Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing kinderpornografie (artikel 240b WvSr)Aanwijzing kinderpornografie (artikel 240b WvSr)

In deze aanwijzing wordt na een korte inleiding aandacht geschonken aan de wettekst en strekking van artikel 240b WvSr. In het onderdeel Opsporing worden vervolgens de prioriteiten (2.1) besproken, het verband met het strafrechtelijk onderzoek naar seksueel misbruik (2.2), het contact tussen de politie en het Openbaar Ministerie (2.3), beslag (2.4 & 2.5) en kinderpornografie op internet (2.6). Daarop worden in het onderdeel Vervolging de rechtsmacht zedenmisdrijven met minderjarigen (3.1) besproken, de tenlastelegging (3.2) en de bepaling van de eis (3.3).

In bijlage 1 is een toelichting gegeven op een aantal voor de opsporings- en vervolgingspraktijk belangrijke delictsbestanddelen van artikel 240b WvSr (seksuele gedraging, kennelijk de leeftijd van achttien jaar, schijnbaar betrokken). Bijlage 2 is een vragenlijst aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of een afbeelding een seksuele gedraging is in de zin van artikel 240b WvSr. Bijlage 3 bevat de procedure die gevolgd moet worden met betrekking tot instellingen die kinderpornografisch materiaal wensen te verwerven en gebruiken voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden. Bijlage 4 bestaat uit de checklist voor kinderporno-onderzoeken. Tot slot bevat bijlage 5 een korte adressenlijst met voor het onderwerp van deze aanwijzing relevante adressen en telefoonnummers.

De wettekst van artikel 240b WvSr luidt als volgt.

Het wetsartikel is laatstelijk gewijzigd per 1 oktober 2002. Artikel 240b WvSr werd op vier punten gewijzigd.

Artikel 5, lid 1, onder 3 WvSr regelt de toepassing van de Nederlandse strafwet op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan onder meer overtreding van artikelen 240b WvSr, 242 tot en met 250 WvSr en 273f WvSr3 gepleegd ten aanzien van een minderjarige.

In artikel 5a WvSr wordt het volgende bepaald: een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de artikelen 240b WvSr, 242 tot en met 250 WvSr en artikel 273f WvSr4, gepleegd ten aanzien van een minderjarige, kan hiervoor in Nederland worden vervolgd, ook als hij eerst na het plegen van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. Dit artikel biedt politie en justitie een extra instrument om sekstoerisme naar met name derdewereldlanden te bestrijden.

Voor zowel de feiten genoemd in artikel 5, lid 1, onderdeel 3, WvSr als in artikel 5a WvSr is geen dubbele strafbaarheid vereist.

In deze aanwijzing wordt onderscheid gemaakt tussen (pre)puberale en postpuberale kinderpornografie. In de puberteit treden er lichamelijke veranderingen op zoals het ontstaan van lichaamsbeharing, de ontwikkeling van schouders (jongens) en de ontwikkeling van borsten en heupen (meisjes). In het geval van (pre)puberale kinderpornografie gaat het om kinderen bij wie deze secundaire geslachtskenmerken niet of nauwelijks aanwezig zijn. Na de puberteit lijken kinderen in lichamelijk opzicht op jonge volwassenen en wordt het moeilijk om nog een nauwkeurige indicatie te geven van de leeftijd van de minderjarige. De grens tussen (pre)puberale en postpuberale kinderpornografie ligt in de praktijk rond de leeftijd van veertien jaar.

Met ‘jeugdige’ wordt in deze aanwijzing gedoeld op iemand die de leeftijd van achttien jaar kennelijk nog niet heeft bereikt.

Artikel 240b WvSr strekt er toe, aldus de Kamerstukken5, te voorkomen dat:

In de vorige eeuw, vanaf de zestiger jaren, stond het recht op seksuele zelfbeschikking hoog in het vaandel. Strafrechtelijk optreden werd alleen gerechtvaardigd geacht als dat noodzakelijk was ter bescherming van de lichamelijke en geestelijke integriteit. De westerse samenleving beleefde een periode van seksuele vrijheid, waarin seksueel contact tussen volwassenen en kinderen niet zonder meer werd afgewezen. De vraag werd zelfs opgeworpen of het strafrechtelijk optreden na seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen niet schadelijker was dan het seksuele contact zelf. Onder meer onder invloed van de vrouwenbeweging is het zwaartepunt verschoven van vrijheid naar bescherming. Steeds meer brak het besef door dat seksuele vrijheid van de één de seksuele onvrijheid van de ander betekent en zelfs een inbreuk op de lichamelijke integriteit kan betekenen voor vooral vrouwen en kinderen.

Dit besef heeft geleid tot de ingrijpende wijzigingen van de zedelijkheidswetgeving in 1991 en 1996. Met die wijzigingen werd beoogd meer bescherming te bieden aan degenen die bescherming nodig hadden. De wetswijziging in 1996 bevatte ook een verhoging van de strafmaat voor verspreiding, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, in-, door- of uitvoer of bezit van kinderporno van 3 maanden naar 4 jaar, en als er een beroep of gewoonte van wordt gemaakt kan zelfs een gevangenisstraf worden opgelegd van 6 jaar.

In de volgende jaren werd de zedelijkheidswetgeving verder met dat beschermingsoogmerk aangepast. Dat gold ook voor artikel 240b Sr. Mede onder invloed van internationale verdragen werd de leeftijdsgrens in 2002 verhoogd van 16 jaar naar 18 jaar en werd virtuele kinderporno ook in de strafbepaling opgenomen.

Niet alleen de visie op de beschermwaardigheid van het individuele kind en kinderen in het algemeen is veranderd, ook enkele belangrijke aspecten van kinderporno zijn aan grote verandering onderhevig geweest. Moest iemand in het recente verleden zijn heil nog zoeken in obscure winkeltjes, met de komst van internet is het gemakkelijk geworden om anoniem en zonder veel moeite aan het materiaal te komen. Internet is laagdrempelig en het leggen van contact met anderen is daardoor ook gemakkelijker geworden. Daarnaast vormen fysieke landsgrenzen tegenwoordig minder barrières. Het is gemakkelijk geworden om materiaal te produceren in landen waar dat relatief gevaarloos kan en het te verzenden naar landen waar productie meer problemen zou opleveren. Inmiddels is het ook relatief eenvoudig films, compleet met geluid, op het internet te plaatsen, die door de afnemers naar believen gedownload kunnen worden. Met de komst van de webcam is het zelfs mogelijk geworden kinderen ‘live’ te misbruiken, waarbij daders van over de hele wereld instructies intikken voor degene die het daadwerkelijk misbruik van het slachtoffer uitvoert. Zoals hierboven aangegeven speelt internet dus een belangrijke rol bij de verspreiding van kinderpornografisch materiaal. Tezelfdertijd leiden de digitale mogelijkheden van versleuteling en afscherming van gegevens ertoe dat het bewerkelijk is, en soms zelfs onmogelijk, om dit materiaal op te sporen.

De markt voor kinderpornografie is al met al groter geworden en mensen zijn bereid gebleken veel geld te betalen voor kinderpornografisch materiaal. Het vervaardigen van het materiaal is daardoor lucratiever geworden. Het gevolg is dat meer kinderen het risico lopen het slachtoffer te worden van de vervaardiging van kinderporno. Men dient zich te realiseren dat het misbruik niet stopt als het daadwerkelijke misbruik is opgehouden, maar dat het doorgaat zolang de afbeeldingen ervan op het internet circuleren. En een afbeelding die eenmaal op internet is aangetroffen, blijkt in de praktijk vrijwel onmogelijk blijvend van internet te verwijderen.

Bij de opsporing en vervolging bij verdenking van artikel 240b WvSr in en/of buiten Nederland moet een evenwicht worden gevonden tussen enerzijds het belang van de jeugdige en anderzijds de rechten van de verdachte die strafvordering en het EVRM hem toekennen.

Onderscheid wordt gemaakt in (pre)puberale kinderpornografie (leeftijd slachtoffer tot ongeveer vijftien jaar) en postpuberale kinderpornografie (leeftijd slachtoffer van ongeveer vijftien tot achttien jaar).

Hoge prioriteit (in elk geval en niet limitatief):

Bij strafrechtelijk onderzoek naar seksueel misbruik dient men daarnaast te onderzoeken of het misbruik is vastgelegd op beeldmateriaal en of er dus (ook) sprake kan zijn van verdenking van artikel 240b WvSr. Bij studioverhoren en bij aangiften van seksueel geweld tegen kinderen dient derhalve in de vraagstelling rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van productie van kinderpornografie. Indien er aanwijzingen zijn dat het seksueel misbruik is vastgelegd op beeldmateriaal, dient de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris de plaats te doorzoeken.

Het Openbaar Ministerie (OM) dient serieuze aandacht te besteden aan elke door de politie gemelde indicatie van vervaardigen, bezit en verspreiding van kinderpornografie en dient de politie te instrueren zulke aanwijzingen diepgaand te onderzoeken en aan het OM te melden. Bovengenoemde prioriteitstelling dient hierbij in acht genomen te worden. Tevens dient gebruik gemaakt te worden van de ‘checklist voor kinderporno-onderzoeken’ (bijlage 4).

Afbeeldingen en alle gegevensdragers bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt betrokken of schijnbaar betrokken is, worden in beslag genomen.

Het is van belang ook de computer van de verdachte in beslag te nemen. Onderzoek aan de computer kan inzicht geven in het gedrag van de verdachte ten opzichte van kinderpornografie. Contacten en eventuele kinderpornografische netwerken kunnen vastgesteld worden. Gelet op het belang van digitale expertise bij dergelijke onderzoeken, bijvoorbeeld ten aanzien van versleutelde gegevens, is het uitgangspunt dat een digitaal rechercheur bij het onderzoek wordt betrokken.

In geval van een strafbaar feit als omschreven in artikel 240b WvSr zijn de in artikel 141 Wetboek van strafvordering (WvSv) bedoelde ambtenaren te allen tijde bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen en over te gaan tot in beslagneming van alle hiervoor vatbare voorwerpen. Zij hebben toegang tot alle plaatsen waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een zodanig strafbaar feit wordt begaan (artikel 551 WvSv). In beginsel wordt in beslaggenomen na voorafgaand overleg met en na toestemming van de officier van justitie. Bij een spoedeisend belang kan rauwelijks – zonder voorafgaand overleg met en toestemming van de officier van justitie – in beslag worden genomen.

Gezien de aard van het inbeslaggenomen materiaal spreekt het vanzelf dat het inbeslaggenomen materiaal met de uiterste zorgvuldigheid wordt behandeld.

De beoordeling van de elementen ‘seksuele gedraging’ en ‘kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt’ dient zo spoedig mogelijk onder verantwoordelijkheid van het OM te geschieden. In beginsel dient materiaal dat duidelijk niet aan de criteria voldoet, teruggegeven te worden (behoudens het geval dat de verdachte afstand heeft gedaan). Deze beoordeling dient te geschieden door (gecertificeerde7) zedenrechercheurs of leden van het team bestrijding kinderpornografie van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).

De lokale politie dient bij elk kinderporno-onderzoek direct contact op te nemen met het KLPD te Zoetermeer, team bestrijding kinderpornografie, en het KLPD inzage te verlenen in het inbeslaggenomen materiaal. Het KLPD vergelijkt het inbeslaggenomen materiaal met de landelijke database kinderpornografie en de database van Interpol. Afbeeldingen waarvan de dader en/of het slachtoffer bekend zijn geworden, worden onmiddellijk aan de database van Interpol doorgegeven.

Met name bij grote hoeveelheden gegevensdragers (harde schijven, videobanden, CD-roms, DVD’s) die ook niet-pornografisch materiaal bevatten, is zorgvuldige registratie van groot belang om te voorkomen dat abusievelijk ‘verkeerde’ bevelen tot teruggave worden gegeven.

Het inbeslaggenomen materiaal dient niet in het proces-verbaal opgenomen te worden.8 In plaats daarvan dient de verbalisant de omvang van het aangetroffen materiaal te omschrijven en een selectie daaruit te beschrijven. De beschreven plaatjes worden beschikbaar gesteld aan de officier van justitie die ze als stuk van overtuiging behandelt.

Ter zitting dient onttrekking aan het verkeer van de kinderpornografische afbeeldingen gevorderd te worden. In het geval de afbeeldingen zoals bedoeld in artikel 240b WvSr op de harde schijf van een computer staan, dient onttrekking aan het verkeer van de harde schijf te volgen.9 Ten aanzien van de computer (als voorwerp waarmee het misdrijf is gepleegd) dient verbeurdverklaring te volgen.

De afhandeling van het inbeslaggenomen materiaal na onttrekking aan het verkeer, wordt in overleg met het KLPD bepaald. Uitgangspunt is dat zowel de strafbare afbeeldingen als de gegevensdragers waarop deze strafbare afbeeldingen zich bevinden dienen te worden vernietigd.

Computers, zonder de harde schijven, worden afgehandeld via de procedure van het ‘beslaghuis’ en alle gegevensdragers worden overgedragen aan het team bestrijding kinderpornografie van het KLPD. Ter toevoeging van nieuw materiaal aan de landelijke database en ter uitwisseling met de database van Interpol bekijkt het team bestrijding kinderpornografie of nieuw en onbekend materiaal over het hoofd is gezien. Eventueel initieert het team recherchetactisch onderzoek naar slachtoffers. Daarna draagt het team bestrijding kinderpornografie zorg voor vernietiging van de gegevensdragers.

Het OM moet zorg dragen voor een zorgvuldige afhandeling van de afbeeldingen die als stuk van overtuiging ter beschikking zijn gesteld aan de officier van justitie.

Op het internet circuleert een constante stroom van kinderpornografische afbeeldingen. Onderscheid kan worden gemaakt in ‘oude’ afbeeldingen, gemaakt en gepubliceerd in de periode 1970–1980; ‘recente’ afbeeldingen, vanaf 1980 tot de wetswijziging in 1996, en ‘nieuwe’ afbeeldingen, gemaakt en verspreid vanaf 1996 tot heden.10 Ongeveer 60 tot 70% van de bekende afbeeldingen vallen in de categorie ‘oud’ en identificatie van slachtoffers en daders heeft geen prioriteit.

Het wereldwijde gebruik van het internet maakt een internationale aanpak en coördinatie van onderzoeken naar de verspreiding van kinderpornografie via internet noodzakelijk. Het team bestrijding kinderpornografie van het KLPD initieert en (in de grotere onderzoeken) coördineert onderzoeken naar kinderpornografie en beheert de nationale database kinderpornografie. Interpol beheert de internationale database kinderpornografie, waarin alle beelden zijn opgenomen waarvan de slachtoffers en daders zijn geïdentificeerd. Europol coördineert en analyseert Europese onderzoeken naar kinderpornografienetwerken op internet.

Van belang is dat internetonderzoeken worden aangemeld bij het KLPD, team bestrijding kinderpornografie, om te voorkomen dat onderzoeken dubbel worden gedaan.

Digitale technieken, zoals het gebruik van een webcam, bieden mogelijkheden om beelden van actuele seksuele handelingen te verzenden via het internet. In chatgroepen wordt kinderen gevraagd zich voor de webcam te ontkleden of seksuele handelingen met zichzelf of met anderen te verrichten. De opnamen daarvan verschijnen vervolgens in kinderpornografische netwerken op het internet. Het bekijken van zo een webcamvertoning in de privé-sfeer is niet strafbaar, tenzij de verdachte de minderjarige verleidt tot het aannemen van seksueel getinte houdingen of het plegen van seksuele handelingen met zichzelf of met een derde en dit voor verdachte te zien is op een webcam.11 Degene die kennelijk het bezit over dit bestand wil hebben12, zodat hij het bestand onafhankelijk van het internet kan bekijken, valt onder de werking van artikel 240b WvSr.

Artikel 5, lid 3 WvSr verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in de artikelen 240b WvSr, 242 tot en met 250 WvSr en 273f WvSr, voor zover het feit is gepleegd ten aanzien van een minderjarige.

Deze vervolgbaarheid in Nederland kent niet het vereiste van dubbele strafbaarheid zoals bedoeld in artikel 5 lid 1, onder 2 WvSr. Met name voor bestrijding van sekstoerisme is dit een belangrijke toevoeging aan artikel 5 WvSr.

Artikel 5a WvSr maakt het mogelijk een vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf jegens een minderjarige zoals omschreven in de artikelen 240b WvSr, 242 tot en met 250 WvSr en 273f WvSr in Nederland te vervolgen indien hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. De vreemdeling die eerst ná het plegen van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verkrijgt, valt ook onder de werking van dit artikel. Het vereiste van dubbele strafbaarheid geldt ook hier niet.

De Hoge Raad is van oordeel (21 april 1998, NJB 1998, 81/NJ 1998, 782) dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Dit betekent dat ofwel een nadere omschrijving van de gedraging vereist is, ofwel de afbeelding(en) opgenomen (‘geïnsereerd’) dient/dienen te worden in de tenlastelegging. Film- en videomateriaal kunnen geen onderdeel uitmaken van de tenlastelegging.13

Om ook in het vervolgingsstadium ieder risico van verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen uit te sluiten, dient geen gebruik gemaakt te worden van de mogelijkheid kinderpornografische afbeeldingen in de tenlastelegging op te nemen. In de tenlastelegging dient, naast een algemene beschrijving, een selectie van de aangetroffen afbeeldingen omschreven te worden, tot een maximum van 25 afbeeldingen. De selectie dient in ieder geval plaatjes uit de prioriteitenlijst te bevatten én een algemeen beeld van de collectie te geven.

Zonodig kunnen film- en videomateriaal en afbeeldingen ter zitting als stuk van overtuiging getoond worden.

Bij de totstandkoming van strafeisen werd in het recente verleden relatief veel waarde gehecht aan de aantallen afbeeldingen of videobanden die werden aangetroffen. Met de sterk toegenomen digitale mogelijkheden (het internet) kan men tegenwoordig zeer snel en eenvoudig beschikken over zeer grote hoeveelheden kinderpornografisch materiaal. In de praktijk van de opsporing blijkt dat de meeste aangetroffen verzamelingen van kinderpornografisch materiaal tegenwoordig niet kleiner zijn dan tienduizenden bestanden en niet zelden zelfs honderdduizenden bestanden tellen. Daarmee is het onderscheidend vermogen van het criterium ‘hoeveelheid materiaal’ voor een groot deel komen te vervallen. Ten behoeve van de bepaling van strafeisen heeft het College van procureurs-generaal een Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie vastgesteld. Deze richtlijn is per 1 mei 2007 in werking getreden.14 In deze richtlijn is het zwaartepunt gelegd op andere criteria, te weten:

In deze bijlage wordt een nadere toelichting gegeven op een aantal voor de opsporings- en vervolgingspraktijk belangrijke delictsbestanddelen van artikel 240b WvSr, te weten de inhoud en reikwijdte van ‘seksuele gedraging‘, ‘kennelijk de leeftijd van achttien jaar‘ en ‘schijnbaar betrokken‘.

Een vragenlijst, te gebruiken bij de vaststelling of een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is afgebeeld, is opgenomen in bijlage 2.

Het delictsbestanddeel seksuele gedraging wordt uitgelegd vanuit de strekking van artikel 240b WvSr. Het gaat om gedragingen die – indien vastgelegd – schadelijk kunnen zijn voor de jeugdige:

Het volgende onderscheid kan worden gemaakt:

Seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b WvSr zijn in ieder geval een afbeelding of afbeeldingen van de in de artikelen 242 e.v. WvSr strafbaar gestelde gedragingen:

Ook de afbeelding van een jeugdige alleen kan een kinderpornografische afbeelding zijn. Of deze afbeeldingen zijn te kwalificeren als afbeeldingen van seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b WvSr, hangt af van het karakter en/of de context van de afgebeelde gedraging. Er zijn hier twee uitersten aan te geven:

Tussen deze twee uitersten zit een grensgebied van gedragingen waarvan niet op voorhand kan worden vastgesteld of deze wel of niet onder de delictsomschrijving van artikel 240b WvSr vallen.

Voor vaststelling of een afbeelding (van een jeugdige alleen) een seksuele gedraging is in de zin van artikel 240b WvSr geldt als leidraad dat de afgebeelde gedraging wordt afgezet tegen een normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer. Bepalend zijn het karakter en/of de context van de afbeelding.

Bij een in beginsel normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer past de afgebeelde gedraging bij de jeugdige van die leeftijd en is de gedraging vastgelegd in een omgeving en in een context waarin de jeugdige normaal verkeert.

Een onnatuurlijke pose en/of het toevoegen van bijkomende onnatuurlijke attributen geven de afbeelding een onnatuurlijk karakter en (kunnen) maken dat de afbeelding als een seksuele gedraging moet worden gekwalificeerd.

a. Karakter van de afbeelding

Afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is bijvoorbeeld een afbeelding:

b. Context van de afbeelding

Afbeelding van een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is de afbeelding van de jeugdige met bijkomende onnatuurlijke (geregisseerde) factoren, bijvoorbeeld:

Aan de hand van de afbeelding moet een schatting worden gemaakt van de leeftijd. De leeftijd hoeft niet bewezen te worden. De werkelijke leeftijd, indien bekend, van de afgebeelde persoon is wel een omstandigheid waarmee bij de beoordeling van de zaak rekening moet worden gehouden.

Artikel 240b WvSr stelt afbeeldingen strafbaar die met behulp van (digitale) manipulatie zijn vervaardigd. Hierbij hoeven geen echte kinderen betrokken zijn.

Uit de wetsgeschiedenis is op te maken dat de strafbaarstelling van virtuele kinderporno is beperkt tot realistische, niet van echt te onderscheiden afbeeldingen.2 Deze beperking raakt evenwel het eveneens in de wetsgeschiedenis geformuleerde uitgangspunt van de beschermwaardigheid van kinderen in zijn algemeenheid tegen beeldmateriaal dat seksueel misbruik suggereert, gedrag dat kan worden gebruikt om kinderen aan te moedigen of te verleiden om deel te nemen aan seksueel gedrag en gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.3 Het is denkbaar dat het aldus omschreven belang van kinderen onverminderd groot is in gevallen waarin de virtuele afbeeldingen in mindere mate realistisch zijn. Ook afbeeldingen die niet evident levensecht zijn, kunnen bijvoorbeeld seksueel misbruik van kinderen suggereren of deel uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.

De grond voor de strafbaarstelling van virtuele kinderpornografie is vooral gelegen in een brede uitleg van het zojuist beschreven beschermingsoogmerk. Er is evenwel nog weinig jurisprudentie over virtuele kinderpornografie en over de verhouding tussen de genoemde brede uitleg en de gestelde beperking (de schijn van echtheid).

Kunstuitingen die op het eerste gezicht een kinderpornografische uitstraling hebben, dienen kritisch te worden onderzocht om vast te stellen of sprake is van overtreding van artikel 240b, eerste lid WvSr. Bovendien kan een oorspronkelijke kunstuiting alsnog als kinderpornografisch materiaal kunnen worden gekenmerkt indien de kunstuiting later wordt aangetroffen in een verzameling kinderpornografisch materiaal.

Aan de hand van deze vragenlijst kan worden vastgesteld of de afbeelding een seksuele gedraging in de zin van artikel 240b WvSr is. In bijlage 1 bij deze aanwijzing wordt onder paragraaf 1 en 2 ingegaan op de inhoud en de reikwijdte van ‘seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b WvSr.

Bij beantwoording van de vragen is niet relevant:

Bezien wordt:

Instellingen die kinderpornografisch materiaal willen gebruiken voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden, richten zich tot het College van procureurs-generaal. Bij aanvraag wordt aangegeven voor welk doel en voor welke periode de selectie zal worden gebruikt en wie binnen de organisatie bevoegd is de selectie te gebruiken (naam en/of functie). Indien het College van procureurs-generaal, eventueel na overleg met de OM-commissie Zeden, tot de conclusie komt dat de aanvraag ingewilligd kan worden, dan stelt het College van procureurs-generaal de hoofdofficier van justitie en de zedenaanspreekofficier van justitie in het betreffende arrondissement in kennis van de verleende toestemming aan de instelling voor bezit en gebruik van kinderpornografisch materiaal zonder strafrechtelijke consequenties. De betreffende zedenaanspreekofficier van justitie stelt de coördinator kinderpornografie van de betreffende politieregio in kennis. Het College van procureurs-generaal verzoekt het KLPD om (in overleg met de aanvragende instelling) een selectie kinderpornografische afbeeldingen ter beschikking te stellen.

De volgende regels voor gebruik en beveiliging worden gehanteerd:

Deze regels moeten worden nageleefd om vervolging te voorkomen. Deze regels zullen tegelijk met de overdracht van het materiaal aan de instelling bekend worden gemaakt. Toepassing van de regels voor gebruik en beveiliging kan worden gecontroleerd.

Voor functionarissen van het OM, bijvoorbeeld de zedenaanspreekofficier of een coördinerend medewerker kinderpornografie, bestaat eveneens de mogelijkheid om voor interne educatieve doeleinden te beschikken over een collectie kinderpornografische afbeeldingen. Hiervoor dient toestemming aan het College te worden gevraagd. Voor OM-medewerkers gelden niet de voor instellingen geldende regels voor gebruik en beveiliging, maar andere door het College bepaalde interne regels rond beveiliging van informatie.

Is er overleg geweest met het team bestrijding kinderpornografie van het KLPD in relatie tot de landelijke database kinderporno?

Ja/Nee

In de landelijke database Kinderporno zijn ruim 1 miljoen afbeeldingen opgeslagen. Er kunnen relaties worden gelegd tussen nationale en internationale onderzoeken. Tevens is er toegang tot de Interpol database Kinderporno, waarin kinderpornografisch materiaal is opgeslagen, met een verwijzing naar het land waar het onderzoek heeft plaatsgevonden.

Zijn de opnamen te kenmerken als (pre)puberale pornografie (<14 jr) of als postpuberale pornografie (14–18 jr)?

(Pre)puberaal/Postpuberaal

De leeftijd kan worden geschat aan de hand van lichaam en geslachtskenmerken (Tannercriteria). Beperking is dat deze kenmerken slechts bruikbaar zijn tot ongeveer 15 jaar.

Betreft het bekend of onbekend materiaal?

Bekend/Onbekend

Zijn de afbeeldingen reeds bekend en opgeslagen in de landelijke database?

Betreft het oud, recent of nieuw beeldmateriaal?

Oud/Recent/Nieuw

Met oud wordt bedoeld jaren zeventig, recent is van de jaren tachtig tot ongeveer 1996 en nieuw is van 1996 tot heden. Nieuw beeldmateriaal dient onderzocht te worden op de herkomst, de mate van verspreiding en de locatie van internet zoals chatgroepen, communities, enzovoorts.

Zijn de slachtoffers en/of daders reeds bekend?

Slachtoffer/Dader

Het KPLD, team bestrijding kinderpornografie, heeft kennis van zaken met afbeeldingen die reeds zijn opgelost en waarvan de daders en/of slachtoffers bekend zijn. Bij oud materiaal is het niet zinvol onderzoek te doen naar de identiteit van daders en slachtoffers, bij recent materiaal is dit afhankelijk van het soort afbeeldingen. Met betrekking tot nieuw materiaal is het raadzaam de landelijke database z.s.m. te informeren.

Zijn er rechercheerbare elementen zichtbaar op de afbeeldingen?

Zo ja, welke?

Letten op omgevingskenmerken zoals schilderij, bed, laken, lichten, toetsenborden computer, soort stopcontact, boeken, tijdschriften, natuuromgevingen, inrichting van woningen of vertrekken, merken op apparatuur, enzovoorts.

Is bij onderzoeken van computers de digitale expert betrokken en wat is daarvan het resultaat?

PV BDE

De computer en andere digitale opslagmogelijkheden worden onderzocht door experts. Onderzocht wordt welke middelen en methoden de verdachte heeft gebruikt voor het verkrijgen van de afbeeldingen. Tevens is het van belang te weten of de verdachte deel uitmaakt van een netwerk van verspreiders. Zijn internethandelingen worden onderzocht en bij proces-verbaal vastgelegd.

Waaruit bestaat de verzameling kinderpornografie?

Handelingen/Geweld/Poseren/Karakter/Context/Leeftijd

Aan de hand van de seksuele handelingen is mogelijk iets te vermelden over de bezitter van de verzameling. Er kan worden vastgesteld welke seksuele voorkeur hij heeft, (jongens/meisjes), lichaamskenmerken (jonge of oudere kinderen), soorten handelingen (mate van geweld, seksueel gedrag, penetratie, seksueel poseren, enzovoorts). Daarbij kan ook in het onderzoek worden betrokken de kans dat de bezitter zich zelf ook aan seksueel misbruik heeft schuldig gemaakt. De context en karakter van de afbeeldingen zijn omschreven in de bijlage.

Is er gebruik gemaakt van de hashcode en wat is daarvan het resultaat?

Zijn de onbekende afbeeldingen gecodeerd?

Er is een zogeheten hashcode tool ontwikkeld en deze tool is ter beschikking gesteld aan de digitale experts. Met behulp van de tool kan worden vastgesteld of zich kinderpornografie op harde schijven of andere digitale beelddragers bevindt. Onbekend materiaal wordt met behulp van de Encase software gecodeerd en toegevoegd aan de hashcode database. Ter toelichting: een hashcode is een unieke digitale handtekening van een computerbestand. Met deze handtekening zijn bestanden met elkaar te vergelijken en kunnen identieke bestanden snel worden gedetecteerd.

Team bestrijding kinderpornografie

KLPD/DNRI

C.S. Groeneveld

Postbus 3016

2700 KX Zoetermeer

079-3459346

Parket-Generaal

contactpersoon bestrijding kinderpornografie

Postbus 20305

2500 EH Den Haag

telefoon secretariaat 070-339 9611

fax 070-339 9858.