Ministeriële regeling · BWBR0020800
Regeling inrichting landelijk gebied
Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën;
Gelet op de artikelen 12, vierde lid, 52, vierde lid, 87, 91, derde lid, 92, 93 en 95, vierde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied, artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer, artikel 29 van de Wet agrarisch grondverkeer, artikel 92, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland, artikel 97 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, artikel 33, eerste lid, artikel 107, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, artikel 6 van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 209) en artikel 74 van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);
Besluiten:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag14 december 2006De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.P.VeermanDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeelDe Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.PeijsIn deze regeling wordt verstaan onder:
- –
beheersautoriteit: beheersautoriteit als bedoeld in artikel 27, onderdeel a;
- –
betaalorgaan: erkend betaalorgaan als bedoeld in artikel 27, onderdeel b;
- –
bodem: bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming;
- –
bureau beheer landbouwgronden: bureau, bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer;
- –
grondwaterkarakteristiek: samenstel van gegevens inzake de langjarig gemiddeld hoogste en de langjarig gemiddeld laagste grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld;
- –
infrastructurele voorziening: infrastructurele voorziening als bedoeld in artikel 24 van de wet;
- –
Minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- –
plattelandsontwikkelingsprogramma: plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15 van verordening (EG) nr. 1698/2005, van Nederland;
- –
schadeloosstelling: schadeloosstelling als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet;
- –
verordening (EG) nr. 794/2004: verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (PbEU L 140);
- –
verordening (EG) nr. 1290/2005: verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 2005 betreffende financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 209);
- –
verordening (EG) nr. 1698/2005: verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);
- –
Met betrekking tot door gedeputeerde staten te verlenen subsidies ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1698/2005:
- a.
verstrekken gedeputeerde staten alle informatie aan de beheersautoriteit die de beheersautoriteit nodig heeft ter uitvoering van artikel 75 van verordening (EG) nr. 1698/2005;
- b.
geschiedt door gedeputeerde staten jaarlijkse verslaglegging aan de beheersautoriteit.
De verslaglegging bevat alle gegevens die de beheersautoriteit van de betrokken provincie nodig heeft om het jaarverslag, bedoeld in artikel 82 van verordening (EG) nr. 1698/2005, te kunnen opmaken en het binnen de in die verordening gestelde termijnen te kunnen toezenden aan het toezichtcomité, bedoeld in artikel 77 van verordening (EG) nr. 1698/2005, en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Met betrekking tot door gedeputeerde staten ten laste van het investeringsbudget uitgevoerde steunmaatregelen als bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verstrekken gedeputeerde staten de Minister jaarlijks alle informatie die deze nodig heeft ter uitvoering van de artikelen 21 en 82 van verordening (EG) nr. 794/2004.
Als verplichtingen als bedoeld in artikel 93, eerste en derde lid, van de wet worden aangeduid de verplichtingen die voor de Minister, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat alsmede voor de landinrichtingscommissies, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Landinrichtingswet, voor 1 januari 2007 voortvloeien uit de in de bijlage bij deze regeling genoemde wetten, Ministeriële regelingen en incidentele projectsubsidies, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit subsidieverhoudingen waarbij reeds subsidievaststelling en uitbetaling heeft plaatsgevonden, alsmede de verplichting tot het afhandelen van bezwaar- en beroepsprocedures tegen subsidiebeschikkingen die voor 1 januari 2007 zijn ingediend.
De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, alsmede de bevoegdheden van de Minister, onderscheidelijk de staatssecretarissen, genoemd in het eerste lid, die met deze verplichtingen samenhangen worden per 1 januari 2007 aan gedeputeerde staten overgedragen.
Archiefbescheiden van de Minister, de staatssecretarissen, genoemd in het eerste lid, alsmede van de landinrichtingscommissies, betreffende de verplichtingen die ingevolge het eerste lid overgaan naar gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de provincie waarnaar de verplichtingen ingevolge het eerste en tweede lid overgaan, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Telkens wanneer met betrekking tot grond aan het bureau beheer landbouwgronden een recht van eigendom of een daarvan afgeleid recht wordt aangeboden, is het bureau beheer landbouwgronden gehouden het hem aangeboden recht te verwerven namens en voor rekening van de provincie waarin de desbetreffende grond is gelegen, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a.
de grond is gelegen in een gebied dat is begrensd als beheersgebied overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zoals die luidde tot 1 januari 2007, onderscheidenlijk hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies;
- b.
ten aanzien van de grond is beheerssubsidie verleend voor de beheerspakketten opgenomen in de bijlagen 6 tot en met 11, 15, en 24 tot en met 27 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zoals die luidde tot 1 januari 2007 of voor de beheerspakketten opgenomen in de bijlagen 6 tot en met 11, 15, 24a en 26a van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van een der onderscheiden provincies;
- c.
gedeputeerde staten van betrokken provincie achten het aannemelijk dat:
- 1°.
zodanige grond niet aan derden kan worden vervreemd of ten gunste van derden in gebruik kan worden afgestaan, of
- 2°.
ten aanzien van zodanige grond vestiging van een ander beperkt recht ten gunste van derden niet kan plaatsvinden;
- 1°.
- d.
de desbetreffende provincie heeft het bureau beheer landbouwgronden gemachtigd het recht namens haar en voor haar rekening te verwerven.
Telkens wanneer met betrekking tot grond aan het bureau beheer landbouwgronden een recht van eigendom of een daarvan afgeleid recht wordt aangeboden, is het bureau beheer landbouwgronden gehouden het hem aangeboden recht te verwerven namens en voor rekening van de provincie waarin de desbetreffende grond is gelegen, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a.
de grond is gelegen in een gebied als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk g, van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1 januari 2007, onderscheidenlijk artikel 13, eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk g, van de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies;
- b.
het betrokken recht berust niet bij een publiekrechtelijk lichaam of een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties zoals die luidde tot 1 januari 2007;
- c.
het aangeboden recht heeft betrekking op landbouwgrond of op grond ten aanzien waarvan subsidie functieverandering op grond van een regeling als bedoeld in onderdeel a is verleend;
- d.
de desbetreffende provincie heeft het bureau beheer landbouwgronden gemachtigd het recht namens haar en voor haar rekening te verwerven.
De door het bureau beheer landbouwgronden te betalen prijs voor de verwerving van het recht, bedoeld in de artikelen 5 en 6, wordt bepaald op basis van de daartoe in opdracht van het bureau beheer landbouwgronden getaxeerde waarde van de betrokken grond in het economische verkeer bij agrarische bestemming.
In zoverre in afwijking van artikel 7 wordt, indien op de grond een verplichting is gevestigd als bedoeld in artikel 46 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1 januari 2007, onderscheidenlijk artikel 40 van de Subsidieregeling natuurbeheer van een der onderscheiden provincies en het bureau beheer landbouwgronden verwerving van het eigendomsrecht wordt aangeboden, komt de door het bureau beheer landbouwgronden voor de verwerving van dat recht te betalen prijs overeen met de som van:
- a.
de actuele waarde van de grond in het economisch verkeer bij bestemming natuur of bos, welke waarde wordt bepaald op basis van een daartoe door het bureau beheer landbouwgronden verrichte taxatie, en
- b.
de op het moment van verkoop nog niet uitbetaalde subsidie functieverandering, welke subsidie in contante waarde is uitgedrukt, rekening houdend met een jaarlijkse rentevoet van 4%.
Ingeval de verwerving, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een met een beperkt gebruiksrecht belast eigendomsrecht, wordt de in het eerste lid bedoelde som verminderd met de waarde van het desbetreffende beperkt gebruiksrecht, welke waarde wordt bepaald op basis van de in opdracht van het bureau beheer landbouwgronden verrichte taxatie.
Indien de uitkomst van de in opdracht van het bureau beheer landbouwgronden verrichte taxatie voor de andere partij niet aanvaardbaar is, vindt in opdracht van die partij nadere taxatie van de waarde van de betrokken grond plaats door een driemanschap waarvan een lid wordt aangewezen door:
- a.
die partij;
- b.
het bureau beheer landbouwgronden;
- c.
de onder a en b bedoelde personen gezamenlijk.
Het driemanschap verricht de nadere taxatie met inachtneming van artikel 7, tweede lid.
Het driemanschap beslist met meerderheid van stemmen. De beslissing van het driemanschap heeft de kracht van een bindend advies ten aanzien van de te betalen grondprijs.
De kosten van de nadere taxatie, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkelijk verdeeld tussen beide partijen.
Op verzoek van de provincie op wier grondgebied de grond, bedoeld in artikel 5 of 6, is gelegen kan de Minister besluiten vanaf een in overleg met die provincie te bepalen tijdstip de gehoudenheid van het bureau beheer landbouwgronden op te schorten.
De Minister schort de gehoudenheid van het bureau beheer landbouwgronden in ieder geval op, als:
- a.
de betrokken provincie de prestaties, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, geheel of nagenoeg geheel heeft gerealiseerd voor het betrokken gebied, of
- b.
de Ecologische Hoofdstructuur in de betrokken provincie geheel of nagenoeg geheel is gerealiseerd.
Het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Gedeputeerde staten nemen een besluit op het verzoek van de onteigende partij, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, om tegen evenredige inbreng van de haar ingevolge de onteigeningswet toekomende schadeloosstelling in aanmerking te komen voor toedeling van vervangende grond op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Gedeputeerde staten wijzen het verzoek af ingeval het belang van de landinrichting zich tegen de toedeling verzet.
De toedeling vindt plaats met toepassing van de artikelen 12 tot en met 14.
Indien de onteigening ten behoeve van de realisatie van een infrastructureel werk, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet, eerder plaatsvindt dan de toedeling van vervangende grond, bedoeld in artikel 11, besluiten gedeputeerde staten op verzoek van de onteigende partij op grond van artikel 45, eerste lid, van de wet of aan deze grond in tijdelijk gebruik kan worden gegeven. Indien gedeputeerde staten besluiten aan de onteigende partij grond in tijdelijk gebruik te geven, doen zij van hun besluit mededeling aan de deskundigen die op grond van artikel 27 van de onteigeningswet zijn benoemd door de rechtbank die uitspraak doet over de schadeloosstelling.
Het bestuursorgaan dat besluit tot de onteigening, bedoeld in het eerste lid, vergoedt aan gedeputeerde staten de kosten die zijn gemoeid met het in tijdelijk gebruik geven van grond op grond van het besluit van gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid. Bedoelde kosten worden mede gebaseerd op de schadeloosstelling.
Na de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 37 van de onteigeningswet, maakt de onteigende partij de op grond van deze uitspraak ontvangen schadeloosstelling binnen vier weken na ontvangst van het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 12, tweede lid, over aan gedeputeerde staten.
Na ontvangst van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt deze beheerd door gedeputeerde staten.
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 14, maakt de wettelijke rente over de periode van het beheer, bedoeld in het tweede lid, deel uit van de schadeloosstelling, bedoeld in het eerste lid.
Na de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 37 van de onteigeningswet, stellen gedeputeerde staten vast in welke mate de toedeling van vervangende grond, bedoeld in artikel 11, de schade ontstaan door de onteigening, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, compenseert. Voor zover bedoelde toedeling de schade ontstaan door de onteigening niet of niet volledig compenseert, keren gedeputeerde staten de schadeloosstelling uit aan de onteigende partij afhankelijk van de mate waarin geen of geen volledige compensatie heeft plaatsgevonden door bedoelde toedeling.
Voor zover de schadeloosstelling op grond van het eerste lid niet wordt uitgekeerd aan de onteigende partij, wordt deze in mindering gebracht op de kosten, bedoeld in artikel 90, derde lid, van de wet, die de gezamenlijke eigenaren in het blok, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet, dragen.
Het besluit, bedoeld in het eerste lid, maakt deel uit van de lijst der geldelijke regelingen, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet.
De gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de wet, worden bepaald met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 20.
De gelijke hoedanigheid van gronden binnen een blok wordt uiterlijk op het in het artikel 65, tweede lid, van de wet laatstbedoelde tijdstip bepaald.
De gelijke hoedanigheid van gronden binnen het blok wordt bepaald, voor zover deze uitruilbaar zijn op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3, van het Besluit herverkaveling.
De gelijke hoedanigheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken:
- a.
de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen in de bodem tot ten minste een diepte van 1 meter onder het maaiveld, en
- b.
de grondwaterkarakteristiek.
De gelijke hoedanigheid wordt vastgesteld aan de hand van deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Grondwaterkaart van Nederland met een schaal van 1:25.000.
In afwijking van het tweede lid kan de gelijke hoedanigheid worden bepaald aan de hand van bodem- of grondwaterkaarten met een grotere schaal dan 1: 25.000, indien de landinrichting plaatsvindt in een gebied met een minder grote eenvormigheid van de bodemkenmerken of grondwaterkarakteristiek.
Indien geen bodemkaart of grondwaterkaart beschikbaar is kan de gelijke hoedanigheid worden vastgesteld op basis van een advies van deskundigen.
Bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid van gronden blijven de volgende kenmerken van de gronden buiten beschouwing:
- a.
het feitelijke gebruik;
- b.
de verkavelingssituatie;
- c.
de ontsluitingssituatie;
- d.
de beheersing van het oppervlaktewaterpeil;
- e.
de mate van egaliteit van het maaiveld;
- f.
de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten of kabels en leidingen;
- g.
de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage;
- h.
overige fysieke elementen die het feitelijk gebruik beïnvloeden, en
- i.
andere dan agrarische kenmerken.
Van de gronden met een gelijke hoedanigheid wordt de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming bepaald aan de hand van een of meer van de volgende kenmerken:
- a.
de ontwateringstoestand;
- b.
de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas;
- c.
de stevigheid van de bovengrond;
- d.
de verkruimelbaarheid van de bodem;
- e.
de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
- f.
de stuifgevoeligheid van de bodem, of
- g.
de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevinden.
Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.
De bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming wordt ingedeeld in ten minste drie klassen.
De indeling, bedoeld in het eerste lid, wordt op een kaart vermeld.
In een beding van de overeenkomst, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de wet, kunnen de artikelen 60, tweede, derde en vierde lid, 81, tweede, vierde en vijfde lid, en 82, derde en vierde lid, van de wet, van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
In de notariële akte van verdeling, bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de wet, wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde artikelen in het beding, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Het bedrag, bedoeld in artikel 91, derde lid, van de wet, bedraagt € 10,–.
Bij landinrichtingsprojecten waarvoor een landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 80 van de Landinrichtingswet, onderscheidenlijk een uitwerking van het reconstructieplan als bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden is vastgesteld voor de inwerkingtreding van de wet en die worden voltooid volgens de bepalingen van de wet:
- a.
wordt het vastgestelde landinrichtingsplan ingevolge artikel 80, aanhef en onderdeel b, van de Landinrichtingswet gelijkgesteld aan het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de wet;
- b.
wordt de uitwerking van het reconstructieplan voorzover hierbij sprake is van herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 6 van die wet, gelijkgesteld aan het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de wet;
- c.
wordt het op grond van de artikelen 189 tot en met 194 van de Landinrichtingswet vastgestelde plan van tijdelijk gebruik gelijkgesteld aan het besluit, bedoeld in artikel 45, eerste lid van de wet;
- d.
wordt het begrenzingenplan, bedoeld in artikel 131 van de Landinrichtingswet gelijkgesteld aan de onderdelen van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdelen c en d, van de wet;
- e.
wordt het toewijzingsbesluit, bedoeld in artikel 133 van de Landinrichtingswet, gelijkgesteld aan het onderdeel van het inrichtingsplan bedoeld in artikel 28 van de wet;
- f.
wordt een wijziging of uitwerking van het landinrichtingsplan als bedoeld in de artikelen 84 en 85 van de Landinrichtingswet gelijkgesteld aan de planwijziging, bedoeld in artikel 18 en 19 van de wet.
De volgende procedureonderdelen en proceduremomenten, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet nog niet zijn afgerond, worden afgerond overeenkomstig de procedure van de Landinrichtingswet onderscheidenlijk de Reconstructiewet concentratiegebieden:
- a.
de vaststelling, de wijziging en de uitwerking van het landinrichtingsplan, bedoeld in de artikelen 80, 84 en 85 van de Landinrichtingswet;
- b.
de uitwerking van het reconstructieplan, bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, voorzover hierbij sprake is van herverkaveling;
- c.
de vaststelling van het plan tijdelijk gebruik, bedoeld in artikel 190 van de Landinrichtingswet.
Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing op de procedureonderdelen en proceduremomenten die ingevolge het eerste lid zijn afgerond.
In afwijking van artikel 95, derde lid, van de wet worden de volgende landinrichtingsprojecten voltooid overeenkomstig de procedure van de Landinrichtingswet:
- a.
herinrichting ‘Bodegraven-Noord’;
- b.
herinrichting ‘Boskoop’;
- c.
herinrichting ‘IJsselmonde’;
- d.
ruilverkaveling ‘Land van Maas en Waal’;
- e.
ruilverkaveling ‘Rijssen’.
Ter uitvoering van artikel 74, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005 is aangewezen:
- a.
als beheersautoriteit: de Minister;
- b.
als erkend betaalorgaan: Dienst landelijk gebied;
- c.
als certificerende instantie: de Auditdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Ter uitvoering van artikel 6, derde lid, van verordening (EG) nr. 1290/2005 is als coördinerende instantie erkend: het coördinerend bureau van de Directie Internationale Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn aangewezen de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Wijzigt de Regeling herverkaveling.
Wijzigt de Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende parken.
Wijzigt de Regeling versterking recreatie.
De volgende regelingen en besluiten worden ingetrokken:
Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de regelingen en besluiten, genoemd in de artikelen 31 tot en met 33, blijven in stand.
Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de regelingen en besluiten, genoemd in het eerste lid, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling.
In zoverre in afwijking van het eerste en tweede lid is op een aanvraag voor subsidie voor het beheerspakket: Faunarand, opgenomen in bijlage 23 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, zoals die luidde tot 15 november 2006, bijlage 23a van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de provincie waarin de betrokken beheerseenheid is gelegen van toepassing als is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a.
de aanvraag is ingediend in de periode van 1 december 2005 tot en met 31 januari 2006;
- b.
voor de betrokken beheerseenheid is over het tijdvak 2000-2006 subsidie verleend voor het beheerspakket: Faunarand, opgenomen in bijlage 23, zoals die luidde tot 25 oktober 2003.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inrichting landelijk gebied.
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
Regeling subsidiëring gebiedsgericht beleid en reconstructie concentratiegebieden;
- f.
Regeling subsidie nationale en grensoverschrijdende parken, voorzover het betreft subsidies aan de betaalinstellingen van de parken;
- g.
- h.
Regeling versterking recreatie, voorzover het betreft verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2b van genoemde regeling;
- i.
Regeling lange afstandwandelpaden;
- j.
- k.
- a.
Projectsubsidie inrichting ten behoeve van Staatsbosbeheer buiten landinrichting;
- b.
Projectsubsidie inrichting natte natuur ten behoeve van particuliere natuurbeschermingsorganisaties;
- c.
Projectsubsidie sanering BBL-gronden.