Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming april 2007Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming april 2007De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M.Cramer

Met toepassing van de richtlijnen zoals neergelegd in de beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming1 heeft de toenmalige uitvoeringsorganisatie Kostenverhaal van het Directoraat-Generaal Milieubeheer een groot aantal kostenverhaalszaken afgehandeld. Met ingang van 1 januari 2005 houdt Bodem+2, onderdeel van SenterNovem, zich in opdracht van achtereenvolgens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en thans de Minister, bezig met de wettelijke taak kostenverhaal. Daartoe heeft de staatssecretaris de bevoegdheid tot het behandelen van kostenverhaalszaken formeel gemandateerd aan SenterNovem.3 SenterNovem is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. Het Ministerie van VROM heeft in samenwerking met Bodem+ het beleid inzake kostenverhaal opnieuw bezien en waar nodig aangepast. Dit heeft geleid tot de onderhavige beleidsregel die de in 2002 gepubliceerde beleidsregel vervangt.

Bij de uitvoering van de wettelijke taak kostenverhaal wordt Bodem+ door provincies en gemeenten voorzien van gegevens, die noodzakelijk zijn voor de onderbouwing van een individuele kostenverhaalzaak. De Staat wordt in rechte vertegenwoordigd door de Landsadvocaat. Kostenverhaal vindt plaats op grond van artikel 75 Wet bodembescherming (Wbb). De Staat kan de kosten die zijn gemaakt voor onderzoek en sanering verhalen op de veroorzaker van de bodemverontreiniging op grond van artikel 75 lid 1 (onrechtmatige daad) en artikel 75 lid 6 Wbb (bevat de voorwaarden om kosten te verhalen indien niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan). Op grond van artikel 75 lid 3 Wbb (ongerechtvaardigde verrijking) is kostenverhaal mogelijk op degene die door het onderzoek of de sanering ongerechtvaardigd wordt verrijkt.

Het belangrijkste doel van de beleidsregel is om richtlijnen te bieden teneinde te komen tot een zorgvuldige, efficiënte en consistente afhandeling van de werkvoorraad kostenverhaal. De beleidsregel kostenverhaal levert hiervoor het inhoudelijke mandaat. Het beleid inzake kostenverhaal moet worden gekwalificeerd als een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de beleidsregel kostenverhaal zijn begrenzingen aangebracht die elementen/overwegingen bevatten van juridische, beleidsmatige en beheersmatige/financiële aard. Daarnaast beoogt de beleidsregel op een aantal punten duidelijkheid te geven aan provincies en gemeenten die als bevoegd gezag bodemsanering zijn aangewezen in het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming.4 Aan deze overheden is bij Besluit mandaat, volmacht en machtiging artikel 75 lid 7 Wbb5, de bevoegdheid verleend om namens de Staat af te zien van kostenverhaal jegens derden in verband met gemaakte financiële afspraken in het kader van bodemsanering. Het bevoegd gezag, dat door middel van toepassing van dit besluit namens de Staat afstand doet van het recht het privaatrechtelijk instrumentarium van de Wbb in te zetten, zal de in de beleidsregel kostenverhaal neergelegde uitgangspunten in acht moeten nemen. Voor het uitoefenen van deze bevoegdheid vormt de beleidsregel derhalve voor het bevoegd gezag eveneens het beleidskader.

Er zijn drie juridische instrumenten waarmee de kosten van bodemonderzoek en sanering kunnen worden neergelegd bij derden (zoals veroorzakers, eigenaren/erfpachters et cetera). Deze instrumenten zijn:

Het kostenverhaal vindt zijn grondslag in het civiele recht. De Staat is in beginsel bevoegd tot kostenverhaal6. Het bevelsinstrumentarium en de saneringsplicht vinden hun grondslag in het bestuursrecht en worden toegepast door het bevoegd gezag bodemsanering.

Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de toepassing van het bevelsinstrumentarium zelf haar beleid vaststellen. Voor de onderlinge afstemming van het beleid van de verschillende bevoegde overheden en de afstemming met het kostenverhaalsbeleid is de notitie Wet bodembescherming: ‘notitie afstemming bevel/kostenverhaal’ d.d. 11 februari 2003 opgesteld met hierin opgenomen een aantal aanbevelingen inzake het bevelsinstrumentarium. Met deze notitie, die is opgesteld door het Landelijk Juristen Overleg Bodemsanering (LJOB), is door het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ingestemd. Het IPO en de VNG hebben de bevoegde overheden aanbevolen om de notitie vast te leggen in het eigen beleid. Vermeld kan worden dat diverse bevoegde bestuursorganen inmiddels bevelsbeleid hebben vastgesteld (Gelderland, Arnhem, Nijmegen, Den Haag, Leeuwarden, ’s-Hertogenbosch, Limburg, Venlo, Heerlen).

Algemeen kan worden opgemerkt dat het kostenverhaal op veroorzakers en eigenaren materieel grote gelijkenis vertoont met het bevelsinstrumentarium. Er wordt met hetzelfde begrip ‘veroorzaker’ gewerkt, zij het dat het bij kostenverhaal op grond van artikel 75 lid 1 Wbb moet gaan om de onrechtmatig handelende veroorzaker, terwijl – zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis – dit niet geldt voor het bevel. De criteria voor de onschuldig eigenaar zijn bij het saneringsbevel en het kostenverhaal wegens ongerechtvaardigde verrijking dezelfde, waarbij ter aanvulling dient te worden opgemerkt dat niet in alle gevallen waar een verrijkingsactie kan worden ingezet, een bevel kan worden gegeven. Voorts geldt dat een bevel aan een eigenaar kan worden opgelegd voor de sanering van het gehele geval van verontreiniging, terwijl bij kostenverhaal ten aanzien van een schuldig eigenaar meestal slechts de waardevermeerdering kan worden afgeroomd.

Met ingang van 1 januari 2006 rust op de eigenaar of de erfpachter van een bedrijfsterrein waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan van rechtswege een saneringsplicht indien is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is (artikel 55b Wbb). Het principe ‘de vervuiler betaalt’ is met deze saneringsplicht niet verlaten, maar is meer naar de achtergrond verplaatst .

Achtergrond

Tot 15 mei 1994, met de inwerkingtreding van artikel 75 Wbb, was het verhaal door de overheid van kosten van onderzoek en sanering van bodemverontreiniging geregeld in artikel 21 Interimwet bodemsanering (Ibs) . In een aantal door de Hoge Raad gewezen arresten van 9 februari 1990 (Staat/Van Amersfoort) en van 24 april 1992 (Staat/Van Wijngaarden en Staat/Akzo-Resins) werd de aansprakelijkheid van de veroorzaker ingeperkt.7 In deze arresten bepaalde de Hoge Raad dat in beginsel vóór 1 januari 1975 géén aansprakelijkheid van de vervuiler jegens de overheid kan worden aangenomen voor saneringskosten, omdat de vervuiler voor die datum nog niet kon weten dat het vervuilen van de bodem van het eigen bedrijfsterrein tot vermogensnadeel in de zin van saneringskosten bij de overheid zou gaan leiden (relativiteitsvereiste). Naar aanleiding van deze arresten en de daarmee verband houdende bezwaren van een minderheid in de Tweede Kamer en van een meerderheid in de Eerste Kamer, heeft de wetgever een lid aan het kostenverhaalsartikel toegevoegd, thans artikel 75 lid 6 Wbb.8 In artikel 75 lid 6 Wbb is een aantal (ten opzichte van artikel 75 lid 1 Wbb) verscherpte, cumulatieve voorwaarden opgesomd waaraan voldaan moet zijn, wil de overheid de kosten van onderzoek en sanering kunnen verhalen op de veroorzaker die vóór 1 januari 1975 de bodem heeft verontreinigd.

Kort na de aanvaarding van deze wetswijziging volgden op 30 september 1994 de vier arresten van de Hoge Raad, waarin de lijn van de 1990 en 1992-arresten werd bevestigd en doorgetrokken naar gevallen waarin sprake was van verontreiniging van locaties buiten het eigen bedrijfsterrein. Door deze zogenaamde ‘september-arresten’ – met name Staat/Shell (Gouderak) en Staat/Solvay Duphar9 – werden de verhaalsmogelijkheden opnieuw ingeperkt.

Op 20 april 2001 heeft de Hoge Raad opnieuw deze sterk aansprakelijkheidsbeperkende beslissingslijn aangescherpt door in het arrest Staat/Akzo-HCH10 het begrip ‘ernstige verwijtbaarheid’ in artikel 75 lid 6 Wbb uiterst stringent te interpreteren tot ‘opzet en bewuste roekeloosheid’. In het daaropvolgende arrest Staat/Total11 van 25 oktober 2002 heeft de Hoge Raad deze uitleg van ‘ernstige verwijtbaarheid’ in het zesde lid van artikel 75 bevestigd. Tevens werd, evenals reeds in het Akzo-arrest het geval was, met betrekking tot het begrip ‘ernstige gevaren’ geoordeeld dat ‘niet wordt gedoeld op de gevaren die in het algemeen aan een stof zijn verbonden, maar uitsluitend op de gevaren die voor mens en milieu bestaan wanneer deze op of in de bodem is gebracht.’

Door de laatstgenoemde arresten zijn de mogelijkheden om artikel 75 lid 6 Wbb toe te passen verder beperkt.

Beleid ten aanzien van artikel 75 lid 1 Wbb

Op grond van artikel 75 lid 1 Wbb is de Staat bevoegd om kosten van onderzoek en sanering die ten laste zijn gekomen van Rijk, provincie en gemeente op veroorzakers van bodemverontreiniging te verhalen.

In de volgende gevallen wordt in ieder geval afgezien van kostenverhaal:

Hoewel de Staat in bovengenoemde gevallen afziet van kostenverhaal, staat het uiteraard de provincies en de gemeenten vrij om zelfstandig een kostenverhaalsactie te beginnen op grond van artikel 75 lid 4 Wbb.

Achtergrond

Op grond van artikel 75 lid 3 Wbb is de Staat bevoegd om kosten van onderzoek en sanering te verhalen op degene die door het onderzoek of de sanering ongerechtvaardigd wordt verrijkt. In de kamernotitie Ongerechtvaardigde verrijking in verband met bodemsanering van 8 juni 199413 heeft de Minister van VROM aangegeven wat zijn inziens in dit verband onder ongerechtvaardigde verrijking moet worden verstaan.

Volgens de genoemde kamernotitie is een verrijking eerst ongerechtvaardigd als zij is opgekomen zonder grondslag in een overeenkomst of een wet. In een arrest van 15 maart 2002 (Staat/Daams)14 heeft de Hoge Raad echter overwogen dat ook een op de wet gegronde vermogensverschuiving een ongerechtvaardigde verrijking kan opleveren en dat een voordeel dat een burger toevalt niet als ongerechtvaardigde verrijking kan worden aangemerkt op de enkele grond dat het niet een door de wet beoogd voordeel is en er voor het voordeel geen andere rechtsgrond is aan te wijzen. Volgens de Hoge Raad voorziet artikel 75 lid 3 Wbb uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de daar bedoelde verrijking in beginsel als ongerechtvaardigd moet worden aangemerkt. Van belang is derhalve slechts of de verrijking als ongerechtvaardigd in de zin van artikel 75 lid 3 Wbb is te beschouwen. Uit de uitspraak van de Hoge Raad volgt dat hierbij de ontstaansgeschiedenis van artikel 75 lid 3 van belang is en het feit dat dit artikel deel uitmaakt van de in 1994 in de Wbb opgenomen saneringsregeling, waarin de begrippen (betrokken bij) veroorzaking, duurzame rechtsbetrekking en schuldig eigenaar centraal staan. De kamernotitie sluit hierbij aan en is wat dit betreft dus in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad.

Het begrip verrijking is een zuiver economisch begrip. Verrijking kan bestaan uit waardestijging van een terrein als gevolg van sanering maar ook uit bespaarde onderzoeks- en saneringskosten, waardestijging van aandelen en uit meer zekerheid voor de hypotheekbank. Ook een voormalig eigenaar kan worden verrijkt, bijvoorbeeld door het wegvallen als gevolg van de sanering van claims van de koper aan wie verontreinigde grond was geleverd en een stilzwijgende of expliciete saneringsgarantie was verstrekt, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000 (gem. Dordrecht/Stokvast)15. In veel gevallen bestaat de verrijking uit waardestijging van een terrein. De waardestijging wordt abstract berekend, er wordt dus niet gekeken naar de werkelijk betaalde koopprijs voor het terrein. Ook in die gevallen waarin de eigenaar de volle prijs heeft betaald voor het terrein – als ware het schoon – is kostenverhaal mogelijk. Het gaat erom wat de waarde was van het terrein vóór respectievelijk na sanering. De waardestijging wordt vastgesteld door middel van een taxatie.

Overigens dient te worden opgemerkt dat de gerechtshoven Leeuwarden en Arnhem bij het bepalen van de hoogte van de ongerechtvaardigde verrijking wel betekenis toekennen aan de betaalde koopprijs. Volgens Hof Leeuwarden kan de betaalde koopprijs een aanwijzing zijn voor de waarde in verontreinigde staat (Staat/Eimers16). Volgens Hof Arnhem zijn de historische koopprijs en de omstandigheden waaronder deze is betaald, factoren die in ogenschouw kunnen worden genomen in het kader van de redelijkheid van (volledige) toewijzing van de gevorderde schade ( Staat/Geveke17). De jurisprudentie op dit punt is nog niet uitgekristalliseerd.

Artikel 75. lid 3 Wbb

Voor kostenverhaal door de Staat op basis van ongerechtvaardigde verrijking moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:

In de genoemde kamernotitie van 8 juni 1994 heeft de Minister van VROM de gevallen omschreven waarin kostenverhaal redelijk wordt geacht. Hiervan is sprake als:

Uitwerking beleid op grond van artikel 75 lid 3 Wbb

Het beleid ten aanzien van artikel 75 lid 3 Wbb is als volgt uitgewerkt:

Hoe recenter de eigendom of het belang is verkregen, des te eerder wordt aangenomen dat de eigenaar/belanghebbende van de verontreiniging had kunnen weten. Relevante jaartallen hierbij zijn afgeleid van de inwerkingtreding van relevante regelgeving:

Uitzondering algemene regel bij asbestverontreiniging

Ten aanzien van een met asbest verontreinigd terrein gelden bij aansprakelijkheid uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking andere relevante jaartallen dan die hierboven worden genoemd.

Vanaf 1 juli 1993 geldt een totaalverbod op het be- en verwerken van alle soorten asbest. Dit is vastgelegd in het Asbestverwijderingsbesluit (Stb. 1993, 290). Voorts zijn er onderzoeken bekend uit 1993 waarbij zintuiglijk op asbestverontreiniging in de bodem werd gelet.

Pas in het jaar 2000 is asbest als niet-genormeerde stof opgenomen in de Circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering22. Geconcludeerd wordt dat de niet-professionele verkrijger, die vóór 27 februari 2000 een met asbest verontreinigd terrein heeft verkregen, niet bedacht had behoeven te zijn op bodemverontreiniging met asbest. Voor professionele verkrijgers kan in beginsel vanaf 1993 wetenschap van asbestproblemen in de bodem worden aangenomen.23

In situaties waarin van professionele verkrijgers mag worden verondersteld dat zij bijzondere kennis hebben omtrent de risico's van de aanwezigheid van asbest in de bodem voor mens en dier, kan vóór 1 juli 1993 wetenschap worden aangenomen.

Verhaal ten aanzien van bespaarde onderzoeks- en saneringskosten

In deze paragraaf is al aangegeven dat naast de waardevermeerdering van een onroerende zaak ook bespaarde onderzoeks- en saneringskosten kunnen worden verhaald. Hiermee zijn bedoeld de kosten die de verrijkte gelet op de systematiek van de Wbb zelf had moeten maken, maar dit heeft geweigerd. Denk hierbij aan een derde die heeft geweigerd mee te werken aan afkoop van een bevel (artikel 46 lid 3 Wbb). Het beleid dienaangaande kent de volgende uitgangspunten:

Kosten van saneringsonderzoek en sanering zijn integraal als bespaarde kosten te verhalen:

Bij kostenverhaal op een veroorzaker die ten tijde van de sanering ook eigenaar is/was van het gesaneerde onroerend goed, kan sprake zijn van samenloop . In dat geval gelden de volgende regels:

Historie

In de kamernotitie Ongerechtvaardigde verrijking in verband met bodemsanering van 8 juni 1994 zijn bijzondere regels met betrekking tot het kostenverhaal op bewoners te vinden, waarin de terughoudendheid om het juridisch instrumentarium van de Wbb op bewoners toe te passen tot uitdrukking is gebracht.

De bijzondere regeling voor bewoners komt erop neer dat indien cumulatief is voldaan aan de in de notitie genoemde voorwaarden géén kostenverhaal zal worden toegepast jegens bewoners, ook al is er sprake van wetenschap van verontreiniging. Aan de bijzondere regeling voor bewoners, zoals neergelegd in de beleidsregel kostenverhaal uit 2002, zijn nieuwe voorwaarden toegevoegd. Dit omdat het in de praktijk voorkwam dat er een beroep op de bewonersregeling werd gedaan bij de aankoop van bedrijfspanden. Het beroep op de regeling bij aankoop van bedrijfspanden werd gedaan nadat de in de kamernotitie opgenomen voorwaarde dat de rechtsvoorganger van de bewoner zelf ook de bewoner moet zijn (geweest) in de beleidsregel uit 2002 was komen te vervallen. De achtergrond hiervan was dat er zich situaties voordeden waarin het onredelijk was om het vereiste strikt te handhaven, bijvoorbeeld in gevallen waarin een woning op naam van een rechtspersoon stond of waarin de bewoner de woning van een woningbouwvereniging aankocht.

Hieronder zijn de vereisten neergelegd om in aanmerking te komen voor de bijzondere regeling voor bewoners.

De vereisten om in aanmerking te komen voor de bijzondere regeling voor bewoners

Indien een bewoner cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden, zal géén kostenverhaal worden toegepast:

Er mag bovendien geen sprake zijn van misbruik, dat wil zeggen dat met een beroep op de bewonersregeling verhaalsmogelijkheden (dreigen) te worden onttrokken aan de Staat door ontwijkgedrag van de wederpartij.

Erfgenamen zijn rechtsopvolgers onder algemene titel. Dit betekent dat zij treden in de rechten en verplichtingen van de erflater. Zij treden als het ware in diens positie. Het beleid ten aanzien van erfgenamen, die niet als schuldig eigenaar kunnen worden aangemerkt, kent, met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking, de volgende uitgangspunten:

Hoewel de erfgenaam aanspreekbaar is voor zijn gehele vermogen is besloten het kostenverhaal te beperken tot de omvang van de erfenisboedel, die bestaat uit het saldo van activa minus het saldo van de passiva tenzij de erfgenaam als (mede)veroorzaker is aan te merken, een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker heeft gehad, dan wel onvoldoende schadebeperkende maatregelen heeft getroffen (in die gevallen acht de Staat kostenverhaal in ieder geval wel redelijk). De reden voor deze keuze is geweest dat het kostenverhaal ten aanzien van de erflater beperkt zou zijn gebleven tot diens vermogen. Een andere reden is geweest dat hiermee kan worden voorkomen dat erfenissen worden verworpen met als ultiem resultaat dat deze vervallen aan de Staat.

Fusie, splitsing en boedelmenging

Evenals bij de erfgenamen is in geval van fusie, als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek (BW), splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 BW en boedelmenging sprake van rechtsopvolging onder algemene titel. Hierbij geldt dat de rechtspositie van de rechtsvoorganger wordt overgenomen (schuldig of onschuldig). In deze gevallen zal het kostenverhaal zich echter niet beperken tot de omvang van het vermogen van de rechtsvoorganger. De rechtsopvolger onder algemene titel is met zijn gehele vermogen aansprakelijk.

Eind jaren tachtig, begin jaren negentig heeft een omvangrijke privatisering plaatsgevonden van gemeentelijke woningbouwbedrijven. Een grote hoeveelheid woningen en toebehoren, die eigendom waren van gemeenten, zijn overgedragen aan daartoe in het leven geroepen of reeds bestaande woningbouwcorporaties. In dat kader is ook een aantal verontreinigde percelen overgedragen. Door privatisering van het gemeentelijk woningbezit, middels eigendomsoverdracht, ontstonden er geprivatiseerde stichtingen, die als ‘niet-onschuldig’ eigenaar konden worden beschouwd. Bestendig beleid is dat kostenverhaal op basis van ongerechtvaardigde verrijking in deze gevallen niet is uitgesloten. Indien corporaties, ingeval van eventuele sanering, de waardestijging bijdragen bestaat tegen financiering vanuit Wbb-budget geen bezwaar. Het beleid ten aanzien van woningbouwcorporaties kent het volgende uitgangspunt:

In maart 2003 heeft de Staatssecretaris van VROM ingestemd met een op gemeenten toegesneden bestuurlijke aanpak van ongerechtvaardigde verrijking die betrekking heeft op kostenverhaal achteraf. Deze aanpak heeft betrekking op de verrijking die in het verleden (vóór 2002) is ontstaan. De Staatssecretaris heeft in zijn beleid ten aanzien van ongerechtvaardigde verrijking van gemeenten aangegeven dat hij de van hen te ontvangen middelen weer één op één aan dezelfde gemeente beschikbaar wil stellen. Dit met als tegenprestatie dat deze middelen worden ingezet als extra investeringen in de bodemkwaliteit. In juli 2003 zijn alle rechtstreekse gemeenten per brief op de hoogte gesteld van deze aanpak. Bij het inzetten van de door de gemeente terug te ontvangen middelen, moet de gemeente ervoor waken dat zij niet opnieuw ongerechtvaardigd verrijkt wordt.

In 2006 heeft Bodem+, in afstemming met het Ministerie van VROM en samen met de Werkgroep Bodem (WEB), enkele vernieuwingen doorgevoerd in de uitvoering van kostenverhaal jegens gemeenten op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Hierbij wordt de aandacht meer gericht op ‘ruimtelijke ambities’, is er een nieuwe methode (grondwaardenmatrix) ontwikkeld om de hoogte van de ongerechtvaardigde verrijking op een snelle en eenvoudige wijze te bepalen en is de redelijkheidstoets meer op de voorgrond geplaatst. Dit is aangekondigd in een algemene brief van 8 januari 2007 die is verzonden aan de gemeenten die mogelijk ongerechtvaardigd verrijkt zijn. Met behulp van de grondwaardenmatrix wordt een complexe en tijdrovende methode van taxeren en het daarbij behorende historische onderzoek vervangen. In de grondwaardenmatrix is gebruik gemaakt van studies en beleidsnota’s over exploitatiesubsidies voor woningbouw door het Rijk. Het Rijk en gemeenten hebben in het verleden afspraken gemaakt over de in de subsidieaanvragen te hanteren grondverwervingsprijzen van ruwe bouwgrond. In de grondwaardenmatrix worden deze grondverwervingsprijzen weergegeven per periode en type locatie.

Vanaf 2002 krijgen provincies en gemeenten programmafinanciering (in plaats van projectfinanciering). De bevoegde overheden mogen zelf bepalen waar zij hun budgetten aan besteden, mits er voldoende bodemprestaties (bpe’s) worden gerealiseerd. Omdat het budget van het Ministerie van VROM niet voldoende is om alle problemen op te lossen, moeten budgethouders op zoek gaan naar aanvullende financiering bij alle betrokken partijen. Provincies en gemeenten zullen zelf ook een eigen bijdrage moeten leveren in de kosten van onderzoek en sanering. De ongerechtvaardigde verrijking wordt in deze eigen bijdrage verdisconteerd geacht.

Hierna wordt beschreven welke omstandigheden van belang zijn bij de beoordeling of kostenverhaal wegens ongerechtvaardigde verrijking op een gemeente redelijk is. Deze omstandigheden kunnen door gemeenten ook worden toegepast als leidraad bij het bepalen van de eigen bijdrage aan de onderzoeks- en saneringskosten met betrekking tot de vanaf 2002 uitgevoerde saneringen.

Zoals uiteengezet in paragraaf 3.3 is een viertal omstandigheden van belang bij de beoordeling of kostenverhaal wegens ongerechtvaardigde verrijking redelijk is, namelijk: (betrokkenheid bij) veroorzaking, duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker, achterwege laten van schadebeperkende maatregelen en kenbaarheid van de verontreiniging op het moment van verkrijging. Deze omstandigheden zijn ook van toepassing op de categorie ongerechtvaardigd verrijkte gemeenten en worden hieronder nader toegelicht.

Zie paragraaf 3.3. Een gemeente kan worden aangemerkt als veroorzaker indien sprake is van bijvoorbeeld één van de hierna genoemde situaties: de verontreiniging is veroorzaakt in het kader van de exploitatie van een gemeentelijk bedrijf, er is sprake van een gemeentelijke stortplaats, de verontreiniging is veroorzaakt door een (voormalige) gasfabriek, de verontreiniging is ontstaan doordat de gemeente heeft opgehoogd met verontreinigd slib of ander verontreinigd ophogingsmateriaal.

Het nalaten van een gemeente op te treden tegen bodemverontreinigende activiteiten

De gemeentelijke bijdrage, die elke gemeente in de kosten van onderzoek en sanering verschuldigd was, is mede tot stand gekomen vanwege de bestuurlijke verantwoordelijkheid die gemeenten (naast het Rijk) voor het ontstaan van gevallen van bodemverontreiniging moeten dragen. Een nalaten van de gemeente op te treden tegen het ontstaan van gevallen van bodemverontreiniging zal niet snel leiden tot het aannemen van betrokkenheid bij veroorzaking. Van geval tot geval zal bekeken moeten worden of de gemeente de bodemverontreinigende handelingen had behoren te voorkomen. Hierbij kan onder andere van belang zijn of de gemeente eigenaar van het terrein was.26

Zie paragraaf 3.3. Het gaat hierbij om gemeenten die gedurende de periode waarin de verontreiniging is veroorzaakt een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker(s) hadden en daardoor invloed konden uitoefenen op het voorkomen of ongedaan maken van bodemverontreiniging.

Erfpacht

In verreweg de meeste gevallen waarbij een gemeente in beginsel op grond van het hebben of het hebben gehad van een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker in aanmerking komt voor een actie uit ongerechtvaardigde verrijking is er sprake van een situatie van erfpacht.

De volgende twee relaties dienen met betrekking tot het onderwerp erfpacht onderscheiden te worden: a) de relatie tussen erfpachter en erfverpachter en b) de relatie tussen opeenvolgende erfpachters waarvan de eerste erfpachter vervuiler is en de opvolgend erfpachter geen betrokkenheid bij de bodemverontreiniging heeft gehad.

Toelichting

In navolging van het arrest inzake Staat/Jager27 is het redelijk om aan te nemen dat vanaf 1 januari 1979 bekend had kunnen zijn dat ernstige bodemverontreiniging tot waardedaling van de grond kan leiden. Wanneer de grond in een dergelijk geval door een nieuwe erfpachter wordt overgenomen kan worden verdedigd dat ook de verplichting jegens de erfverpachter tot opheffing van de waardevermindering op hem overgaat. Op de vorige erfpachter moet dan wel een verplichting tot opheffing van de waardevermindering hebben gerust. Aangenomen wordt dat een dergelijke verplichting in ieder geval ontstaat wanneer het terrein na of in relevante mate (ook) na 1 januari 1975 door de vorige erfpachter is verontreinigd.

Zie paragraaf 3.3. Deze omstandigheid kan worden ingeroepen ten aanzien van gemeenten die willens en wetens op verontreinigde grond hebben gebouwd. Een ander voorbeeld is het onzorgvuldig te werk gaan bij uitvoering van het bodemonderzoek waardoor de verontreiniging zich verder heeft verspreid met als gevolg dat de saneringskosten hoger zijn uitgevallen dan noodzakelijk.

Zie paragraaf 3.3. Het ‘kunnen weten’ wordt ten aanzien van gemeenten – als professionele marktpartij – aangenomen bij verwerving vanaf 1983. Echter, per geval zal worden beoordeeld of het redelijk is om gemeenten aan te spreken op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Hoe recenter de eigendom of het belang is verkregen, des te eerder wordt aangenomen dat de gemeente van de verontreiniging had kunnen weten. Hieronder wordt een aantal gronden genoemd waarbij, ondanks dat is verworven na 1983, toch niet tot kostenverhaal uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking zal worden overgegaan.

Verwerving in het kader van de regeling ‘Sanering van milieuhinderlijke bedrijven in de woonomgeving’

In het verleden hebben veel bedrijfsverplaatsingen plaatsgevonden met toepassing van de regeling ‘Sanering van milieuhinderlijke bedrijven in de woonomgeving.’ Op grond van deze – per 1 januari 1985 vervallen – subsidieregeling waren gemeenten verplicht de eigendom van de betrokken gronden te verwerven. Aangezien in die gevallen niet of nauwelijks gesproken kan worden van een vrijwillige verwerving als bedoeld in de kamernotitie Ongerechtvaardigde verrijking in verband met bodemsanering, is in 1996 besloten om in dergelijke gevallen niet over te gaan tot stuiting van de verjaring van de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking op deze gemeenten.

Voltooiing sanering vóór 1988

Indien de sanering is afgerond vóór 1 januari 1988 zal er, wegens verjaring, geen vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking jegens een gemeente worden ingesteld.28

In een uitspraak van de Rechtbank Maastricht van 5 juni 199729 is bepaald dat een naar evenredigheid vast te stellen deel van de waardestijging is toe te schrijven aan de wettelijk verplichte bijdrage van de gemeente zelf. Naar aanleiding van deze uitspraak wordt de ten gevolge van de gemeentelijke bijdrage ontstane waardevermeerdering procentueel in mindering gebracht op de waardestijging.

Daarnaast zijn er situaties denkbaar dat een gemeente ter uitvoering van hoger overheidsbeleid eigenaar van een terrein is geworden. Indien een gemeente dan in het kader van:

gebouwen moet slopen is het mogelijk dat deze ‘milieukosten’ aftrekbaar zijn. Deze regeling geldt alleen voor gevallen van verontreiniging veroorzaakt vóór 1 januari 1987.

Deze beleidsregel is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van de vorige beleidsregel kostenverhaal uit 2002. Hierbij wordt benadrukt dat bij de wijziging het accent heeft gelegen op versobering en dat de vorige beleidsregel niet rigoureus is aangepast. De beleidsregel is, daar waar nodig, geactualiseerd en aangepast aan de hand van nieuwe inzichten die Bodem+ en de Landsadvocaat in de lopende kostenverhaalszaken hebben opgedaan. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de beleidsregel kostenverhaal 2002 zijn opgetreden op de volgende terreinen: