U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2019.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid, 109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet; artikel 81, tweede lid en 153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 9, vierde lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid en 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;

Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34 handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;

Besluit:

Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag19 december 2006De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J. deGeus

Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:

Als instelling als bedoeld in artikel 51, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aangewezen de Stichting Pensioenregister.

Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De reële dekkingsgraad, bedoeld in artikel 133b van de Pensioenwet dan wel artikel 128b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de beleidsdekkingsgraad die ingevolge artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vereist voor voorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De opschriften, iconen en sjablonen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en artikel 9b, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft de opschriften, iconen en sjablonen die op 30 juni 2016 op de website www.pensioen123.nl zijn gepubliceerd.

Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht.

Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981.

Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995.

Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen.

Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

1. Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;

2. het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;

3. het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;

4. het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;

5. het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;

6. de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;

7. de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;

8. de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;

9. de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;

10. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;

11. de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;

12. de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;

13. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;

14. de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

15. de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;

16. de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;

17. de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;

18. de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;

19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);

20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank;

21. het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie;

22. het Satellietcentrum van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie.

Vervallen

Vervallen

1. De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:

2. In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.

1. De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:

2. De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:

a: de verhouding nabestaandenpensioen/ouderdomspensioen in de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

β: de verhouding tussen een eventuele andere pensioenvorm en het ouderdomspensioen, zonodig berekend uit de totale aanspraken (zonder overdracht) volgens de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

OP: ouderdomspensioen;

NP: nabestaandenpensioen;

OV: overige pensioenvormen;

OW: overdrachtswaarde;

kps-OP: de contantewaardefactor voor ouderdomspensioen volgens het standaardtarief;

kps-NP: de contantewaardefactor voor nabestaandenpensioen volgens het standaardtarief;

kps-OV: de contantewaardefactor voor overige pensioenvormen volgens het standaardtarief.

3. Wanneer in het eerste lid aan OP, NP en OV de letters nw zijn toegevoegd, betekent dit dat het pensioenaanspraken in de regeling bij het overnemende uitvoeringsorgaan ondergebracht uit hoofde van de waardeoverdracht betreft.

Het scenario voor renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, per looptijd te vermenigvuldigen met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. Indien de rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1)* 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1)* 4%).

Voor beleggingen die gerelateerd zijn aan de reële rente, zoals inflation linked bonds, worden kleinere renteschokken toegepast (rechts in de tabel). Verondersteld is dat 50% van de nominale renteschok zichtbaar is in een schok in de reële rente en dat de overige 50% toegeschreven kan worden aan een mutatie in de (break-even) inflatie.

Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:

S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.

S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.

S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.

S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.

S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.

S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.

S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.

S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.

S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.

S10 voor het vereist eigen vermogen voor het actief beheer risico.

Het vereist eigen vermogen (VEV) wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:

waarbij ρ1 2 = 0,40 en ρ1 5 = 0,40 indien voor S1 wordt uitgegaan van een rentedaling en nihil indien S1 is gebaseerd op een rentestijging, en ρ2 5 = 0,50.

Het vereist eigen vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en beursgenoteerd vastgoedrisico S2 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten, inclusief beursgenoteerd vastgoed (S2A), aandelen opkomende markten (S2B), niet-beursgenoteerde aandelen (S2C) en niet-beursgenoteerd vastgoed (S2D) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S2) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S2A tot en met S2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S2 aan de hand van de formule:

waarbij ρ' = 0,75.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het valutarisico S3 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor valutarisico, (S3), rekening wordt gehouden met een correlatie (ρ) van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; 0,75 tussen valuta in opkomende markten en 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds. Het vereist vermogen voor valutarisico wordt vastgesteld voor enerzijds ontwikkelde markten (S3 A) en anderzijds opkomende markten (S3 B) en gecombineerd aan de hand van de volgende formules:

Het vereist vermogen voor valutarisico (S3) voor de totale portefeuille is gelijk aan de som van het vereist vermogen voor valutarisico van ontwikkelde en opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,25:

Waarbij het vereist vermogen voor valutarisico op ontwikkelde markten (S3 A) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta in ontwikkelde markten, rekening houdend met een correlatie van 0,50 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 20%:

Het vereist vermogen voor valutarisico op opkomende markten (S3 B) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta van opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,75 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 35%:

Bij de bepaling van het vereist vermogen per individuele valuta wordt rekening gehouden met de ‘net exposure’, dat wil zeggen de gevoeligheid voor een daling in deze valuta ten opzichte van de euro rekening houdend met eventuele valutahedges.

Bijlage als bedoeld in artikel 14i

De berekening bestaat uit een algemeen deel dat voor de gehele regeling geldt en een specifiek deel dat toegepast wordt op de pensioenaanspraken van de individuele deelnemer. In het algemene deel worden de koopkrachtfactoren bepaald die gelden voor het fonds. Voor ieder scenario worden de volgende stappen 60 keer doorlopen vanwege de simulatiehorizon van 60 jaar. De berekeningsstappen die tot de verwachte pensioenbedragen leiden, zijn:

Stap 1: Effect beleggingsbeleid

Op basis van de duratie van de uitkeringen, het fondsspecifieke beleggingsbeleid en de voorgeschreven uniforme scenarioset worden de overrendementen op de beleggingen berekend ten opzichte van de verplichtingen.

Stap 2: Dekkingsgraadontwikkeling

Stap 3: Koopkrachtfactoren

Op basis van de aanpassingen berekend in stappen 2b, 2c en de prijsinflatie uit het scenario wordt de jaarlijkse correctiefactor berekend. De koopkrachtfactor wordt hiermee aangepast. Er wordt bij de koopkrachtfactor onderscheid gemaakt tussen reeds opgebouwd en te bereiken pensioen. Ten slotte, wordt op basis van het verschil tussen de pensioenleeftijd en huidige leeftijd van iedere deelnemer bepaald welke koopkrachtfactoren van toepassing zijn op het opgebouwde pensioen en op het nog op te bouwen pensioen. De betreffende bedragen worden met deze koopkrachtfactoren vermenigvuldigd om de te verwachten pensioenbedragen te bepalen.

Stap 1 – Effect van het beleggingsbeleid

Het effect van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 14h, tweede lid, is een resultante van het rendement op zakelijke waarden en vastrentende waarden van de beleggingsportefeuille en het rendement op renteafdekking, ten opzichte van de waardeverandering in de technische voorziening door wijziging van de rentetermijnstructuur.

Bepaling renteveranderings-effect op de technische voorziening

De waardeverandering van de technische voorziening bestaat uit twee componenten; de renteverandering en het verdisconteringseffect. Het wordt als volgt bepaald:

Waarbij

De gemiddelde rentes zijn bepaald voor ieder projectiejaar in ieder scenario per interval. De intervallen zijn: [1, 1], [1, 10], [1, 20], [1, 30], etc. Het betreffende interval wordt bepaald door de duratie van de verplichtingen te vermenigvuldigen met twee en af te ronden op een tiental.

Bepaling renteverandering effect op vastrentende waarden

Het renteverandering effect op de vastrentende waarden wordt op vergelijkbare wijze berekend, maar dan op basis van de gemiddelde rente bij de duratie van de vastrentende waarden:

Waarbij

Gecombineerd renteveranderingseffect vastrentende waarden en rente afdekking

Het effect van een eventuele renteafdekking wordt meegenomen in het fondsrendement. Als het renteafdekkingspercentage (β) 0% is, heeft de renteafdekking geen aanvullende effect op het rendement. Het rendement van vastrentende waarden en de hierin opgenomen duratie wordt wel behaald.

Het renteafdekkingspercentage wordt uitgedrukt als percentage van de technische voorziening. Het rendement van de renteafdekking wordt alleen meegenomen als hierdoor een duratie verhogend effect optreedt, en een afname van de rentegevoeligheid, ten opzichte van de rentegevoeligheid die door de reeds aanwezige vastrentende waarden wordt veroorzaakt. In de formule wordt dit zichtbaar door het maximum te nemen van de twee grootheden en bij toename van de waarde van de verplichtingen door de gerealiseerde renteverandering. Juist bij een daling van de waarde van de verplichtingen door een renteverandering wordt het minimum van deze twee grootheden genomen:

waarbij

rβ = renteveranderingseffect renteafdekking

α = percentage aandelen volgens mapping

β = percentage afdekking renterisico

DGt = dekkingsgraad primo

Effect van beleggingsbeleid

Het effect van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 14h, tweede lid, is het overrendement van behaalde rendementen op de beleggingen uitgedrukt ten opzichte van de groei van de verplichtingen. Deze geeft aan in welke mate de dekkingsgraad verandert.

Het behaalde rendement op de beleggingen wordt bepaald door het rendement op aandelen, het rendement op vastrentende waarden en het rendement op de renteafdekking. Het rendement op vastrentende waarden en rente afdekking wordt bepaald door de som van het 1-jaars rente-effect plus het renteveranderingseffect van vastrentende waarden en de rente afdekking (rβ).

De verplichtingen nemen toe met de 1-jaars rente plus het renteveranderingseffect van de technische voorziening.

waarbij

rv = effect van beleggingsbeleid

rα = aandelenrendement

Stap 2 – Dekkingsgraadontwikkeling

De ontwikkeling van de dekkingsgraad bestaat uit vier deelstappen:

Stap 2a Dekkingsgraad voor toeslagverlening en kortingen

Om de dekkingsgraad vóór toeslagverlening en kortingen te bepalen wordt eerst het effect van de premie en de uitkeringen bepaald.

Effect premie op dekkingsgraad

Het verschil in de netto benodigde premie (wegens toename van de voorziening) en ontvangen netto premie komt ten gunste aan de dekkingsgraad. Bij de vaststelling van de impact van premie en koopsom op de dekkingsgraad wordt impliciet aangenomen dat de betaalde premie en de koopsom, een vast percentage van de technische voorziening zijn.

waarbij

TV = Technische voorziening

Pf = premie als toevoeging aan het vermogen

Pk = koopsom nieuwe pensioenopbouw als toevoeging aan TV

Effect uitkering op DG

Indien uitkeringen kunnen leiden tot vrijval van middelen voor toeslagen, wordt dit meegenomen in de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Indien uitkeringen geen invloed hebben op de toeslagen wordt dit buiten beschouwing gelaten. Dit kan vormgegeven worden door de parameter u (het % van de technische voorziening dat jaarlijks in de vorm van uitkeringen het fonds verlaat), op 0% te stellen:

Dekkingsgraad voor toeslagverlening

De dekkingsgraad vóór toeslagverlening, bedoeld in artikel 14h, eerste lid, onderdeel a, is de dekkingsgraad uit periode t, gecorrigeerd voor het effect van het beleggingsbeleid, vermenigvuldigd met het uitkeringeneffect en het premie-effect

DGt +1-0 = DGt · (1+rv) · effect premie op DG∙effect uitkering op DG

Waarbij

DGt +1-0 = dekkingsgraad ultimo jaar t vóór toeslagverlening

Stap 2b Toeslagpercentage

Afhankelijk van de hoogte van de ‘dekkingsgraad voor toeslagverlening’ en het toeslagbeleid wordt het toeslagpercentage voor dat jaar berekend, bedoeld in artikel 14h, vierde lid.

It =

Waarbij

Stap 2c Kortingen

Bij de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in artikel 14h, vierde lid, worden onvoorwaardelijke en voorwaardelijke kortingen onderscheiden.

Onvoorwaardelijke korting:

Waarbij

Waarbij a oploopt met de jaren als er meerdere jaren achter elkaar sprake is van onderdekking, en a gelijk is aan nul als er geen sprake is van onderdekking. Onvoorwaardelijke kortingen worden uitgesmeerd over de hiervoor geldende periode.

Voorwaardelijke kortingen volgens herstelplansystematiek

Waarbij

Voor fondsen waar vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten niet mogelijk is, bedoeld in artikel 14h, vijfde lid, worden Kto en Ktv beide gelijk gesteld aan 0. Om dit in de berekening te vatten, is het noodzakelijk dat in de berekening de vereiste dekkingsgraad (VDG) en minimaal vereiste dekkingsgraad (MVDG) gelijk gesteld worden aan 1%. De dekkingsgraad primo is voor die uitvoerders gelijk aan de dekkingsgraad ultimo na toeslagverlening van het vorige jaar.

Stap 2d Dekkingsgraad ultimo jaar na toeslagverlening en korting

Om de dekkingsgraad ultimo jaar te bepalen, bedoeld in artikel 14h, derde lid, wordt de dekkingsgraad vóór toeslagverlening aangepast in verband met de verleende toeslag.

waarbij

DGt +1 = dekkingsgraad ultimo jaar t na indexatie

Stap 3 – Koopkrachtfactoren

De koopkrachtfactoren worden bepaald aan de hand van de jaarlijkse correctiefactor. Op basis van de toeslagverlening en kortingen berekend in stap 2b en 2c, en de prijsinflatie uit het scenario wordt de jaarlijkse correctiefactor berekend. Er wordt bij de koopkrachtfactoren onderscheid gemaakt tussen reeds opgebouwd en nieuw op te bouwen pensioen

Correctiefactor en indexatieachterstand

De correctiefactor voor het reeds opgebouwde pensioen, bedoeld in artikel 14h, eerste lid, onderdeel c, is gelijk aan de aanpassing van het pensioen verminderd met de scenarioprijsinflatie. Indien de aanpassing van het pensioen minder is dan de prijsinflatie, dan daalt het reeds opgebouwde pensioen en indien de aanpassing van het pensioen hoger is dan de prijsinflatie, dan stijgt dat bedrag. De indexatieachterstand wordt in deze stap ook aangepast.

Koopkrachtfactoren

De koopkrachtfactor voor het reeds opgebouwd pensioen wordt als volgt bepaald:

Ct +1 = Ct(1 + ∆Ct+1)

waarbij

Ct = koopkrachtfactor reeds opgebouwd pensioen op tijdstip t

C0 = 1

Bij de berekening van het scenariobedrag voor nieuw op te bouwen pensioen is het uitgangspunt dat in ieder berekeningsjaar alleen het op dat moment reeds opgebouwd pensioen wordt aangepast door het toeslagbeleid en gecorrigeerd door de scenarioprijsinflatie. De koopkrachtfactor voor nieuw op te bouwen pensioen wordt als volgt bepaald:

waarbij

Berekening per deelnemer

Het verwachte pensioenbedrag wordt bepaald door het reeds opgebouwde pensioen te vermenigvuldigen met factor CA en op te tellen bij het nieuw op te bouwen pensioen rekening houdend met factor

.

Het uiteindelijke pensioenbedrag, bedoeld in artikel 14i, tweede lid, wordt berekend door het scenariobedrag van het reeds opgebouwde pensioen en het scenariobedrag voor het nieuw op te bouwen pensioen bij elkaar op te tellen:

waarbij

R = reeds opgebouwd pensioen

Met OPBOUW wordt bedoeld het nog op te bouwen pensioen vanaf berekeningsdatum tot het moment waarvoor het pensioenbedrag wordt berekend. Dit nog op te bouwen bedrag moet passen bij de onderliggende pensioenregeling, maar zal in beginsel neerkomen op het product van deze factoren: A, het opbouwpercentage en loonsom minus franchise waarbij rekening wordt gehouden met een eventuele deeltijdfactor.

Om te komen tot een pensioenbedrag per scenario, bedoeld in artikel 14i, derde lid, wordt vervolgens het 5%, 50% en 95% percentiel pensioenbedrag gekozen uit alle doorgerekende scenario’s.

Bij een gebroken duur tot moment A wordt lineair geïnterpoleerd tussen de twee hele duren waar tussen moment A ligt