’ zijn van de optie en het corrigeren van de GUISE hiervoor. De niet-lineaire elementen worden gewaardeerd op dezelfde wijze zoals ze ook met de klant worden verrekend. Dit betekent dat het slechts een niet-lineair product is bij tussentijdse looptijden indien de optiewaarde bij vervroegde beëindiging ook daadwerkelijk met de klant wordt verrekend. Indien dit niet het geval is, kan volstaan worden met de eenvoudige berekening voor lineaire producten zoals hierboven beschreven.

Voor producten met een garantie op einddatum is het overigens toegestaan om de garantie mee te nemen en toch alleen te werken met de rendementen gebaseerd op formule (1), dus zoals weergegeven in tabel 1. Hierbij wordt de GUISE echter iets onderschat.

Niet-lineaire producten met andere constructies dan de garantie op einddatum (bijvoorbeeld een clickfonds) kunnen niet op deze wijze berekend worden. Indien het niet-lineaire deel niet kan leiden tot een lagere uitkering, mag dit deel verwaarloosd worden. Er kan ook worden gekozen voor simulatie. In dat geval moeten de parameters gebruikt worden van de onderliggende waarde en de condities van het derivaat.

Ook voor de berekeningen van de GUISE mogen garanties slechts dan worden meegenomen indien de instelling die de garanties afgeeft onder kapitaaltoereikendheidstoezicht of ander vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht valt.

Het is niet mogelijk om met een benadering de GUISE van niet-lineaire producten met periodieke inleg te bepalen. Hiervoor moet gesimuleerd worden. Indien het niet lineaire element van het product niet leidt tot een lagere uitkering dan mag het niet-lineaire element verwaarloosd worden en resulteert een lineair product met periodieke inleg. In het geval van simulatie moeten de parameters gebruikt worden van de onderliggende waarde en de condities van het derivaat.

Voor de berekening van de GUISE en historische opbrengsten wordt gebruik gemaakt van parameters μ (gemiddelde) en σ (standaarddeviatie, ook wel volatiliteit) van de rendementen van de onderliggende waarden. Bij berekening van de GUISE op basis van de tabellen zijn de parameterwaarden van de verschillende beleggingscategorieën uiteraard al verwerkt. In die gevallen is het van belang om de juiste beleggingsklasse te bepalen (op basis van de onderliggende waarden waarin belegd wordt).

Er worden zes beleggingsklassen onderscheiden:

Categorie 1 zijn de beleggingen in overwegend deposito’s, verhandelbaar geldmarktpapier en kortlopende obligaties. In categorie 2 vallen de fondsen en beleggingen die overwegend beleggen in obligaties en obligatiefondsen in OESO-landen. Het gaat hierbij om ‘investment grade’ obligaties, dat wil zeggen beleggingen die een hoge waardering krijgen van bureaus die de kredietwaardigheid van onder andere bedrijven inschatten. Bij categorie 3, vastgoedfondsen en beleggingen in vastgoed, wordt overwegend belegd in vastgoed, ongeacht de landen waar het vastgoed zich bevindt in OESO-landen, niet zijnde een beleggingsobject als bedoeld in artikel 1, onder d, ten vijfde van het besluit. Categorie 4 betreft de ‘Mixfondsen’, de zogenaamde gemengde fondsen of beleggingen. Gemengde fondsen of beleggingen hebben een spreiding over meerdere (mogelijk alle 5) andere categorieën. Categorie 5 betreft de breed gespreide beleggingen in aandelen/aandelenfondsen. Een fonds is een breed gespreid aandelenfonds als overwegend wordt belegd in meerdere grote bedrijven uit verschillende sectoren gevestigd in OESO-landen. Een fonds dat bijvoorbeeld investeert in grote ondernemingen in verschillende sectoren in de VS valt in deze categorie. Ook breed gespreide beleggingen in obligaties en obligatiefondsen, voor zover deze obligaties niet vallen onder categorie 2, vallen onder categorie 5. Categorie 6 betreft de beleggingen met significant hogere risico’s dan de beleggingen in de andere categorieën, zoals de emerging market of emerging sector fondsen/beleggingen en beperkt gespreide aandelenfondsen/beleggingen. Bij emerging markets wordt gedacht aan opkomende landen met soms een nog in opkomst zijnde aandelenmarkt. Het gaat hierbij om niet OESO-landen. Bij emerging sector fondsen wordt bijvoorbeeld gedacht aan fondsen die beleggen in vaak kleinere bedrijven, eventueel binnen de OESO-landen. Voorbeelden van deze bedrijven zijn ICT-, internet-, kleinere telecommunicatie- en biotechnologie bedrijven. Bij een beperkt gespreid fonds of beperkt gespreide beleggingen wordt bijvoorbeeld gedacht aan investeringen in één sector en (cumulatief) in één of een beperkt aantal landen. Ook beleggingen in niet-liquide aandelen, ‘low grade’ investments (aandelen die een lage waardering krijgen van bureaus die de kredietwaardigheid van o.a. bedrijven inschatten) en beleggingen in grondstoffen/natuurproducten (zoals teakfondsen) vallen onder categorie 6. Beperkt gespreide beleggingen in obligaties en obligatiefondsen, voor zover deze obligaties niet vallen onder categorie 2, vallen eveneens onder categorie 6.

De toewijzing van een product aan een beleggingsklasse geschiedt als volgt:

Een fonds wordt geacht een valutarisico te hebben als er aanmerkelijke posities (ontvangsten/bezittingen) bestaan die niet luiden in Euro. Als aanmerkelijk wordt beschouwd een percentage van meer dan 15%.

Voor alle categorieën geldt dat wordt doorgekeken naar de onderliggende investering. Een fonds of belegging dat overwegend belegt in aandelen van vastgoedfondsen valt dus in categorie 3 (vastgoed fondsen) en niet in categorie 5.

De parameters voor de betreffende beleggingscategorieën zijn als volgt:

Welke beleggingsklasse is gekozen bij het maken van de financiële bijsluiter, moet in de financiële bijsluiter worden toegelicht. Met andere woorden, de aannames moeten worden vermeld. Deze aannames worden aangegeven in de inleiding van de financiële bijsluiter. Hieronder wordt in tabel 1 en 2 aangegeven welke keuze gemaakt moet worden naar gelang de beleggingsklasse, zoals voorgeschreven in artikel 3:3.

Zodra in een product gebruik wordt gemaakt van derivaten is de standaard allocatie in beleggingsklassen niet meer toe te passen. In bijlage 4 staat beschreven hoe de GUISE van producten met derivaten erin verwerkt berekend moet worden. De parameters die hier gebruikt moeten worden zijn de parameters van de beleggingsklasse waarop de derivaten van toepassing zijn. Als bijvoorbeeld een product met opties op aandelen werkt, moet voor de parameters van beleggingsklasse 5 gekozen worden. Als het niet mogelijk is vast te stellen op welke beleggingsklasse de derivaten van toepassing zijn, dan moet voor de parameters van beleggingsklasse 6 gekozen worden.

Indien een product niet in één van bovenstaande zes beleggingsklassen valt omdat de samenstelling van de beleggingsportefeuille over de looptijd van het complex product varieert, moet een gewogen gemiddelde genomen worden van de verschillende beleggingsklassen. Dit is alleen het geval bij zogenaamde ‘lifecycle’ producten, waar de beleggingsportefeuille zodanig wordt gevormd dat het beleggingsrisico afneemt naar mate de einddatum van het product nadert. Voor de ‘lifecycle producten’ moeten de volgende formules worden gebruikt:

waar

VRi = verwacht rendement van periode i

gi = aandeel van periode i in volledige looptijd

Volatiliteiti = volatiliteit van periode i

n = aantal perioden

Een voorbeeld, een product heeft een looptijd van 20 jaar. De eerste vijf jaar valt het in beleggingsklasse 5, daarna 10 jaar in beleggingsklasse 2 en daarna vijf jaar in beleggingsklasse 1. Hier moet een gewogen gemiddelde genomen van de drie perioden waarin een andere beleggingsklasse geldt. Invullen van de formules geeft de volgende parameters:

Zodra in een product gebruik wordt gemaakt van een fonds dat vier jaar of langer bestaat, moet er gebruik worden gemaakt van fondsspecifieke parameters. Dit geldt voor zowel de berekening van de risicoindicator (GUISE) als voor de berekening van de historische rendementen. De parameters worden dan als volgt bepaald, afhankelijk van het aantal jaren historie.

waarbij:

μFB, σFB de standaardparameters zijn zoals gehanteerd bij de financiële bijsluiter, en μF het gemiddelde fondsrendement inhoudt en σFde standaarddeviatie van het fondsrendement inhoudt. De fondsparameters worden bepaald als:

waarbij

rj = het meetkundige maandrendement in historie maand j,

n = het aantal maanden historie, met een maximum van 12*20 = 240,

m = 12 (maanden per jaar) *4 (jaar) = 48 maanden

Voor de bepaling van de fondsspecifieke parameters moet altijd de meest recente historie worden gebruikt en moeten de parameters minimaal eens per vierentwintig kalendermaanden worden geactualiseerd dan wel vaker indien de gebruikte parameters door omstandigheden of veranderingen niet meer representatief zijn.

De informatie die een beleggingsobjectprospectus ingevolge artikel 10:2 van het besluit dient te bevatten,wordt in onderstaande volgorde opgenomen. De onderstaande titels van de hoofdstukken dienen te worden gehanteerd. Hieronder wordt per hoofdstuk aangegeven welke informatie ten minste in het betreffende hoofdstuk dient te worden opgenomen.

I. Algemene gegevens betreffende de aanbieder van een beleggingsobject

II. Gegevens betreffende de kenmerken van een serie van beleggingsobjecten

III. Gegevens over het risicoprofiel van de serie van beleggingsobjecten

IV. Gegevens betreffende de beleggingsobjectkosten, bruto waarde en onttrekkingen

V. Gegevens betreffende het beleggingsbeleid en de activiteiten

VI. Gegevens betreffende wijzigingen in de voorwaarden

Zie artikel 4:1.

I. Algemene gegevens betreffende de aanbieder van het beleggingsobject

II. Gegevens betreffende de kenmerken van de serie van beleggingsobjecten

III. Gegevens over het risicoprofiel van de serie van beleggingsobjecten

– Een beschrijving van alle risico’s, die consumenten kunnen lopen met de door hun ingelegde gelden en de (eventuele) gevolgen hiervan op het rendement. Een en ander voor zover deze risico’s relevant zijn in het licht van de gevolgen en de waarschijnlijkheid ervan. Deze beschrijving dient een begrijpelijke uitleg te bevatten van ieder specifiek risico dat voortvloeit uit het beleggingsbeleid of dat verband houdt met specifieke voor de desbetreffende serie van beleggingsobjecten relevante markten. De risico’s verbonden aan de serie van beleggingsobjecten kunnen onder meer inzichtelijk worden gemaakt met de risico-indicator uit de financiële bijsluiter.

IV. gegevens betreffende de beleggingsobjectkosten, bruto waarde en onttrekkingen

V. Gegevens betreffende het beleggingsbeleid en de activiteiten

VI. Gegevens betreffende wijzigingen in de voorwaarden

Het doel van de bovenstaande tabellen is om consumenten inzicht te verschaffen in de door de aanbieder van het beleggingsobject geprognosticeerde en eventueel reeds gemaakte kosten/voldane bedragen gerelateerd aan de serie van beleggingsobjecten bij een gemiddelde inleg gebruikelijk voor de desbetreffende serie van beleggingsobjecten. De tabellen geven de informatie weer voor de gehele bestaansduur van het beleggingsobject.

Daarnaast hebben de bovenstaande tabellen tot doel de consument inzicht te verschaffen in de geprognosticeerde waardeontwikkeling van een serie van beleggingsobjecten, zodat de consument de beleggingsobjectkosten tegen de geprognosticeerde waardeontwikkeling van een serie van beleggingsobjecten kan afzetten. Op deze manier kan een consument zich een beter beeld vormen van het mogelijk te behalen rendement. Op basis van onder meer deze informatie wordt de consument in staat gesteld een weloverwogen beslissing te nemen over het al dan wel of niet beleggen in een bepaalde serie van beleggingsobjecten. Hieronder wordt een toelichting gegeven op de in de bovenstaande tabellen genoemde posten. Een en ander voor zover het begrippen betreft die niet reeds zijn gedefinieerd.

Rentelasten: de geprognosticeerde kosten die dienen te worden vergoed voor het ter beschikking verkrijgen van een bepaalde geldlening, alsmede andere kosten die daarmee verband houden.

Bruto waarde: de geprognosticeerde bruto waarde van een beleggingsobject.

Financieringen: de geprognosticeerde bedragen van leningen die een aanbieder van een beleggingsobject aangaat dan wel verwacht aan te gaan en/of reeds is aangegaan in hoedanigheid van debiteur ter financiering van een beleggingsobject, waarbij de aflossing(en) van de leningen in mindering worden gebracht op de opbrengsten van het desbetreffende beleggingsobject.

Prestatievergoedingen: geprognosticeerde vergoedingen, in welke vorm dan ook, ter zake van beheer of bewaring van het beleggingsobject voor zover deze rechtstreeks in mindering worden gebracht op de waarde van het beleggingsobject.

Rentebaten: eventuele (geprognosticeerde) voordelen die ontstaan doordat een deel van de aan het beleggingsobject verbonden gelden niet onmiddellijk geïnvesteerd worden in het beleggingsobject.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

1. Een rechtspersoon die overeenkomstig artikel 6:17 of 6:18 financiële instrumenten van cliënten van beleggingsondernemingen bewaart, voorziet in een systematische en toegankelijke administratie van de in bewaring genomen financiële instrumenten en, voor zover van toepassing, gelden, waaruit op dagelijkse basis per cliënt inzicht blijkt in de voor rekening van die cliënt bewaarde financiële instrumenten, onderverdeeld naar:

2. De in 9.26.1 bedoelde administratie voorziet tevens in een vastlegging van de rechten die behoren bij de in bewaring genomen financiële instrumenten, daaronder dividenden en coupons.

3. De in 9.26.1 bedoelde instelling voorziet in procedures krachtens welke de wijze waarop de bewaaradministratie aansluit op de van belang zijnde externe bescheiden is vastgelegd en waarbij eventuele afwijkingen worden verklaard en gedocumenteerd, inclusief de eventueel te nemen correctieve maatregelen naar aanleiding van de geconstateerde afwijkingen.

4. Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

1. In de reclame-uiting waarin verwachtingen omtrent de toekomst worden uitgesproken dan wel wordt gerefereerd aan in het verleden behaalde resultaten worden de volgende twee zinnen opgenomen: ‘De waarde van u belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.’

2. De twee zinnen als bedoeld in lid 1 worden duidelijk zichtbaar, goed leesbaar en apart van de overige tekst in de reclame-uiting opgenomen. De twee zinnen worden bovendien opgenomen in de directe nabijheid van de plaats waar gerefereerd wordt aan in het verleden behaalde resultaten dan wel de verwachtingen omtrent de toekomst, waarbij de gebruikte letter niet kleiner is dan de grootte van de letter in de nabije tekst.

3. Indien op meerdere plaatsen in de reclame-uiting wordt gesproken over in het verleden behaalde resultaten respectievelijk verwachtingen omtrent de toekomst, worden de twee zinnen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel in de tekst, opgenomen in de directe nabijheid van de eerste gelegenheid.

4. In afwijking van de leden 2 en 3 geldt voor radio- en televisieboodschappen dat de twee zinnen naar ratio van het eerste tot en met het tweede lid kunnen worden toegepast.

Vervallen.

Vervallen.