Regeling · BWBR0020892
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;
Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;
De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage18 december 2006BeatrixDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,A. J. deGeusde achtentwintigste december 2006DeMinistervoorJustitie,E. M. H.Hirsch BallinIn dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- –
afkoopvoet: verhouding tussen het af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren afkoopwaarde;
- –
balanstotaal: het balanstotaal zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
- –
De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
- –
FVP-bijdrage: bijdrage, verstrekt op grond van de Wet privatisering FVP, om te voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van een werknemer of zijn nagelaten betrekkingen;
- –
fonds:
- 1°.
pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
- 2°.
beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- 1°.
- –
opbouwkeuzevoet: verhouding tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd;
- –
overdrachtsdatum: aanvangsdatum van de deelname aan de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder;
- –
pensioenregeling:
- 1°.
pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
- 2°.
beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- 1°.
- –
rechthebbende: degene die in aanmerking komt voor waardeoverdracht;
- –
ruilvoet: verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen;
- –
uitbesteding door een uitvoerder: het door een uitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die deel uitmaken van:
- 1°.
of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf; of
- 2°.
de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan;
- 1°.
- –
uitvoerder:
- 1°.
pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
- 2°.
pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
- 1°.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen de Principes voor goed pensioenfondsbestuur, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid op 16 december 2005.
Een uitvoerder besteedt niet uit:
- a.
taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid;
- b.
werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen;
- c.
indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde.
Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.
In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:
- a.
welke werkzaamheden worden uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de administratieve organisatiebeschrijving van het fonds, alsmede de voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt;
- b.
de onderlinge informatie-uitwisseling tussen het fonds en de derde, met inbegrip van afspraken over het beschikbaar stellen van informatie waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn wettelijke taak om verzoekt;
- c.
de mogelijkheid voor het fonds om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;
- d.
de verplichting voor de derde om het fonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde;
- e.
de mogelijkheid voor de toezichthouder om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; en
- f.
de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het fonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
De toezichthouder maakt slechts gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, indien niet op andere wijze bij het fonds kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde.
Indien in de overeenkomst is opgenomen dat de derde gegevens en inlichtingen ten behoeve van het toezicht rechtstreeks aan de toezichthouder beschikbaar stelt, kan de toezichthouder zich ook wenden tot die derde. De derde is verplicht om de toezichthouder alle medewerking te verlenen.
Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel bedoeld in artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.
Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.
De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.
De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:
- a.
de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd;
- b.
de toeslagverlening;
- c.
geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en
- d.
alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.
Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.
De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder.
De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.
Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn of worden verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.
De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.
Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.
De overdrachtswaarde wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.
De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.
De termijnen, genoemd in dit hoofdstuk, zijn op waardeoverdracht van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, niet eerder van toepassing dan nadat de overdragende uitvoerder de FVP-bijdrage heeft ontvangen.
Overschrijding van de in dit hoofdstuk gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt de deelnemer niet tegengeworpen.
De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is tenminste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief.
Indien de overdrachtswaarde niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.
Bij de berekening van de overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:
- a.
partnerpensioen dat is verzekerd op risicobasis, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen; en
- b.
aanspraken op partnerpensioen die achterblijven bij de overdragende uitvoerder.
De overdrachtswaarde wordt, in afwijking van het eerste lid, niet berekend op basis van het standaardtarief indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit:
- a.
een kapitaalovereenkomst of kapitaalregeling;
- b.
een premieovereenkomst of premieregeling, waarbij de premie wordt belegd; of
- c.
een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal.
Onze Minister stelt regels voor de berekening van de overdrachtswaarde in de in het vierde lid genoemde gevallen.
Indien bij een uitkeringsovereenkomst of een uitkeringsregeling de overdrachtswaarde niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of van het fonds waar de regeling was ondergebracht.
Onze Minister stelt regels voor de berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder.
In geval van waardeoverdracht naar een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.
De na waardeoverdracht verkregen aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op dezelfde manier behandeld worden.
Indien de ontvangende uitvoerder een beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.
Indien in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.
In een pensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.
Voorafgaand aan de benoeming van een persoon die het beleid van een fonds gaat bepalen of mede bepalen toetst de Nederlandsche Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die persoon, bedoeld in artikel 105 van de Pensioenwet dan wel artikel 110 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Voor het voldoen aan de vereiste deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis en ervaring aanwezig dat het fonds, mede gelet op artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, behoorlijk wordt bestuurd.
Ten minste twee personen in de kring van personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een organisatie.
De in het eerste lid bedoelde deskundigheid heeft betrekking op:
- a.
het besturen van een organisatie;
- b.
relevante wet- en regelgeving;
- c.
pensioenregelingen en pensioensoorten;
- d.
financieel technische en actuariële aspecten, waaronder financiering, beleggingen, actuariële principes en herverzekering;
- e.
administratieve organisatie en interne controle; en
- f.
communicatie.
Het fonds geeft op verzoek van de Nederlandsche Bank aan:
- a.
hoe het beleid van het fonds ter bevordering en handhaving van het vereiste deskundigheidsniveau luidt;
- b.
welke personen belast zijn met welke beleidsbepalende taken;
- c.
welke personen over welke deskundigheid beschikken; en
- d.
hoe en binnen welke termijn bepaalde tekortkomingen in de vereiste deskundigheid opgeheven zullen worden.
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 105, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in ieder geval in aanmerking de in de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
- a.
door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
- b.
van de Landelijke Officier van Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;
- c.
gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet documentatie vennootschappen;
- d.
gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
- e.
gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
- f.
ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
- g.
inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
- h.
gegevens uit openbare bronnen;
- i.
inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 31 bedoelde persoon betrokken is geweest;
- j.
inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
- k.
gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
- a.
de reden van het nadere onderzoek;
- b.
de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
- c.
de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:
- a.
het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
- b.
de belangen die de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling beogen te beschermen; en
- c.
de overige belangen van het fonds en de betrokkene.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, 28, eerste lid, indien het fonds geen deelnemersraad heeft, 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars, 36, 38 tot en met 51, 52, tweede tot en met zesde lid, 66, derde en vierde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid, 76, derde en negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 134, tweede lid van de Pensioenwet.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 38, eerste lid, 39, eerste lid, 42, voor zover het betreft de klachtenregeling van verzekeraars, 44, 46 tot en met 62, 63, tweede tot en met zesde lid, 78, derde en vierde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 129, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de regels genoemd in het eerste en tweede lid.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172, 173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:
- a.
de uitwisseling van gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 205 van de Pensioenwet en artikel 199 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- b.
de afstemming van beleidsregels, met name over de inzet van handhavinginstrumenten;
- c.
de wijze waarop en het moment wanneer informatie over de toepassing van een handhavinginstrument wordt uitgewisseld;
- d.
het overnemen van elkaars oordeel.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.
De toezichthouder deelt Onze Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.
De toezichthouder stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en taakverdeling binnen het bestuur of de directie.
De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.
De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.
De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.
De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.
De Nederlandsche Bank kan eenmalig een bedrag in rekening brengen aan een uitvoerder ter vergoeding van kosten van de behandeling van:
- a.
de toetsing van de betrouwbaarheid van personen als bedoeld in artikel 105, negende lid, van de Pensioenwet en artikel 110, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- b.
de toetsing van de deskundigheid van personen als bedoeld in artikel 30;
- c.
een verzoek om verlening of wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 125, onderdeel a, van de Pensioenwet en artikel 25, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
- d.
de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 210 van de Pensioenwet en artikel 204 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Bij regeling van Onze Minister wordt op voorstel van de Nederlandsche Bank de hoogte van de eenmalig in rekening te brengen bedragen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.
De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan uitvoerders ter zake van kosten als bedoeld in artikel 160 van de Pensioenwet dan wel artikel 155 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover de desbetreffende kosten niet al op grond van artikel 41 in rekening worden gebracht.
De op grond van het eerste lid in rekening te brengen kosten worden op basis van de begroting waarmee is ingestemd door Onze Minister, geraamd voor het jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft.
De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieën van uitvoerders naar de mate van het beslag op de werkzaamheden van de toezichthouder, bedoeld in artikel 160 van de Pensioenwet en artikel 155 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De per categorie toegerekende geraamde kosten worden verminderd of vermeerderd met het aan de desbetreffende categorie toe te rekenen exploitatiesaldo als bedoeld in artikel 160, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 155, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en verminderd met de aan de desbetreffende categorie toe te rekenen opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen als bedoeld in artikel 160, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 155, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling die niet reeds zijn opgenomen in het exploitatiesaldo.
De in het derde lid bedoelde categorieën van pensioenuitvoerders zijn:
- a.
fondsen;
- b.
verzekeraars.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere categorieën worden vastgesteld.
Het bedrag, bedoeld in artikel 42, eerste lid, bestaat uit een per categorie vast te stellen minimumbedrag ter dekking van de minimale toezichtkosten per uitvoerder in de desbetreffende categorie, vermeerderd met een bedrag dat:
- a.
wordt gebaseerd op de kosten die per categorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 42, onder aftrek van het totaal van de aan de desbetreffende categorie in rekening te brengen minimumbedragen, en
- b.
is doorberekend naar rato van de maatstafgegevens die betrekking hebben op het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het daaraan voorafgaande jaar of het lopende jaar.
Bij regeling van Onze Minister wordt op voorstel van de toezichthouder vastgesteld:
- a.
het minimumbedrag per onderwerp van toezicht: gedragstoezicht, prudentieel toezicht en materieel toezicht;
- b.
de maatstaf per categorie; en
- c.
de maximummaatstaf per categorie.
Het bedrag, bepaald op basis van artikel 43, wordt voor een uitvoerder die niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar onder een categorie valt, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat de uitvoerder onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.
Aan een uitvoerder die niet langer onder een categorie valt, wordt het bedrag terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden van het jaar dat de uitvoerder niet langer onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.
Een uitvoerder verstrekt binnen een door de toezichthouder te stellen redelijke termijn een opgave van de maatstafgegevens.
Indien een uitvoerder niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een opgave heeft gedaan of een kennelijk onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan, kan de toezichthouder een schatting maken van de maatstafgegevens.
De toezichthouder bepaalt de wijze en het tijdstip van betaling van de bedragen, bedoeld in de artikelen 41 en 42.
Indien als wijze van betaling automatische incasso is overeengekomen, kan de toezichthouder bij het in rekening brengen van het bedrag per factuur een korting toepassen.
Indien een uitvoerder het vermogen heeft gekregen van een uitvoerder die in het lopende jaar of in het voorafgaande jaar is opgehouden onder een categorie te vallen, wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 42, eerste lid, die door de toezichthouder ten aanzien van laatstbedoelde uitvoerder zijn gemaakt, in rekening gebracht bij de verkrijgende uitvoerder, voor zover deze kosten niet reeds bij de laatstbedoelde uitvoerder in rekening zijn gebracht.
Voor de tariefnummers, behorend bij de in artikel 49 genoemde overtredingen, zijn de boetebedragen als volgt vastgesteld:
Tariefnummer | Boete |
1 | € 1.000 |
2 | € 6.000 |
3 | € 24.000 |
4 | € 96.000 |
Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet, is als volgt beboetbaar:
Pensioenwet | Tariefnummer |
3 | |
3 | |
4 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
4 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
4 | |
4 | |
4 | |
4 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
2 | |
3 | |
1 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
1 | |
1 | |
1 | |
2 | |
2 | |
1 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 | |
4 | |
4 | |
4 | |
3 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
1 | |
3 | |
2 | |
1 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 |
Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is als volgt beboetbaar:
Wet verplichte beroepspensioenregeling | Tariefnummer |
4 | |
3 | |
2 | |
4 | |
3 | |
1 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 | |
3 | |
4 | |
4 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
4 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
4 | |
4 | |
4 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
2 | |
3 | |
1 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
1 | |
1 | |
3 | |
3 | |
4 | |
4 | |
4 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 | |
3 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
2 | |
2 | |
2 | |
2 | |
1 | |
3 | |
2 | |
2 | |
2 | |
3 | |
3 |
Overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht wordt beboet volgens tariefnummer 3.
Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit, is als volgt beboetbaar:
Indien een boete wordt opgelegd aan een uitvoerder, houdt de toezichthouder rekening met diens draagkracht.
De draagkracht komt in de hoogte van de boete tot uiting door het boetebedrag, zoals bepaald op grond van de artikelen 48 en 49, te vermenigvuldigen met de op grond van artikel 51 toepasselijke draagkrachtfactor.
Indien de toezichthouder niet beschikt over de voor de bepaling van de draagkracht noodzakelijke gegevens, verzoekt hij degene aan wie de boete zal worden opgelegd deze gegevens binnen een door hem te stellen redelijke termijn te verstrekken.
Indien de uitvoerder de in het derde lid bedoelde gegevens niet binnen de in dat lid bedoelde termijn verstrekt, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de draagkrachtfactor vijf van toepassing.
De in artikel 50, tweede lid, bedoelde draagkrachtfactoren zijn:
- a.
draagkrachtfactor een: uitvoerders met een balanstotaal van minder dan € 10.000.000;
- b.
draagkrachtfactor twee: uitvoerders met een balanstotaal van tenminste € 10.000.000, maar minder dan € 50.000.000;
- c.
draagkrachtfactor drie: uitvoerders met een balanstotaal van tenminste € 50.000.000, maar minder dan € 250.000.000;
- d.
draagkrachtfactor vier: uitvoerders met een balanstotaal van tenminste € 250.000.000, maar minder dan € 500.000.000;
- e.
draagkrachtfactor vijf: uitvoerders met een balanstotaal van € 500.000.000 of meer.
Ten aanzien van de in artikel 18, derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
In aanvulling op artikel 22, eerste lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet blijft, tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 45 van de Pensioenwet, artikel 8a, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
Het Besluit verplichte beroepspensioenregeling wordt ingetrokken.
Het Besluit minimumbedrag eigen vermogen pensioenfondsen wordt ingetrokken.
Wijzigt dit besluit.
Wijzigt dit besluit.
Wijzigt het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000.
Wijzigt het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000.
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.
Wijzigt het Besluit bestuursorganen WNo en Wob.
Wijzigt het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties.
Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 10 en artikel 15.
De artikelen 2 tot en met 10 treden in werking met ingang van 1 januari 2008.
Artikel 15 geldt ten aanzien van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Pensioenwet en artikel 73, eerste, derde, vierde en zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang van 1 januari 2008.
Artikel 15 geldt ten aanzien van de keuzemogelijkheid, bedoeld in artikel 61, tweede, zevende, achtste en negende lid, van de Pensioenwet en artikel 73, tweede, zevende, achtste en negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling met ingang van 1 januari 2009.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Bij onherroepelijk vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
- –
het in of vanuit Nederland, beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht Wft);
- –
het doorgeven van voorwetenschap als bedoeld in de artikelen 5:53 en 5:56 van de Wft of de nadrukkelijke aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder daarbij de voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van de Wft);
- –
deelneming aan een criminele of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr));
- –
valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr);
- –
opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a WvSr);
- –
opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);
- –
diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikelen 311 en 312 WvSr);
- –
verduistering (artikelen 321 tot en met 323 WvSr);
- –
benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);
- –
opzetheling (artikel 416 WvSr);
- –
witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420 ter WvSr); of
- –
overtreding van een bepaling uit de financiële ordeningswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete van ten minste de vierde categorie; of
- –
overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
- –
openbare orde en discriminatie (artikelen 131 tot en met 151a);
- –
gemeengevaarlijke misdrijven (artikelen 157 tot en met 175);
- –
openbaar gezag (artikelen 177 tot en met 207a );
- –
muntmisdrijven (artikelen 208 tot en met 215 WvSr);
- –
andere valsheiddelicten dan muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235 WvSr);
- –
opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a WvSr);
- –
opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b WvSr);
- –
misdrijven tegen de zeden (artikelen 242, 246, 243 tot en met 245, 247 tot en met 250, 250ter WvSr);
- –
bedreiging met geweld of misdrijf (artikel 285 WvSr);
- –
geweldsmisdrijven tegen het leven (artikelen 287 tot en met 294 WvSr);
- –
mishandeling (artikelen 300 tot en met 306 WvSr);
- –
dood en lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 tot en met 309 WvSr);
- –
eenvoudige diefstal (artikel 310 WvSr);
- –
diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikel 311 WvSr);
- –
diefstal met geweld (artikel 312 WvSr);
- –
afpersing (artikel 317 WvSr);
- –
verduistering (artikelen 321 tot en met 323 WvSr);
- –
bedrog (artikelen 326 tot en met 337 WvSr);
- –
benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 WvSr);
- –
vernieling (artikelen 350 tot en met 354);
- –
ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot en met 380 WvSr);
- –
heling en schuldheling (artikelen 416 tot en met 417 bis WvSr);
- –
witwassen (artikelen 420 bis tot en met 420 quinquies WvSr);
- –
opgave van valse naam, academische titel etc. (artikel 435 WvSr);
- –
indruk wekken van officieel gesteund of erkend optreden (artikel 435b WvSr);
- –
onbevoegd uitoefenen makelaardij (artikel 436a WvSr);
- –
eigenmachtig handelen tijdens surséance (artikel 442 WvSr);
- –
verstrekken van onware gegevens (artikel 447c WvSr); of
- –
schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 447d WvSr).
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
- –
met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2, eerste lid);
- –
met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen softdrugs (3, eerste lid); of
- –
voorbereidingshandelingen met betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkel harddrugs (artikel 10a, eerste lid).
Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties en artikel 2, eerste, tweede en zesde lid, 5, 6, 7 en 8 van de Wet identificatie bij dienstverlening.
- –
zonder erkenning wapens of munitie vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid);
- –
voorhanden hebben etc. van bepaalde wapens (artikel 13, eerste lid);
- –
zonder consent bepaalde wapens of munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);
- –
zonder vergunning/verlof vervoeren van bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);
- –
verboden voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of
- –
verboden overdragen van bepaalde wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).
- –
dood of letsel door schuld (artikel 6);
- –
doorrijden na ongeval (artikel 7);
- –
rijden onder invloed (artikel 8);
- –
motorvoertuig besturen na ontzegging (artikel 9);
- –
joyriding (artikel 11); of
- –
medewerking weigeren aan onderzoek (artikel 163).
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties worden ook verstaan transacties in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 1 genoemde.
- –
betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;
- –
ten aanzien van betrokkene is surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;
- –
betrokkene is thans in Nederland of elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken; of
- –
de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.
- –
de huidige of één van de voormalige werkgevers van betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins medeverantwoordelijk of medeverantwoordelijk is of was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische procedures in Nederland of elders geleid;
- –
met betrekking tot de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon beleidsbepaler of medebeleidsbepaler bekleedt/bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken;
- –
betrokkene is veroordeeld tot het voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 50a, 138, 149, 248, 259 en 300a).
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
- –
het onjuist en/of onvolledig verstrekken van gegevens aan een van overheidswege, in Nederland of in het buitenland, met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;
- –
betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;
- –
een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder;
- –
betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is in conflict geweest met een van overheidswege (in Nederland of elders) met het toezicht op de financiële markten belaste toezichthouder, en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;
- –
aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring door de Minister van Justitie ter zake van de oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd op gronden genoemd in artikel 68, tweede lid, 179, tweede lid, 125, tweede lid, onderscheidenlijk 235, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
- –
opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);
- –
het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e);
- –
het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
- –
opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);
- –
het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of
- –
het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
- –
de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;
- –
betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid;
- –
betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene (zoals in de vorm van een waarschuwing, berisping, schorsing of ontslag).