U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-06-2022.

Ministeriële regeling · BWBR0020786

Regeling voorkoming verontreiniging door schepen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van 12 december 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1945, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Regeling voorkoming verontreiniging door schepen)Regeling voorkoming verontreiniging door schepen De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 8, 11, 15, 32, 35, 38 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen, artikel 2 van het Besluit havenontvangstvoorzieningen, artikel 13, derde lid,14, tweede lid, en 30 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, alsmede op de in artikel 1 van deze regeling genoemde richtlijnen en verordeningen;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs

In deze regeling wordt verstaan onder:

De artikelen 2, 5a tot en met 5g, 11, 12a, 12b, 13, 14a, 14b en 15a tot en met 15e zijn tevens van toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen, met dien verstande dat:

Vervallen

Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke code, resoluties, richtlijnen of verordeningen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 4, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.

Een olietankschip van 150 GT of meer voldoet in aanvulling op de ingevolge artikel 5, eerste lid, van het besluit toepasselijke eisen van Bijlage I van het Verdrag mede aan de eisen van verordening (EU) 530/2012.

Overeenstemming met de artikelen 4 en 5 van de verordening (EG) 782/2003 is een eis als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het besluit.

De Wet pleziervaartuigen in samenhang met de in bijlage I van richtlijn 2013/53/EU opgenomen essentiële eisen voor de uitlaatemissies van voortstuwingsmotoren met betrekking tot stikstofoxiden wordt voor de toepassing van artikel 5, vijfde en zesde lid, van het besluit, beschouwd als een alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies als bedoeld in voorschrift 13.1.b.ii van Bijlage VI van het Verdrag.

De volgende schepen zijn uitgerust met voorzieningen om olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord te houden of om deze overeenkomstig voorschrift 15.6 van Bijlage I bij het Verdrag te lozen:

De eisen bedoeld in voorschrift 18.8.2 van Bijlage I bij het Verdrag zijn de eisen, opgenomen in resolutie A.495(XII).

De eisen, bedoeld in voorschrift 30.6.5.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen opgenomen in de specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord, die als bijlage 1 bij deze regeling zijn gevoegd.

De eisen, bedoeld in voorschrift 33.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen, opgenomen in resolutie A.446(XI).

Offshore ondersteuningsschepen als bedoeld in paragraaf 1.5.3 van resolutie A.673(16), voldoen aan de eisen van die resolutie.

De volgende schepen zijn uitgerust met voorzieningen om het sanitair afval te kunnen lozen overeenkomstig de in Bijlage IV bij het Verdrag gegeven voorschriften:

De Minister kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke code, resoluties, richtlijnen en verordeningen is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 3, 4 en 5b tot en met 5e bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de op grond van deze artikelen geëiste voorziening.

Deze paragraaf is van toepassing op scheepsuitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist.

Met een door de Minister verleende typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Indien ten aanzien van scheepsuitrusting die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Indien nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.

Voor een schip dat op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EG) 782/2003 wordt gecertificeerd en waarvan na onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wordt een AFS-certificaat als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van die verordening afgegeven.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Voorschrift 4.2 van Bijlage I van het Verdrag en voorschrift 3.1.2 van Bijlage II van het Verdrag zijn met betrekking tot een lozing die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van richtlijn 2005/35/EG voor alle schepen als bedoeld in artikel 2 van die richtlijn:

Schepen die gebruik maken van emissiereductiemethoden als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel c, lozen het in het kader van deze methoden ontstane afvalwater in overeenstemming met de in bijlage II van richtlijn 2016/802/EU opgenomen lozingscriteria.

Offshore ondersteuningsschepen als bedoeld in resolutie A.673(16), die beperkte hoeveelheden van de schadelijke stoffen, bedoeld in die resolutie, in bulk vervoeren, lozen in overeenstemming met de lozingsvoorschriften van die resolutie.

De vaarsnelheid van ten minste 4 knopen als bedoeld in voorschrift 11.1.1 van Bijlage IV bij het Verdrag is zodanig dat deze consistent is met het goedgekeurde tempo van lozing.

Vervallen

De eisen, bedoeld in voorschrift 18.8.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen, opgenomen in resolutie A.495(XII).

De eisen, bedoeld in voorschrift 30.6.5.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen opgenomen in de specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord, die als bijlage 1 bij deze regeling zijn gevoegd.

In alle bescheiden die betrekking hebben op het vervoer van een schadelijke stof in verpakte vorm worden vermeld:

Het ingevolge artikel 34 van het besluit toepasselijke voorschrift 18.2.4 van Bijlage VI bij het Verdrag is mede van toepassing op de kapitein van een buitenlands schip dat zich in een Nederlandse haven bevindt.

De ingevolge artikel 33, tweede lid, van het besluit toepasselijke voorschriften van Bijlage II bij het Verdrag met betrekking tot het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk, gelden niet voor het vervoer in bulk van beperkte hoeveelheden van de schadelijke stoffen, bedoeld in resolutie A.673(16) door offshore ondersteuningsschepen als bedoeld in die resolutie, mits dit vervoer voldoet aan de in die resolutie neergelegde eisen.

De ingevolge artikel 33, derde lid, van het besluit toepasselijke voorschriften van Bijlage III bij het Verdrag met betrekking tot de wijze van merken en etikettering van verpakkingen en de voorschriften, bedoeld in artikel 15c, gelden niet, voor zover de IMDG-Code dat bepaalt.

Als besluit als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet wordt aangewezen artikel 6, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met het tweede lid, tweede alinea, van verordening (EG) 782/2003.

Als stof als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet wordt aangewezen vistuig als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage V bij het Verdrag.

Artikel 42 van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling toepasselijke codes en resoluties.

Wijzigt het Besluit machtiging werkzaamheden Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 1, onderdeel d en onderdelen h tot en met m, 7, vierde lid, 10, 14, 15, en 18, tweede lid, die in werking treden met ingang van 2 januari 2007 en met uitzondering van artikel 13, dat in werking treedt met ingang van 1 april 2007.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorkoming verontreiniging door schepen.

1.1. Het deelstroomsysteem dient zodanig te worden gemonteerd dat daarmee een representatief monster van het overboord geloosde afvalwater daadwerkelijk zichtbaar kan worden gemaakt onder normale operationele omstandigheden.

1.2. Het deelstroomsysteem is in veel opzichten gelijk aan het bemonsteringssysteem dat voor de bewaking en controle van olielozing wordt gebruikt, maar heeft daarnaast pomp- en leidingvoorzieningen.

1.3. Het gedeelte van het deelstroomsysteem dat van een kijkglas is voorzien, moet zich bevinden op een beschutte en gemakkelijk toegankelijke plaats op het bovendek of hoger die is goedgekeurd door de Minister (bijvoorbeeld bij de ingang van de pompkamer). Er moet effectieve communicatie zijn tussen de locatie van het kijkglas in het deelstroomsysteem en de positie waar de lozing wordt geregeld.

1.4. De monsters moeten worden genomen bij de relevante segmenten van de leiding die voor lozing overboord wordt gebruikt en moeten via een permanente leiding naar de kijkglasvoorziening worden gevoerd.

1.5. Het deelstroomsysteem moet de volgende onderdelen bevatten:

1.6 Het deelstroomsysteem moet aan de geldende veiligheidsvoorschriften voldoen.

2.1.1. De bemonsteringspunten moeten op zodanige locaties worden aangebracht dat relevante monsters kunnen worden genomen van het afvalwater dat onder de waterlijn wordt geloosd via afvoeropeningen die voor operationele lozingen worden gebruikt.

2.1.2. De bemonsteringspunten moeten, voorzover dat praktisch uitvoerbaar is, worden aangebracht in de leidingsegmenten waar normaal geen sprake van een turbulente stroom is.

2.1.3. De bemonsteringspunten moeten, voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, worden aangebracht op toegankelijke locaties in de verticale segmenten van de leiding die voor lozing wordt gebruikt.

2.2.1. De bemonsteringssondes moeten zodanig worden aangebracht dat zij tot ongeveer eenvierde van de leidingdiameter in de leiding steken.

2.2.2. De bemonsteringssondes moeten voor reinigingsdoeleinden gemakkelijk uit de leiding kunnen worden gehaald.

2.2.3. Naast elke sonde moet een afsluitklep worden gemonteerd, behalve waar de sonde in een ladingleiding is gemonteerd. In het laatste geval moeten twee stopkleppen achter elkaar in de bemonsteringsleiding worden gemonteerd.

2.2.4. De bemonsteringssondes moeten van corrosiebestendig en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd, voldoende sterk zijn, deugdelijke verbindingen hebben en naar behoren worden ondersteund.

2.2.5. Bemonsteringssondes moeten zodanig van vorm zijn dat zij niet gemakkelijk verontreinigd raken met aangekoekte deeltjes en dat zij geen hoge hydrodynamische druk bij het uiteinde van de bemonsteringssonde genereren.

2.2.6. Bemonsteringssondes moeten dezelfde nominale doorlaat hebben als de bemonsteringsleiding.

2.3.1. Tussen de bemonsteringspunten en de kijkglasvoorziening moet de bemonsteringsleiding zo recht mogelijk zijn. Scherpe bochten en holtes waar olie en bezinksel zich kunnen ophopen, moeten worden vermeden.

2.3.2. De bemonsteringsleiding dient zodanig te worden aangelegd dat het bemonsteringswater binnen 20 seconden naar de kijkglasvoorziening wordt gevoerd. De stroomsnelheid in de leiding mag niet minder dan 2 meter per seconde bedragen.

2.3.3. De diameter van de leiding mag niet minder dan 40 millimeter bedragen als er geen vaste spoelvoorziening is aangebracht en mag niet minder dan 25 millimeter bedragen als een hogedrukspoelvoorziening zoals vermeld in lid 2.5 is geïnstalleerd.

2.3.4. De bemonsteringsleiding moeten van corrosiebestendig en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd, voldoende sterk zijn, deugdelijke verbindingen hebben en naar behoren worden ondersteund.

2.3.5. Waar verschillende bemonsteringspunten zijn aangebracht, moet de leiding zijn aangesloten op een klepkast aan de aanzuigende zijde van de aanvoerpomp voor bemonstering.

De capaciteit van de aanvoerpomp voor bemonstering moet zodanig zijn dat aan de eisen gesteld aan de doorstroomhoeveelheid van het bemonsteringswater zoals vermeld in lid 4.2.2 wordt voldaan.

Als de diameter van de bemonsteringsleiding minder dan 40 millimeter bedraagt, moet een vaste verbinding met een hogedrukleiding voor zee- of zoetwater worden aangebracht om het spoelen van de bemonsteringsleiding mogelijk te maken.

2.6.1 De kijkglasvoorziening moet bestaan uit een compartiment waarin een kijkglas is aangebracht. Het compartiment moet een zodanige grootte hebben dat een vrije val van het bemonsteringswater over een lengte van minimaal 200 mm duidelijk zichtbaar is.

2.6.2. De kijkglasvoorziening moet zijn uitgerust met kleppen en een leiding die het mogelijk maakt dat een deel van het bemonsteringswater zodanig door het kijkglascompartiment wordt geleid dat een laminaire stroom in het compartiment zichtbaar is.

2.6.3. De kijkgatvoorziening moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gereinigd.

2.6.4. Het inwendige oppervlak van het kijkgatcompartiment moet wit zijn, behalve de achtergrondwand. Deze laatste moet een zodanige kleur hebben dat eventuele veranderingen in de kwaliteit van het bemonsteringswater goed zichtbaar zijn.

2.6.5. Het onderste deel van het kijkgatcompartiment moet trechtervormig zijn, zodat het bemonsteringswater kan worden opgevangen.

2.6.6. Voor het nemen van watermonsters moet een aftapkraan worden aangebracht, zodat deze onafhankelijk van het water in het kijkgatcompartiment kunnen worden onderzocht.

2.6.7. De kijkgatvoorziening dient voldoende verlicht te zijn om visuele observatie van het bemonsteringswater mogelijk te maken.

Het bemonsteringswater dat het kijkgatcompartiment verlaat, moet naar het oppervlaktewater of naar een sloptank worden geleid via een vaste leiding met een diameter die groot genoeg is.

3.1. Bij lozing van verontreinigd ballastwater of ander met olie verontreinigd water uit het ladingtankgedeelte via een afvoeropening onder de waterlijn moet het deelstroomsysteem te allen tijde bemonsteringswater uit de desbetreffende lozingsopeningen leveren.

3.2. Het bemonsteringswater moet vooral nauwkeurig worden bekeken tijdens de stadia van de lozingsoperatie waarin het risico van verontreiniging met olie het grootst is. De lozing moet worden gestaakt zodra oliesporen in de stroom zichtbaar zijn en zodra de uitlezing van de oliegehaltemeter aangeeft dat het oliegehalte de toelaatbare limieten overschrijdt.

3.3. Bij systemen die zijn uitgerust met spoelvoorzieningen moet de bemonsteringsleiding worden gespoeld nadat verontreiniging is geconstateerd. De bemonsteringsleiding moet na elke gebruiksperiode worden gespoeld.

3.4. De voorschriften voor de behandeling van lading en ballast en, indien van toepassing, de voorschriften die vereist zijn voor ruwe-oliewassystemen of voor de werkwijze voor aangewezen schone-ballasttanks, moeten een duidelijke beschrijving bevatten van het gebruik van het deelstroomsysteem in combinatie met de procedures voor lozing van ballastwater en het decanteren van de sloptank.