Regeling · BWBR0022793
Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 februari 2007; nr. 5470921/07/6;
Gelet op de implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEU L 76), op artikel 7, eerste lid, 10, tweede lid en 17, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties en op artikel 2 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau;
De Raad van State gehoord (advies van 21 maart 2007, nr. W03.07.0057/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 oktober 2007, nr. 5510993/07/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage30 oktober 2007BeatrixDe Minister van Justitie,E. M. H.Hirsch Ballinde achtste november 2007De Minister van Justitie,E. M. H.Hirsch BallinHet Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak de officier van justitie te ondersteunen bij zijn taken met betrekking tot de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties.
Het model van het certificaat, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en 17, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties, wordt als volgt vastgesteld:
Een certificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat en wordt meegezonden met de beslissing waarbij een geldelijke sanctie is opgelegd welke in Nederland moet worden erkend en ten uitvoer gelegd, is gesteld in de Nederlandse taal of, indien Nederland zulks heeft meegedeeld in een bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde verklaring, in een van de in die verklaring genoemde talen.
Een certificaat dat is afgegeven door de officier van justitie en wordt meegezonden met een beslissing waarbij een geldelijke sanctie is opgelegd, is gesteld in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waaraan de beslissing met het oog op de tenuitvoerlegging aldaar wordt gezonden dan wel, indien die lidstaat zulks heeft meegedeeld in een bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde verklaring, in een van de in die verklaring genoemde talen.
De lijst, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties, luidt als volgt:
- 1.
Deelneming aan een criminele organisatie
- 2.
Terrorisme
- 3.
Mensenhandel
- 4.
Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
- 5.
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
- 6.
Illegale handel in wapens, munitie en explosieven
- 7.
Corruptie
- 8.
Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
- 9.
Witwassen van opbrengsten van misdrijven
- 10.
Valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro
- 11.
Cybercriminaliteit
- 12.
Milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten
- 13.
Hulp bij illegale binnenkomst en verblijf
- 14.
Moord en doodslag, zware mishandeling
- 15.
Illegale handel in menselijke organen en weefsels
- 16.
Ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling
- 17.
Racisme en vreemdelingenhaat
- 18.
Georganiseerde of gewapende diefstal
- 19.
Illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen
- 20.
Oplichting
- 21.
Racketeering en afpersing
- 22.
Namaak van producten en productpiraterij
- 23.
Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten
- 24.
Vervalsing van betaalmiddelen
- 25.
Illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars
- 26.
Illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen
- 27.
Handel in gestolen voertuigen
- 28.
Verkrachting
- 29.
Opzettelijke brandstichting
- 30.
Misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen
- 31.
Kaping van vliegtuigen of schepen
- 32.
Sabotage
- 33.
Gedragingen in strijd met de verkeersregels, met inbegrip van overtredingen van de rij- en rusttijdenwetgeving en van de wetgeving inzake gevaarlijke goederen
- 34.
Smokkel van goederen
- 35.
Inbreuken op de intellectuele-eigendomsrechten
- 36.
Bedreigingen en daden van geweld jegens personen, met inbegrip van geweld tijdens sportevenementen
- 37.
Opzettelijke vernieling
- 38.
Diefstal
- 39.
Strafbare feiten die door de beslissingsstaat worden vastgesteld en die onder uitvoeringsverplichtingen vallen welke voortkomen uit instrumenten op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning.
Dit besluit treedt in werking op hetzelfde tijdstip als waarop de wet van 27 september 2007 (Stb. 354) tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76) (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties) in werking treedt.
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties.